EPiC

De nieuwe Elvisfilm, Elvis Presley in Concert, is geweldig. Tijdens de opname van de vorige, “Elvis,” uit 2022 zijn er ergens 650 meter onder de grond, in een zoutmijn in Kansas, 68 dozen met meerdere filmrollen gevonden. Deze filmrollen met nooit eerder vertoonde opnames van zijn concerten werden al in 2018 ontdekt, en sinds die tijd is eraan gewerkt om de beelden te digitaliseren, te restaureren en te monteren tot de kwaliteit die je tegenwoordig gewend bent in bioscopen. Daardoor zag ik Elvis zoals ik hem nog nooit had gezien.

Het voelde alsof het deel wat ik al een kleine vijftig jaar miste, eindelijk werd opgevuld. Elvis was hier een muzikant pur-sang, een muziekliefhebber, die bestaande stijlen had gemixt, met een voorliefde voor gospel, maar hij was vooral het middelpunt van zijn omgeving. Zijn muzikanten hielden hem strak in het oog, en hij hoorde alles wat mis ging. Hij hield ze bij de les en streefde naar perfectie. Hij benadrukte steeds maar weer dat het niet uitmaakte hoeveel concerten hij gaf, elk publiek was een nieuw publiek dat moest worden gepakt. Hij speelde met ze, maakte grapjes, en gaf een geweldige show.

Ook waren er nooit eerder vertoonde beelden van repetities, interviews en van zijn gezinsleven. Ik zag mijn muziekheld nu eens niet als “the king” maar door menselijke details als zweetdruppels, huidlijnen, vingernagels en wimpers, als een man. Het waren opnamen uit de vroege jaren zeventig, hij voelde zich duidelijk goed, hij zag er goed uit, was vrolijk, hij was bezig met wat hij het liefste deed en net bevrijd van de filmcontracten die zijn imago meer kwaad dan goed hadden gedaan.

De film voelde als gerechtigheid. Hier werd duidelijk waarom hij tot Artist of the Century was verkozen. Hier zag je een topmuzikant, die de basis van gitaar en piano beheerste, maar die als zanger, performer en leider van zijn orkest tot ongekende hoogten steeg. Vijftig jaar na zijn dood is het en de bioscopen lopen weer vol, net als in 2022.

Oh, en al die vrouwen die hem vereerden, haarscherp werden ze in beeld gebracht. Ze konden zichzelf niet helpen en waren volledig in Elvis’ macht. Ik vrees zelfs dat hij er wel eens gebruik van gemaakt heeft. Ja, door scherpe details in de film weet ik dat vrijwel zeker.

Uitzieken.

Ik werd maandagavond ziek. Dinsdagochtend begon ik om tien uur te werken maar om één uur stopte ik. Woensdag en donderdag werkte ik weer en ik voelde me ‘s avonds net weer goed genoeg om te gaan badmintonnen. Een medespeler, die al een paar dagen voor mij was ziek geworden, zei in de app dat hij niet kwam omdat hij nog aan het herstellen was. Ik appte dat ik ook aan het herstellen was maar desondanks toch ging. Ik knipoogde erbij.

Ik heb het niet zo op die uitziekers. Rekkers zijn het. Ik had vroeger een collega, als die griep kreeg was je hem zeker twee weken kwijt. “Even goed uitzieken,” zei hij dan.

Ik had het zwaar met badminton. De volgende dag, vrijdag, voelde ik me zieker dan de dag ervoor, maar ik werkte na het eten nog twee uur door om een collega te helpen. Daarna keek ik nog even tv en ging naar bed, en raakte in gesprek met copilot over mijn grieperige toestand. Volgens copilot had ik niet moeten gaan badmintonnen omdat mijn lichaam energie had willen geven aan mijn immuunsysteem, maar dat ging nu niet omdat alle energie naar badminton ging. Dat klonk niet onlogisch en ik dacht aan mijn medespeler die zo slim was om niet te gaan. Ik had een zware, koude, klamme nacht, en ik moest er weer vroeg uit. ‘s Middags zou ik naar EPiC gaan, de nieuw Elvisfilm. Op paracetamol sleepte ik me erheen. Ik denk dat ik zelfs een minuutje geslapen heb tijdens de film, die overigens echt geweldig was.

Nu pas voel ik me wat beter. Ik moest voortaan toch maar iets voorzichtiger zijn met het veroordelen van uitziekers.

Het jaar des Heeren

Het zou wat eentonig kunnen worden als ik het weer ging hebben over lopen met de hond in het bos, maar het is niet anders. Ik ben eenmaal James Bond niet. Het regende op zaterdag en dat was goed nieuws want als het regent is Nederland dunbevolkt. Ik ging dus weer van het pad af en beklom een hoge wal, normaal niet toegankelijk maar ik ben daar een beetje klaar mee. Het is mijn eigen land! Mijn opa heeft het helpen opbouwen na de oorlog! De wal is een meter of tien hoog en ik heb wel eens gelezen hoe hij ontstaan is, maar dat ben ik vergeten. Ongetwijfeld door eeuwenlange weersinvloeden. Boven op de wal liep een smal pad, maar ik wist niet of dat door mensen was gemaakt of niet. Ik was ergens midden op de wal omhooggekomen, maar ik kon nog honderden meters over het pad. Hier zag je nergens menselijke invloeden, geen zwerfafval, geen wegwijzer, geen paaltje, geen spoor, gewoon niks. Het zou mij niet verbazen als ik de eerste mens ooit was die dit gebied betrad. (Nee, ik weet het ook wel, maar voor het verhaal.) Aan het eind van het pad stopte de wal, dat wil zeggen, daar moest ik naar beneden. Ik moest over takken en boomstammen en kwam op het ondergelegen pad terecht dat de wal doorkruist, en waar je wel mag lopen. Dat was nog best listig gecamoufleerd, want beneden had je geen idee dat daarboven dat paadje liep. Aan de andere kant van het legale pad liep de wal weer verder, maar dat bewaar ik wel voor een andere regenachtige dag. Misschien dat daar ook nog een onontdekt gebied is en wie weet leven er nog Batavieren. Daar zal ik dan zeker over berichten.

Dat ik soms het besef van de tijd kwijt raak bleek vandaag. Ik had de hond achterin maar wilde eerst de auto wassen, dus ik reed naar de autowasplaats in plaats van naar het bos. Ik zat te denken waar ik van daaruit heen kon, en dacht aan een parkeerkaart die in de auto lag voor ‘t Kievitsveld, zo noemt de gemeente het Emstergat, en waar je buiten het seizoen met de hond mag lopen. De kaart was voor het seizoen 2024/2025 maar ik wist niet welk jaar het was. Ik wist het gewoon niet. Ik probeerde het me te herinneren maar het schoot me niet te binnen. Ik pakte mijn telefoon, en ik wist vrij zeker dat we inmiddels in een jaar waren aanbeland waarin een telefoon bedienen in de auto niet meer mocht, maar nood breekt wet. Geen agent die me zou geloven natuurlijk als ik zei dat ik moest opzoeken of de parkeerkaart geldig was omdat ik niet wist welk jaar het was. Ik wist dat het 1 maart was, dat wel. Mijn telefoon gaf aan dat het 1 maart 2026 was. Dus toch! De kaart was niet meer geldig. Ik reed door naar het bos. In het jaar des Heeren tweeduizendzesentwintig.

Schemerzone

In mijn poging tot een avontuur nam ik een pad dat ik niet kende. Ik wist wel waar ik ongeveer was, maar niet hoe het pad liep. Het kwam uit op een ander pad dat ik wel kende. Ik wist dat dat pad geen doorgang naar links had terwijl ik daar wel heen moest, maar ik nam het pad toch. Het was jaren geleden dat ik hier was geweest en misschien was er nu wel een verbinding naar het andere bos. Voor de dieren is het gewoon één bos, maar voor mensen is er een duidelijke scheiding tussen de Boswachterij Nunspeet en de kroondomeinen, waar ik moest zijn. Overigens lag er vroeger nog een wildrooster en stonden er hekken, om ook de dieren te scheiden. Ik heb me wel eens laten vertellen dat er nog langer geleden grensbewaking was met mijnenvelden om eventueel naar het westen vluchtend wild op andere gedachten te brengen.

Het was een lang recht pad, zeker twee kilometer recht naar het zuiden voordat de eerste bocht richting westen kwam. Ik moest naar het oosten, want daar wonen de wijzen en ik pakte het kompas er maar weer eens bij. Google maps is hartstikke handig als je verbinding hebt, maar in deze contreien kun je dat rustig vergeten. Het kompas gaf de richting aan die ik heus wel wist maar het is fijn je gelijk bevestigd te zien. Ik moest naar het noordoosten want daar stond mijn auto, en dit pad ging naar het zuidwesten. Voor degenen die niet bij de padvinders hebben gezeten, da’s de tegengestelde richting.

Ik deed wat ik al de hele tijd van plan was, maar wat ik verder nooit doe, ik ging van het pad af en trok de dichte jungle door. Lori was enthousiast want die is al net zo avontuurlijk als haar baasje. Het is niet toegestaan, van de paden af, maar rebels als ik ben, ging ik dwars door de bossen de vrijheid tegemoet. Bovendien regende het, ik was de hele weg, op wat mountainbikers na, nog niemand tegengekomen. Nu, honderd meter na ik mijn illegale oversteek naar de vrijheid was gestart, zag ik ineens twee wandelaars in de verte. Natuurlijk. Ze liepen kennelijk over een pad dat ik moest hebben. Al liaanslingerend bereikte ik het pad en doemde dertig meter voor ze op. Ze keken wat vreemd op van mijn plotselinge verschijning, alsof ik iets heel erg illegaals had gedaan, maar ik deed net of ik daar woonde en liep verder.

Had ik even daarvoor nog precies geweten in welke richting ik liep, nu had ik geen idee meer. Ik moest nu dichter bij huis zijn dan net, maar ik herkende hier niks. Hoe kon hier zo’n groot stuk hei zijn dat ik helegaar niet kende? Vanwege de achter mij lopende mensen deed ik alsof ik het wel kende en ik liep door. Ik kwam op een modderige weg en had geen idee. Ik pakte toch maar weer even het kompas en zag dat ik in de goede richting liep, al voelde dat niet zo. Ik hoorde mezelf denken, twijfel nou niet aan het kompas, het wordt zo vanzelf weer bekend.

En zo geschiedde, na een paar honderd meter begreep ik weer waar ik was, alleen had ik geen idee hoe ik hier verzeild was geraakt. Ik vermoed toch dat toen ik van het rechte pad ging, ik door een schemerzone ben gegaan, een soort Bermudadriehoek, waar hoogtemeters en kompassen niet meer werken en waar je volledig gedesoriënteerd raakt. Zoiets moet het geweest zijn. Nog een kilometer of drie naar de auto.

Te oud

Gisteren met badminton deed ik een zogenaamd trick shot, in mijn geval een lucky shot, want ik sloeg een service terug achter mijn rug om. De shuttle vloog over het net en de tegenstanders waren te perplex om nog te reageren. Punt voor ons. Daarna wierpen ze zich aan mijn voeten en vereerden mij als badmintongod. Het was waarschijnlijk mijn mooiste slag ooit en in gedachten hoorde ik het commentaar op tv: “I don’t believe it!”

Nu was er natuurlijk geen commentaar bij, en zeker geen tv, niet eens een scheidsrechter, maar dat maakt allemaal niet uit, ik schrijf het hier, dus dan ligt het vast. We verloren de wedstrijd verder wel, maar dat lag geheel aan mijn medespeler. Zo redeneer ik tenminste altijd anders moet ik aan mezelf gaan twijfelen en daar ben ik eenmaal te oud voor.

Waar ik ook te oud voor ben, is om in marketing te trappen. Daar ben ik al 25 jaar te oud voor trouwens, op mijn 30e hield ik daarmee op. Ik hoorde laatst weer een prachtig voorbeeld op de radio van wat je moet doen als je geld hebt. Ik ben dus niet de doelgroep, maar het mannetje van de radio speelde hier op je gemoed en zei iets als: hee, heb jij nog steeds inkomen uit lui geld? (rente) En toen iets als: het wordt tijd om je geld aan het werk te zetten. (beleggen)

En toen dacht ik, ja, dat is wel sterk bedacht. Lui is niet goed, en aan het werk zijn is wel goed, dus mijn neuronen schoten al door de gebaande paden in mijn hersen om richting mijn schuldgevoel te gaan om daar eens even lekker op in te werken. “Ja zie je nu wel, je moet je geld aan het werk zetten, niet dat luie sparen!” Maar voor de neuronen de culpa zone hadden bereikt, trok ik aan de handrem en gooide het stuur om! Stop! Marketingtruc! Ze proberen je geld hun kant op te krijgen. Lui geld is uitstekend namelijk. Ten eerste krijg je er gratis rente over, ten tweede staat het veilig op de bank en ten derde hoef je je geen zorgen te maken.

Als je nu je geld voor je aan het werk gaat zetten dan moet je gaan beheren, je gaat kosten betalen aan de broker of hoe heten die snelle jelles, je moet constant de beurskoersen in de gaten houden en je hebt steeds de stress van waardevermindering. Het voordeel is wel dat je op een verjaardag kunt zeggen dat je geen lui geld hebt, maar dat je geld aan het werk is. Nou ja, je moet dus leren om als je veel geld hebt, dat rustig te laten waar het is en er belasting over te betalen. En je moet leren dat niet everyone een investor is, baby!

Westerse Voodoo

PSV verloor vandaag van een laagvlieger. Dat is vervelend voor mij, maar de voorsprong op de nummer twee is nog steeds een straatlengte.

Er wordt na afloop aan spelers gevraagd waar het aan lag, maar dan krijg je doorgaans nietszeggende antwoorden. “We waren te slordig” of “het mag ons niet gebeuren.” Er zijn ook redenen waar het echt aan lag, namelijk dat Volendam sterk was en dat PSV zo stom was geweest om Saibari met vakantie te laten gaan in deze periode van vele geblesseerden.

En, er zijn duistere redenen waar het werkelijk aan lag maar wat niemand weet, en dat is waar we het over moeten hebben. Het is westerse voodoo.

1. Onderschatting van de tegenstander. Niet door de spelers, maar door mij of Hans. Dit is rechtstreeks van invloed op het spel. Onze schuld.

2. De commentator zegt iets als: “komt er dan toch nog een kans voor Volendam,” dan komt niet alleen die kans na vijf tellen, het tegendoelpunt volgt dan ook. Schuld van de commentator.

3. Hans of ik hebben ons van te voren uitgelaten over de wedstrijd, en wel in het voordeel van PSV. Dan gaat het onherroepelijk mis. Onze schuld.

4. Het is onrustig tijdens de wedstrijd. Niet in het stadion, maar bij ons thuis. Bijvoorbeeld Linda die geïrriteerd is over iets totaal anders en midden in een aanval van de tegenstander begint te zeuren over iets dat ik niet heb opgeruimd. Er volgt dan onherroepelijk een doelpunt van de tegenstander. Linda’s schuld.

5. In de rust wordt er gewisseld door de tegenstander en de cameraman brengt de invaller net iets te lang in beeld als die staat te wachten op zijn invalbeurt. Dan scoort die invaller ook altijd. Schuld van de cameraman.

6. De hond begint tijdens de wedstrijd te blaffen naar een voorbijganger waardoor onze concentratie verslapt en er een tegendoelpunt valt. Lori’s schuld.

Daarom spreek ik me ook met zeventien punten voor nog niet uit over dat we kampioen worden. Zou ik dat doen, gaat het alsnog mis.

Langzaam maar gestaag

Het ergerde me al tientallen jaren, dus het werd tijd om er iets aan te doen. Er was wel een aanleiding nodig dus kennelijk ergerde het me niet goed genoeg. Maar ik heb me een paar uur kwaad gemaakt en een macro in excel gemaakt. Met behulp van AI, dat dit soort dingen snapt. Tenminste, het gaat wel 20 keer fout, dus je moet AI wel steeds duidelijk aangeven wat er fout gaat. En elke keer antwoordt AI: geen zorgen, Mack, deze keer gaan we het 100% goed maken. En vervolgens gaat het fout. Daar moet je dus wel tegen kunnen.

Ik kan dat tot op zekere hoogte. Maar als het een mens was geweest had ik hem toegebeten dat hij z’n bek moest houden. Want AI kan uitstekend volhouden om je te blijven frustreren met lange antwoorden die fout zijn. Mijn macro was een probeersel, vast niet perfect. Het scheelt me vijf minuten per week, terwijl ik uren bezig was om het te maken. Maar daar gaat het niet om. Het ging erom dat ik het geheim ontrafelde. Toch denk ik dat een ouderwetse handleiding beter was geweest. Daar leer je meer van en het geeft minder frustraties. Het zal langzamer gaan en de drempel om te beginnen zou hoger zijn, maar langzaam is niet erg zolang het gestaag is. We moeten ook niet teveel tijd over houden in ons leven, want die besteden we doorgaans toch niet erg zinvol. In het beste geval luierend, maar in het slechtste geval doelloos scrollend.

Pan

Het was vandaag Linda’s verjaardag, en dus moesten er cadeaus worden gekocht. Niet door mij want ik ben inspiratieloos door al die momenten in het jaar waarop cadeaus moeten gekocht. Ben nog maar net bekomen van kerst en dan kun je weer aan de gang. Toch ga ik volgend jaar maar weer wat beter mijn best doen want het alternatief, uit eten met zes man, was veel duurder. En dat zou nog niet zo erg zijn ware het niet dat ze laatst voor eenzelfde bedrag schade reed aan mijn auto.

Mijn dochter denkt wel aan haar moeders verjaardag, maar die carnavalslapzwans hier natuurlijk niet. Die koopt de meest idiote outfits die je maar kunt bedenken maar de verjaardag van zijn moeder, nee, daar denkt hij niet aan. Ik redde hem door een cadeau te bestellen. Een grote pan, want de vorige brak in stukken. Ik had Linda horen zeggen dat 10 liter niks was, dus ik ging voor iets groters. Er bestaan echt joekels van pannen, daar kun je de hele straat mee voeden tijdens de hongerwinter, dus dat was wat overdreven. Ik ging voor 30 liter, maar dat leek nog steeds wat groot, dus ik veranderde naar 25 liter. Prima.

De doos die bezorgd was, was overdreven groot, maar dat doen ze eenmaal bij bol.com. Ik zette de doos op Hans z’n kamer en verder mocht hij het uitzoeken. Hij kwam ‘s avonds al gelijk verhaal halen, wij lagen al op bed, stormde de slaapkamer op en vroeg wat die doos daar moest. Ik zei hem dat dat het cadeau was dat hij voor zijn moeder besteld had, en ja, dat herinnerde hij zich ineens.

De volgende dag kwam hij mijn werkkamer op om het ding in te pakken. De enorme doos ging open een ik verwachtte een kleinere doos die ingepakt kon worden. Maar nee, uit de enorme doos kwam een enorme pan. 25 liter is echt enorm.

Linda vond hem ook enorm en dat klonk me bekend in de oren, al was dat 25 verjaardagen geleden. Toen kreeg ze ook een pan, dacht ik. In elk geval, ik had haar verkeerd begrepen, ze wilde tien liter. Maar nadat ze van de eerste schrik bekomen was, wilde ze deze toch wel. Het is echt een enorme pan. Hij past niet in de keukenkastjes, of althans, dan zou hij in z’n eentje een keukenkastje in beslag nemen. We zetten hem op het gasfornuis om te testen of hij daar wel paste. Dat ging dan nog wel, op de middelste pit, mits er er geen andere grote pannen op de andere pitten hoeven te staan.

En elke keer als we vanavond de keuken in liepen riepen we naar de huiskamer: “het is echt een enorme pan!”

Kou

Ik liep zaterdag voor het eerst sinds lange tijd buiten zonder jas. ik twijfelde nog wel een beetje en het was eerst een heel klein beetje frisjes, maar al snel bleek het de juiste beslissing. Ik kwam mensen tegen die met hun jas over hun arm liepen omdat de zon het toch wel warm maakte. Nu zijn er tegenwoordig steeds meer verdwaasden die in hartje winter zonder jas of met korte broek lopen en ik weet niet zo goed wat deze groep mankeert, maar sporen doen ze niet. Twee weken terug kwam me een hardloper op blote voeten voorbij, hij moet een tbs-er op de vlucht zijn geweest.

Ik behoor niet tot die groep. Ik heb een hekel aan kou. Of beter, aan kou lijden, want kou juich ik toe. Ik was het er dan ook niet mee eens dat ik begin februari zonder jas liep. Februari moet van mij bitter koud zijn, want de dagen gaan lengen. Er moet nog sneeuw vallen, het liefst ontwrichtend veel sneeuw. Een sneeuwbom des doods het liefst, want zo noemen ze tegenwoordig een laagje van vijf centimeter al. In 1985 was er in de derde week van februari nog een Elfstedentocht. Zo hoort het eigenlijk, althans in mijn wereldbeeld.

Nee, nu liep ik daar in een aangenaam zonnetje, de vogels kwetterden maar het was gewoonweg te vroeg. Dit wil ik niet. Januari was prima, nog een tikkeltje te warm, maar in elk geval sneeuw. Totdat ik mijn energie verbruik van januari zag vandaag, meer dan 500 euro! Tering! Dat is 1100 ouderwetse guldens! Voor een beetje warmte in je huis, en dan zetten we de verwarming sinds de vorige energiecrisis niet meer hoger dan 19 graden.

Ik weet zeker dat als we de gulden hadden gehouden, we nooit rekeningen van f 1100,- zouden krijgen en er zouden ook geen dorpsgekken op blote voeten lopen in de winter.

Nukubu

Dit schreef ik een jaar geleden, maar plaatste het nooit. Waarom eigenlijk niet?

Mijn zoon, u kent hem wel, had ineens besloten dat hij er geen zin meer had in die oefeningen de hele dag. Hij zag er steeds meer tegenop, maar wat er nu precies aan scheelde werd me niet goed duidelijk. Hij miste de avonden thuis, zei hij. Ik herinnerde hem eraan dat als hij zijn rijbewijs zou halen dat alles anders zou zijn, maar ook dat weerhield hem niet. Hij houdt nogal van lang leve de lol, en ik vreesde dat hij zijn uitstekend betaalde baan ging opzeggen zodat hij carnaval kon vieren. Maar zo is het volgens hem niet. Ik haalde hem net op, want het ontslag werd direct in werking gezet en nu is hij een “Nukubu” en hij vond het toch wat dubbel. Hij had afscheid genomen van zijn collega’s die ook wat overrompeld waren door zijn snelle vertrek. Ik reed een rondje over de kazerne (ik was toegelaten) en ik moet zeggen dat ik er ook niet vrolijk van werd. Dat moet je wel liggen om daar je avonden door te brengen.

We reden naar huis en ik had een vreemd gevoel. Alsof ik zojuist afscheid had genomen van een tijdperk en m’n toekomst vergooide. (gevoel, ik zeg niet dat het zo is) Het heeft inclusief opleidingen een jaar of vier geduurd. Hij mocht zijn gevechtstenue en baret houden. En nu? Ja, dat weet ik niet. Hij heeft wel een idee. Maar aan de manier hoe hij praatte in de auto dacht ik toch weer: “Oh ja, hij is anders dan ik. Makkelijker. Hij redt zich wel. Met onze hulp.”

Eenmaal thuis gekomen ging na twee minuten de bel. Een bezorger. Een pakje voor Hans. Het was zijn nieuwe carnavalspak. Dat begon uitstekend. Ik herinnerde mij de gelijkenis van de verloren zoon. Ik zou nu een bok moeten slachten.