In het cafetaria zat naast de deur een vrouw te wachten. Ik kende de vrouw, maar had haar meer dan veertig jaar niet gesproken. Ik sprak haar aan. Jij bent Marie toch? Ze was Marie en ze kon mij niet thuisbrengen. Ik kwam haar wel bekend voor.
Ik fietste vroeger vaak met Marie mee naar school, en Marie was mooi. Dat vond ik tenminste. Ik vertelde Marie een klein detail om te bewijzen dat ik haar echt kende en ze verontschuldigde zich voor het zich niet meer herinneren van mij. Ze legde even een hand op mijn onderarm zoals charmante vrouwen dat kunnen.
Ik wist dondersgoed wie ze was. Ik had haar nog wel eens vaker gezien, alleen nooit aangesproken. Ze stond bekend als slettebak en ze had mij ook wel eens een voorstel gedaan, maar ik was te bang. Van haar schoonheid was ook niet veel meer over en de aftakeling was zeker tien jaar terug ingezet. Net als bij mij trouwens, maar ik ben een man, dus in het voordeel. Maar haar handen waren nog mooi en ik maakte grapjes tegen haar, want het verleden laat zich niet uitwissen. Ze vroeg mijn naam, maar ook dat hielp haar niet, maar nu zou ze het niet meer vergeten, zei ze. Dat zullen we nog wel eens zien de volgende keer, dacht ik.
Mijn bestelling was klaar en ik ging weer weg en groette haar. Bij wijze van uitzondering had ik patat oorlog besteld. Thuis pakte Linda de bestelling uit en keek naar het slagveld dat ik besteld had. “Dat je dat lust,” zei ze. Ik antwoordde dat het net was als met een sletterige vrouw. We geven het niet toe maar stiekem vinden we het lekker.
Marie is niet haar echte naam. Ze kan haar leven gebeterd hebben.
