Er is best wel weer leuke televisie tegenwoordig. André van Duin en Jannie op hun bootje, mensen die hun droomhuis zoeken, kamp van Koningsbrugge, vrouwelijke truckers, maar vooral Urk.
Godsamme, wat ben ik jaloers op Urk. Een keer per week een visje en je wordt nooit ziek, elke Urker kan morgen de minister president vervangen en ze spreken een haast onverstaanbaar taaltje dat ik qua klanken al aardig onder de knie begin te krijgen. En ik bedoel het niet eens sarcastisch, ik ben echt jaloers op hun simpelheid. Urk is Urk en daar komt niemand tussen. Het moet toch geweldig zijn als je deel uit maakt van zo’n gemeenschap en als Urk je thuishaven is die je nooit zult verlaten. Vrouwen zijn er echte poetsmiepen en ook absoluut de baas in huis. Je kunt er nog in huis roken, en ze maken de hele dag gevatte opmerkingen naar elkaar. Die volgens mij toch niemand verstaat, maar dat terzijde.
Het is toch vreemd, ik ben totaal anders opgegroeid en opgevoed, en ik voel me aangetrokken tot zo’n hechte gemeenschap. Ik zou er gek worden, daar niet van, maar ik ben jaloers op hun geluk. Schone ramen, een Opel Astra met dikke subwoofers, roken onder de afzuigkap en de hele dag lullen in die zangerige taal. Geen zorgen over dingen die toch niet gebeuren. Of zoals zij het zeggen: Gin zeurigen oever dingen die toch net geboeren. Of zoiets.