Ik vraag mij af hoe het leven hier in de winter is.

Het uitzicht is hier prachtig, maar het dorp zelf heeft niks. Ik moet zes kilometer rijden voor een bakker en ook om met de hond water op te zoeken. De riviertjes hier zijn compleet drooggevallen en daar waar ik met Lori heenga staan waarschuwingsbordjes voor sterke stroming. Niet in juli in elk geval, want het water staat ondiep. Aan het strand eromheen zie ik dat het soms een meter hoger staat. Maar misschien wel meer.
Ik heb de helling opgegeven, ik dacht dat ik en de auto er wel aan zouden wennen, maar de stank die de auto voortbrengt als hij naar boven moet komt van de versnellingsbak, en die hou ik liever heel. Hoe ze zulke hellingen hier verzinnen is me een raadsel.

Verder is het weggetje hiernaartoe zo smal dat je niet kunt keren. Ik probeerde het maar ik ramde al een steen met de trekhaak. Het is hier geen omgeving voor Volvo’s. Ik moet weer een Franse auto met handbak hebben. Of een vierwielaangedreven auto, dat lukt ook wel.
Met mijn schouder gaat het goed. Ik heb een hardnekkige blessure waardoor ik lang niet kon badmintonnen, maar de pijn is nu bijna weg. Over twee weken zal ik de mannen op de club die overmoedig waren geworden door mijn afwezigheid weer even op hun plek zetten. Ik doe hier conditie op door te lopen met Lori, dus ze kunnen hun borst natmaken.
Maar in de winter is het hier koud, ligt er sneeuw en kun je hier alleen per sneeuwscooter komen. Toch zou ik het wel willen proberen. Er is hier alleen geen wifi dus werken wordt lastig, maar verder is het hier ideaal voor een kluizenaar. Wat nog beter zou zijn, een huis in een uitgehakte rots, dat hebben ze hier ook. Hoe ze het allemaal doen is me een raadsel, maar ze bouwen hier op de hoogste berg.
