Ik geloof niet dat ik de gave heb om het leven van de zonnige kant te bekijken. Er zit altijd een wolk voor de zon. Tien dagen terug zat ik bij iemand in de auto, die had die dag vrij genomen omdat het zulk lekker weer was, en hij had samen met zijn vrouw een terrasje gepakt. Hij heeft wel die gave. Ik liep een paar dagen daarvoor in het bos, en bij een grote plas die elk jaar vol kikkervisjes zit, bleef ik even kijken. Er zat weinig water meer in de plas en ik maakte me zorgen over de natuur. Het was kurkdroog overal en de natuur had het zwaar. Daar dacht ik aan toen hij vertelde dat hij een terrasje had gepakt.
Niemand kan een el aan zijn lengte toevoegen door zich zorgen te maken, maar toch doe ik het. Alsof ik de droogte toch wil bezweren. Een paar dagen later braken de grote bosbranden uit en ik maakte me nog meer zorgen. Ik wilde regen, en veel ook. Ik zei dat tegen iemand anders die me wat vreemd aankeek, alsof ik zijn weekend wilde bederven. En inderdaad, dat wilde ik ook, ik vind de natuur belangrijker dan zijn weekend. En nog steeds helpen mijn zorgen niks, ik kan net zo goed mee gaan in de polonaise.
Gisteren was daar dan die langverwachte regen. Zoals die eerste regel van dat liedje: well, the rain exploded with a mighty crash. Het was kort maar hevig maar zo welkom. De akker was van de een op de andere dag groen. En er kwam meer. Ik ging weer naar de plek van de kikkervisjes maar voor hen was het te laat; de plas was helemaal opgedroogd. Toch zag ik verderop, in een grotere poel nog wel kikkervisjes, en het spetterde in de poel, want het regende weer. Van mij mag het de hele week regenen. Zo’n wolk voor de zon is zo gek nog niet.