Een droge overdenking.

Mijn laatste vrije dag breng ik bier drinkend door in de achtertuin. Ik weet even niets beters. Vroeger vond ik de verhalen van kleine Hiawatha die de regendans danste erg grappig. Nu begrijp ik pas dat het bittere ernst moet zijn geweest, de droogte. Een plas in het bos die er het hele jaar is, staat kurkdroog. Dit is Nederland, dus het zal wel loslopen, maar ik kan me dit niet herinneren, zo’n lange periode van droogte. Straks gaat het regenen, en hard ook, en dan zult u ongetwijfeld aanlopen tegen een landbouwer die zegt dat de natuur niets heeft aan een stortbui. Ik zou er voor kiezen om er niet op in te gaan. In Afrika stortregent het altijd na een lange periode van droogte, en ineens ontkiemen de zaden die daar al maanden lagen te wachten. Er ontstaan rivieren en meren en de olifanten geven het startsein voor het regenfeest.

Desalniettemin is het de bedoeling dat ik morgen op zolder werk terwijl de koperen ploert vol op m’n dak schijnt. Je snapt niet wat mensen zichzelf aandoen met werken. Ik weet wel dat ik morgenavond uit deze luie stemming ben en dat de samenleving mij er alweer van heeft overtuigd dat het erg nuttig is wat ik doe. En dat ik dan weer gehersenspoeld een jaar verder werk, tot aan de volgende vakantie. En zo verder tot aan mijn pensioen, als dat ooit komt, en zo verder tot de dood, die ooit komt. En wat je hier dan in de tussentijd hebt gedaan, dat zal toch altijd het grootste raadsel uit de geschiedenis van de raadsels blijven.

Fijne vent.

Ik werd gisteren wakker uit een nare droom. Misschien was het wel een nachtmerrie, al was het ochtend. Er kwamen collega’s in voor die me hadden verraden. Ze doen alsof ze je mogen, maar uiteindelijk hebben ze je gewoon gebruikt voor eigen gewin. En alsof dat niet erg genoeg was, ik kon het verhaal niet kwijt aan mijn bloedeigen moeder. Die reageerde onverschillig. Ik wilde er met een pistool (dat kwam in de droom voor) een einde aan maken. Toen ging de wekker en moest ik snel uit die depressie. Dat duurt even. Even douchen en de krant lezen, toen was ik er wel weer uit.

Maar daar vervliegt je vertrouwen in de mensheid even in een boze droom. Je zou jezelf ervoor van kant maken. Het zijn natuurlijk maar boze geesten en ik kan ze verjagen, maar beangstigend is het wel. Ze liggen op de loer. Ze kunnen me niks maken, maar ik ben me ervan bewust dat het allemaal zo kan omslaan. Dat houdt me met beide benen op de grond, dus ergens ook wel goed. Als ik mijn angsten niet had, zou ik een onuitstaanbare gladjakker zijn geworden. Nu ben ik gewoon een fijne vent.

Haarspeldje

Ik stond in de rij voor het patentbureau met mijn nieuwe vinding. Voor en achter mij allemaal studenten met prachtige technologie, en ik had een haarspeldje. U begrijpt, ik ben aan het dromen. Wat ik met daar haarspeldje moest, ik had geen idee. De rij voor mij werd steeds maar korter en ik had niets anders dan het haarspeldje. Het was niet eens een designspeldje, welnee, het was een rechte, zo’n schuifje. Het onvermijdelijke gebeurde, ik kwam aan de beurt. Wat ik voor uitvinding had. Nou eh, dit haarspeldje. Ik liet het zien. Ineens bleek ik toch meer in mijn mars te hebben dan ik zelf had ingeschat, want het haarspeldje bestond uit twee losse einden zonder verbinding met de u-bocht. Ze hielden elkaar op onverklaarbare wijze in evenwicht en waren perfect evenwijdig. Hoe ik het gedaan had, ik heb geen idee, maar wat je er nu precies mee kon, dat wist ik niet. Maar kunstig was het wel. Ik was in elk geval gered van de complete afgang, want hier zou ik me wel uit redden. Tja, en dan houdt het plotseling op, zo’n droom. Dromenuitleggers onder mijn lezers?

Hawking’s laatste vragen opgelost.

Ik lees nog steeds het boek van Stephen Hawking over het heelal. Stephen snapte een paar dingen niet helemaal en ik moet toegeven, het is ook lastig. Zo begreep hij niet helemaal wat er op het moment van de oerknal gebeurde, en waarom het heelal lijkt uit te dijen met exact de juiste snelheid om te kunnen ontsnappen aan haar eigen zwaartekracht. Ik lees altijd in bed tot ik te moe word. Dan heb ik alleen nog het boek voor me, maar neem niks meer op. Ik leg het aan de kant, doe het licht uit en neem me elke keer weer voor om na te gaan denken tot ik het heb. Zo moeilijk kan het niet zijn. Ik denk drie tellen na, en dan slaap ik. En in mijn slaap, loste ik het probleem op. Het was eigenlijk te eenvoudig. Zo eenvoudig dat een man met de intelligentie van Hawking het nooit zou kunnen zien. Ik wel. Ik had het. Ook nog drie tellen nadat ik wakker werd, had ik het. En toen was het weg. Ingestort of ontploft, een van de twee. Vannacht een nieuwe poging.

Money don’t lie

Ik had hem weer, mijn repeterende droom over mijn 205 GTI die ik nog had. Ik weet alleen niet meer in welke situatie. Ik vermeld het dan ook uitsluitend voor mezelf. Woensdagochtend had ik een veel interessantere droom. Ik speelde een complete actiefilm in mijn hoofd af. Ik weet zelfs de titel: Money don’t lie. Die titel sloeg absoluut nergens op, want het was een droom over terroristen die een stad in hun greep hadden. Ze hadden een reusachtig standbeeld dat een paar keer per dag zijn sokkel verliet en zich aan de stad liet zien. De hele droom zat vol chronologische details, en toen ik wakker werd dacht ik dat ik een spannende thriller kon schrijven.
Helaas, helaas. Bij het wakker worden zaten er nog maar een paar flarden van het verhaal in mijn hoofd. Ik schreef er snel een paar op, maar de samenhang was al weg. Daar ging mijn kans weer om makkelijk de nieuwe Steven King te worden. De droom zal in werkelijkheid wel weer vijf minuten hebben geduurd in plaats van bijna twee uur die de speelfilm leek te duren. Want zo schijnt dat in dromen te gaan. Of we ze nu verslagen hebben, de terroristen, dat weet ik niet meer. Ik weet wel dat ze ons verlamd hadden met een zenuwgas, dus meestal kom je daar niet van terug. Maar spannend dat was het.

Wat is nu juist?

Op de radio hoorde ik een meneer, ik weet zijn naam niet, maar zijn beroep was vossenteller. Niet echt natuurlijk, hij zal wel boswachter of vogelaar zijn, maar nu had hij vossen geteld. Zijn conclusie was dat er teveel vossen waren. Ik kreeg niet te horen hoeveel, maar teveel. Vossen pakten de grutto of een broedende kievit. “Ja, nou en,” denk ik dan? Ja, lullig als je de betreffende vogel bent, maar waarom zijn er dan teveel vossen? De vos gedijt kennelijk goed in de Nederlandse natuur. Laat maar gaan hoor, dan komen er vanzelf teveel vossen en neemt hun aantal weer af. Dat heet nu natuurlijk evenwicht. Maar ik snap het probleem wel, meneer zal wel hobbyboer zijn, en heeft last van een vos. Maar ik vind dat in de natuur het recht van de sterkste moet blijven gelden.

Nou ja, helemaal consequent ben ik ook niet. Ik vind ook dat een aangespoelde walvis weer de zee in geholpen moet worden. Dat is niet zo’n goed voorbeeld, want een walvis is de sterkste, dus dan is het ook zijn recht om geholpen te worden. Een door olie besmeurde vogel dan, die schoongemaakt wordt? Ook geen goed voorbeeld, want dat is niet de schuld van de natuur. Een zeehondje dan, dat zijn moeder kwijt is en naar Pieterburen gebracht wordt? Ja, dat is een goed voorbeeld. En die moeten we natuurlijk opvangen. Maar een succesvol beest als de vos bestempelen als te veel, dat vind ik nergens op slaan. Tenzij hij zich weer met tamme kippen heeft gevoed en daarom zo succesvol is. Dan moeten we de tamme kip bestrijden.

Het uitsterfproces

Ik las over het uitsterven van de Neanderthaler. Tot nu toe waren geleerden het niet helemaal eens over de reden ervan. Kou, voedselschaartse, vulkaanuitbarstingen, verminderde vruchtbaarheid, ziekte, ze wisten het niet. Nu heeft een of andere briljanteling bedacht dat het kwam omdat ze in de minderheid waren. Minderheden schijnen uit te sterven. Logisch.

Het zette mij aan het denken over het uitsterfproces. Dat dieren uitsterven kunnen we verklaren. Dat heeft te maken met de jacht erop of met het verwoesten van de leefgebieden. Maar mensen! Of Neanderthalers! Dat is toch vreemd. Duitsers en Japanners schijnen gevaar te lopen. Hun sterftecijfer ligt hoger dan hun geboortecijfer. Nu is dat niet direct gevaarlijk want zolang er nog maar een geboortecijfer is, sterf je niet uit. Hooguit zijn de aantallen wat minder. Maar ik vermoed dat een soort die ontstaat een zekere houdbaarheidsdatum heeft. Dat het op een gegeven moment klaar is met het zich succesvol kunnen voortplanten, simpelweg omdat de genen -die steeds maar doorgegeven worden- het aan het begeven zijn. Vergelijk het met de levenscyclus van een mens: geboren worden, het kwetsbaar zijn in het begin, dan langzaam sterk worden, het een tijdje volhouden, verouderen, zwakker worden en tenslotte de dood. Zo moet een soort wel uitsterven op den duur. Daar doe je niks aan. Bovendien is sterven een zekerheid, geboren worden niet. En hoewel sterven in de praktijk even vaak voorkomt als geboren worden, zal het sterftecijfer altijd het laatste woord hebben, zodat het ook statistisch onmogelijk is om een soort tot in den eeuwigheid te behouden. Maakt allemaal niet uit, het is zoals het is.

Maar was er op een gegeven moment dan een laatste Neanderthaler? Heette ze Helga en toen zij dood ging was het over? Neen. Een poosje voordat het Neanderthaler-gen het begaf, begonnen zij zich te vermengen met de homo sapiens. En zo verdwenen ze langzaam en gingen ze op in de nieuwe soort. En laten we eerlijk zijn, we kennen allemaal wel iemand met een platte schedel en een terugtrekkende kin die ook nog eens niet al te groot is. Zo zijn ze dus eigenlijk nog steeds onder ons. En zo gaat het straks ook met Duitsers. De laatsten gaan zich vermengen en het Duitse gen verspreidt zich over de wereld, precies tegengesteld aan hoe ze het daar vroeger krampachtig de andere kant op probeerden te sturen.