Guantanamera

Het is een prachtig lied, dat vond ik altijd al. Zeker als Nana Mouskouri of Julio Iglesias het zong. Maar dat was voor ik er ooit iets van begreep. Door de serie “la casa de papel” zocht ik het op en vond ik tientallen verschillende uitvoeringen. Het gaat over een vrouw uit Guantanamo en over het verzet tegen de bezetter in Cuba.

Ineens sloegen de versies van Mouskouri en Iglesias nergens meer op. Laat staan Rob de Nijs met z’n Anna Paulowna. Dit lied dient gezongen te worden door een oude Cubaan met een sigaar. De mooiste versie naar mijn mening is deze, al wordt deze niet slechts gezongen door één oude Cubaan.

Zo’n lied hebben wij Nederlanders niet. De passie die van de dansende mensen afstraalt al helemaal niet. Dansen is daar anders dan bij ons. Daar ziet het er niet onnatuurlijk uit, waarschijnlijk omdat ze het kunnen. Zo’n lied moet ook haast uit ellende voortkomen, vandaar dat wij zoiets niet kennen. Viva Hollandia is ons strijdlied. Ik zal u de link besparen.

Wandelingen

Morgen moet ik weer werken, maar de laatste vier, vijf dagen heb ik flink met de hond door het bos gestruind. Het valt me nog tegen, de afstand die je aflegt in een kleine twee uur, een kilometer of acht slechts, maar we staan af en toe stil om wild te kijken, (ik kijk, de hond trekt als een gek aan de lijn en verjaagt het) en het gaat af en toe door los zand en heuvel op.

Verbazingwekkend, de gedeeltes die ik nog niet ken hier na 35 jaar. Nu zwierf ik westen van Gortel, voor mij vrijwel onbekend terrein. (nog geen tien kilometer van mijn huis) Op de Veluwe kun je overdag vrijwel niet verdwalen, maar je kunt wel de verkeerde richting oplopen en zodoende ver van je vertrekpunt (waar de auto staat) terugkomen. Na twee uur lopen heb je geen zin meer om nog eens een uur terug te moeten naar de auto. In het bos is geen data ontvangst, dus met je telefoon kun je je niet redden. Alleen het kompas weet wel steeds de weg. Probleem is wel dat als je een aantal keren een zijpad hebt genomen, je niet meer goed weet in welke richting je bent gegaan en dus weet je ook niet precies in welke richting je terug moet. Na wat zweten, van warmte en van spanning of ik wel goed liep, kwam ik toch weer op een punt dat ik herkende, binnen twee kilometer van waar de auto stond.

De wolven hebben zich nog niet laten zien aan mij. Wel naderde ik zwijnen en herten tot op een meter of tien voordat ze me zagen. Ik leerde tevens dat reeën kunnen blaffen als een hond als ze schrikken en wegrennen. En ik leerde iets meer respect te hebben voor vierdaagse lopers. En voor soldaten die altijd precies weten wat de coördinaten zijn van de plek waar ze zich bevinden.

Wat een hoogteverschil!
Nooit eerder gezien.

We gaan eraan! (2)

Omdat het nog vakantie was en ik bedacht dat ik in geen tijden meer in de stad (Apeldoorn) was geweest dacht ik dat het wel leuk zou zijn om eens te kijken hoe het met de stad was gesteld. Nu is Apeldoorn altijd een onbeduidende stad geweest (geen rivier) maar ik vond het vroeger toch wel leuk om er op donderdagavond heen te gaan. Er was een Kijkshop, een V&D, een Free recordshop, een boekhandel, een noten- en wijnhandel waar het altijd lekker rook, er was een C&A en we parkeerden op de grote parkeerplaats achter de Hema. Je kon dan via de achteringang van de Hema in de stad komen. Omdat ik er op school zat, kwam ik ook vaak bekenden tegen. De orgelman tikte altijd tegen zijn pet als je hem wat gaf.

Vandaag de dag is er niks meer van over. Honderd kledingzaken, verschillende opticiens, juweliers en talloze vreettenten. Dat is wat er over is. Wat is nu een stad zonder V&D waar je drie kwartier kunt struinen voor je lol? Helemaal niks. Rokende puinhopen zijn het, van wat ééns de minst bruisende stad van Nederland was. Maar het bruiste tenminste nog! Wat een bagger! Zelfs de bakkers gaan failliet omdat iedereen salades zit te eten en vervolgens wegens gebrek aan kracht een elektrische fiets nodig heeft. De hele technologische vooruitgang ziet erop toe dat we eraan gaan. Het hele internet moet zo spoedig mogelijk ingeperkt worden, alleen het bloggen moet blijven want dat is de enige nuttige toepassing waarin je niet op een andere manier kunt voorzien. Ik voorspel dat de digitalisering zijn langste tijd heeft gehad en dat alles op den duur vervangen wordt door mensenhanden.

Een eigen heuvel of rivier.

De jaarlijkse uittocht naar het mooie Frankrijk zit er weer op. Ik ben verliefd op dat land, maar daar vertel ik niks nieuws mee. Of ik een Francofiel ben dat betwijfel ik. Volgens mij houdt een Francofiel ook van Franse kaas en van wijn, maar dat valt in mijn geval erg mee. Twee flessen wijn heb ik gedronken in twee weken, ik ben toch meer een 1664 man. Maar de schoonheid van het land, die ligt besloten in de chaos erachter, vind ik een wonder. Ik hou wel erg van de taal, maar verder moet het er wel zomer zijn, en liefst zinderend heet. Nou ja, zo tussen de 30 en de 35, daar doe ik het voor.

Dan hoor je de krekels, zie je de hagedissen, duizenden vissen, joekels van sprinkhanen, en soms een schorpioen. Je ziet rare scooters op de snelweg, motorrijders in korte broek, wielrenners in noodgang van een afdaling en overal die zelfde dorpjes met een pleintje waar jeu de boules wordt gespeeld. Op een of andere manier denk ik ook altijd dat Fransen intelligenter zijn dan Nederlanders, maar dat heeft vooral te maken met dat ik hun domme gelul niet versta.

Wat ik misschien het mooiste vind zijn de heuvels, die van niemand zijn, waar niemand woont en waar de bomen nog volop groeien. Er zijn er daar zoveel van dat het niet anders kan of er gebeuren daar op de toppen dingen waar niemand weet van heeft. Als ik over de A31 rij, tussen Nancy en Dijon, en ik zie zo’n heuvel, dan zou ik er eentje willen bezitten. Gewoon, van mij. Dat daar niemand mag komen, en dat er een wereld op zichzelf is waar geen Trump is, geen Poetin en geen Rutte. En een klein riviertje, dat zou ik ook willen hebben. Snelstromend, met duizenden vissen en rotsen erin. Een eigen heuvel en een eigen rivier, is dat nu teveel gevraagd?

Oreille

St. Laurent du Verdon, 2 augustus 2019

Of ze iets tegen oorpijn en een verstopt oor had, want mijn oor zat volledig dicht, vroeg ik aan de mevrouw van de apotheek. Het enige wat ze vroeg was of het voor een volwassene of voor een kind was, terwijl ik toch duidelijk ‘mon oreille’ had gezegd, maar ik hoor misschien niet zo goed meer. Ze kwam terug met een doosje. “Ce sont des gouttes” zei ze en het duurde een aantal seconden voordat mij de betekenis van het woord ‘gouttes’ weer te binnen schoot. Druppels dus, en terwijl ik haar vragend aankeek, deed ze geen enkele moeite om het te verduidelijken. Alleen dat het zeven euro nog wat was. Geen spoortje van mededogen. Het hielp nog geen bal ook. Sterker nog, het is alleen maar erger geworden. Ik kan er niet meer op liggen en ik kan niet meer kauwen.

Linda heeft onze huisarts gebeld voor advies. Paracetamol luidde het devies, wat doktersjargon is voor: stel je niet zo aan. Het zou vanzelf overgaan. Linda was het daar wel mee eens. Dat moet wel, want vanochtend had ze nog gezegd, toen ik aangaf volledig uitgeschakeld op de veranda te moeten doorbrengen en dat ik hoopte dat er dan wel wat vrouwen in bikini langs kwamen om mij af te leiden van de pijn, dat het dan ook wel mee moest vallen. En gisteren, toen het nota bene nog niet zo erg was als vandaag, gaf ze aan hoe het dan wel niet moest zijn voor mensen met een constante piep in hun oren, die werden tot wanhoop gedreven en vroegen soms zelfs om euthanasie. Dat irriteerde me natuurlijk, alsof ik me aanstelde, en ik antwoordde dat die mensen zich misschien een heel klein beetje konden voorstellen wat ik doormaakte.

Ongegrond

St. Laurent du Verdon, 26-07-2019

Linda had me verteld over een Nederlander die kwaad bij de receptie stond te tieren. In het Engels zei hij dat hij zich nog nergens zo niet welkom had gevoeld als hier. Hij had 3500 euro uitgegeven en alles wat ze deden was iemand naar hem sturen die geen woord Engels sprak. Hij eiste de manager te spreken te krijgen.

Ik dacht: oei, da’s lullig.

We reden van de camping af en ons kwam een auto tegemoet. Linda zei: dat is die man die zo kwaad was.

Ik dacht: oei, een Audi.

Vandaag in het zwembad wees Linda me op een kale kerel met één getatoeëerd been die lag te telefoneren. Dat is die man die zo boos was, zei Linda. Hij lag tegenover ons en telefoneerde luidruchtig en langdurig. Absurd lang als je het mij vroeg. Ik lag te lezen, dus zijn gesprek was storend. Ik hoorde hem wat Engelse zakelijke termen gebruiken en een aantal hoge getallen noemen. 75.000-100.000, in die orde van grootte, dus hij moest haast wel belangrijk zijn. Zijn vrouw, die er op een afstand nog wel aardig uitzag in haar knaloranje bikini, was hun kinderen aan het vermaken in het zwembad. Toen ze zich bij hem voegde, was zijn telefoongesprek ook ineens snel klaar. Hij vertelde haar wat hij zojuist had besproken en zij keek verveeld.

Ik zei tegen Linda: ik weet nu al dat wat die klacht ook mocht wezen, hij ongegrond was.

Douce France

St. Laurent du Verdon, 25-07-2019

Er zijn natuurlijk mensen die helemaal niets met een camping hebben. Ik kan ze niet eens ongelijk geven. Maar als die camping in Zuid-Frankrijk ligt en je op het heetst van de dag in de schaduw van een boom op een ligstoel aan het meer ligt, dan verandert dat de zaak. Zonnebril op, boek erbij, koelbox in de buurt en om je heen de geluiden van spelende kinderen in het water. Flarden van Franse zinnen die je niet verstaat maar die zo vertrouwd klinken. Het is 37 graden in de schaduw, vanuit Nederland komen verontrustende berichten over recordhitte van 40 graden, maar hier is het aangenaam. Dit is wat ze bedoelen met “douce France” (Cher pays de mon enfance). Ik heb er “de mes vacances van gemaakt. Ik voelde Linda’s hand op mijn arm. “Je ligt te snurken!”