Ik zat net op de veranda en besloot dat het uitzicht dat ik had het mooiste uitzicht was dat ik ooit zag, misschien op de borsten van een klasgenote op de havo na. De zon was net onder en Venus stond boven het middelgebergte te stralen. Het zag er ongeveer zo uit, al geeft de foto het slecht weer.

Als je zo zit op een ijzeren klapstoeltje en je ziet dit dan staat de tijd even stil en denk je niet aan het uitzicht dat je thuis hebt, namelijk op het huis van de overbuurman. Als ik thuis in de veranda zit is het iets beter dan dat, maar het komt nog niet in de buurt van wat je hier ziet. Dat geldt ook voor het rijden hier, ik rij vaak twee keer per dag de berg af en weer op. Laatst deed ik het zonder het gaspedaal te beroeren en de rem zo weinig mogelijk. Als een zeepkist ga je naar beneden maar een stuk minder gevaarlijk. Ik zwaai naar mensen die me voorrang geven en ze zwaaien terug. Sowieso zijn ze hier veel en veel beleefder dan bij ons. Ik loop laatst met de hond door het dorp, staat er een jongetje van een jaar of 13 tegen een muur aangeleund, zegt hij tegen mij in het Frans: “U heeft een mooie hond meneer, goedendag.” In Nederland zou ik op zijn best verwachten, “wat een mooie hond heeft u” maar meestal is het: “dat is een mooie hond!” Dat meneer en goedendag kennen wij sowieso niet meer, wat ergens best jammer is.
Mijn opa werd altijd een uitslover genoemd door mijn moeder als hij op de camping liep en iedereen in het Frans groette. Messieurs-dames! Maar dat was gewoon hoe het hoorde en ze houden het hier nog steeds vol. In Nederland zou je zeker zestig jaar in de tijd terug moeten om hetzelfde te horen. Welke afslag hebben wij toen genomen?
Wat ik fout doe in mijn leven is dat ik maar twee weken per jaar leef zoals ik dat wil, en de overige vijftig zoals dat van me verwacht wordt. Hoe verander ik dat?


