In mijn poging tot een avontuur nam ik een pad dat ik niet kende. Ik wist wel waar ik ongeveer was, maar niet hoe het pad liep. Het kwam uit op een ander pad dat ik wel kende. Ik wist dat dat pad geen doorgang naar links had terwijl ik daar wel heen moest, maar ik nam het pad toch. Het was jaren geleden dat ik hier was geweest en misschien was er nu wel een verbinding naar het andere bos. Voor de dieren is het gewoon één bos, maar voor mensen is er een duidelijke scheiding tussen de Boswachterij Nunspeet en de kroondomeinen, waar ik moest zijn. Overigens lag er vroeger nog een wildrooster en stonden er hekken, om ook de dieren te scheiden. Ik heb me wel eens laten vertellen dat er nog langer geleden grensbewaking was met mijnenvelden om eventueel naar het westen vluchtend wild op andere gedachten te brengen.
Het was een lang recht pad, zeker twee kilometer recht naar het zuiden voordat de eerste bocht richting westen kwam. Ik moest naar het oosten, want daar wonen de wijzen en ik pakte het kompas er maar weer eens bij. Google maps is hartstikke handig als je verbinding hebt, maar in deze contreien kun je dat rustig vergeten. Het kompas gaf de richting aan die ik heus wel wist maar het is fijn je gelijk bevestigd te zien. Ik moest naar het noordoosten want daar stond mijn auto, en dit pad ging naar het zuidwesten. Voor degenen die niet bij de padvinders hebben gezeten, da’s de tegengestelde richting.
Ik deed wat ik al de hele tijd van plan was, maar wat ik verder nooit doe, ik ging van het pad af en trok de dichte jungle door. Lori was enthousiast want die is al net zo avontuurlijk als haar baasje. Het is niet toegestaan, van de paden af, maar rebels als ik ben, ging ik dwars door de bossen de vrijheid tegemoet. Bovendien regende het, ik was de hele weg, op wat mountainbikers na, nog niemand tegengekomen. Nu, honderd meter na ik mijn illegale oversteek naar de vrijheid was gestart, zag ik ineens twee wandelaars in de verte. Natuurlijk. Ze liepen kennelijk over een pad dat ik moest hebben. Al liaanslingerend bereikte ik het pad en doemde dertig meter voor ze op. Ze keken wat vreemd op van mijn plotselinge verschijning, alsof ik iets heel erg illegaals had gedaan, maar ik deed net of ik daar woonde en liep verder.
Had ik even daarvoor nog precies geweten in welke richting ik liep, nu had ik geen idee meer. Ik moest nu dichter bij huis zijn dan net, maar ik herkende hier niks. Hoe kon hier zo’n groot stuk hei zijn dat ik helegaar niet kende? Vanwege de achter mij lopende mensen deed ik alsof ik het wel kende en ik liep door. Ik kwam op een modderige weg en had geen idee. Ik pakte toch maar weer even het kompas en zag dat ik in de goede richting liep, al voelde dat niet zo. Ik hoorde mezelf denken, twijfel nou niet aan het kompas, het wordt zo vanzelf weer bekend.
En zo geschiedde, na een paar honderd meter begreep ik weer waar ik was, alleen had ik geen idee hoe ik hier verzeild was geraakt. Ik vermoed toch dat toen ik van het rechte pad ging, ik door een schemerzone ben gegaan, een soort Bermudadriehoek, waar hoogtemeters en kompassen niet meer werken en waar je volledig gedesoriënteerd raakt. Zoiets moet het geweest zijn. Nog een kilometer of drie naar de auto.