Wat is nu juist?

Op de radio hoorde ik een meneer, ik weet zijn naam niet, maar zijn beroep was vossenteller. Niet echt natuurlijk, hij zal wel boswachter of vogelaar zijn, maar nu had hij vossen geteld. Zijn conclusie was dat er teveel vossen waren. Ik kreeg niet te horen hoeveel, maar teveel. Vossen pakten de grutto of een broedende kievit. “Ja, nou en,” denk ik dan? Ja, lullig als je de betreffende vogel bent, maar waarom zijn er dan teveel vossen? De vos gedijt kennelijk goed in de Nederlandse natuur. Laat maar gaan hoor, dan komen er vanzelf teveel vossen en neemt hun aantal weer af. Dat heet nu natuurlijk evenwicht. Maar ik snap het probleem wel, meneer zal wel hobbyboer zijn, en heeft last van een vos. Maar ik vind dat in de natuur het recht van de sterkste moet blijven gelden.

Nou ja, helemaal consequent ben ik ook niet. Ik vind ook dat een aangespoelde walvis weer de zee in geholpen moet worden. Dat is niet zo’n goed voorbeeld, want een walvis is de sterkste, dus dan is het ook zijn recht om geholpen te worden. Een door olie besmeurde vogel dan, die schoongemaakt wordt? Ook geen goed voorbeeld, want dat is niet de schuld van de natuur. Een zeehondje dan, dat zijn moeder kwijt is en naar Pieterburen gebracht wordt? Ja, dat is een goed voorbeeld. En die moeten we natuurlijk opvangen. Maar een succesvol beest als de vos bestempelen als te veel, dat vind ik nergens op slaan. Tenzij hij zich weer met tamme kippen heeft gevoed en daarom zo succesvol is. Dan moeten we de tamme kip bestrijden.

Het uitsterfproces

Ik las over het uitsterven van de Neanderthaler. Tot nu toe waren geleerden het niet helemaal eens over de reden ervan. Kou, voedselschaartse, vulkaanuitbarstingen, verminderde vruchtbaarheid, ziekte, ze wisten het niet. Nu heeft een of andere briljanteling bedacht dat het kwam omdat ze in de minderheid waren. Minderheden schijnen uit te sterven. Logisch.

Het zette mij aan het denken over het uitsterfproces. Dat dieren uitsterven kunnen we verklaren. Dat heeft te maken met de jacht erop of met het verwoesten van de leefgebieden. Maar mensen! Of Neanderthalers! Dat is toch vreemd. Duitsers en Japanners schijnen gevaar te lopen. Hun sterftecijfer ligt hoger dan hun geboortecijfer. Nu is dat niet direct gevaarlijk want zolang er nog maar een geboortecijfer is, sterf je niet uit. Hooguit zijn de aantallen wat minder. Maar ik vermoed dat een soort die ontstaat een zekere houdbaarheidsdatum heeft. Dat het op een gegeven moment klaar is met het zich succesvol kunnen voortplanten, simpelweg omdat de genen -die steeds maar doorgegeven worden- het aan het begeven zijn. Vergelijk het met de levenscyclus van een mens: geboren worden, het kwetsbaar zijn in het begin, dan langzaam sterk worden, het een tijdje volhouden, verouderen, zwakker worden en tenslotte de dood. Zo moet een soort wel uitsterven op den duur. Daar doe je niks aan. Bovendien is sterven een zekerheid, geboren worden niet. En hoewel sterven in de praktijk even vaak voorkomt als geboren worden, zal het sterftecijfer altijd het laatste woord hebben, zodat het ook statistisch onmogelijk is om een soort tot in den eeuwigheid te behouden. Maakt allemaal niet uit, het is zoals het is.

Maar was er op een gegeven moment dan een laatste Neanderthaler? Heette ze Helga en toen zij dood ging was het over? Neen. Een poosje voordat het Neanderthaler-gen het begaf, begonnen zij zich te vermengen met de homo sapiens. En zo verdwenen ze langzaam en gingen ze op in de nieuwe soort. En laten we eerlijk zijn, we kennen allemaal wel iemand met een platte schedel en een terugtrekkende kin die ook nog eens niet al te groot is. Zo zijn ze dus eigenlijk nog steeds onder ons. En zo gaat het straks ook met Duitsers. De laatsten gaan zich vermengen en het Duitse gen verspreidt zich over de wereld, precies tegengesteld aan hoe ze het daar vroeger krampachtig de andere kant op probeerden te sturen.

Mindfuck

Ooit sprak ik hem, Victor Mids, na afloop van een voorstelling, toen hij nog net iets minder bekend was en ik vroeg hem of hij een bepaalde truuk die ik op televisie had gezien, snapte. Het liefst had ik hem natuurlijk gevraagd of hij het even wilde uitleggen, maar ik weet dat je dat nooit aan een goochelaar, illusionist of mindfucker moet vragen. Hij zei dat hij wel een idee had hoe het ging, en hij vertelde me dat er een aantal basisprincipes waren in het goochelen, en dat alle truuks daarop zijn gebaseerd.

Dat hij de waarheid sprak bleek uit de volgende truuk. We moeten ons er maar bij neerleggen dat we het nooit te weten komen, maar het gaat er bij mij niet in dat je niet door diep na te denken tot een oplossing kan komen. Want als Victor bij Rutte op bezoek komt en hij geeft hem een cadeautje dat hij nog niet mag uitpakken, en vervolgens vraagt hij hem een willekeurige selectie te maken van zeven premiers uit alle premiers die Nederland ooit heeft gehad, en Rutte schrijft op Thorbecke, Den Uyl, Lubbers, Pierson, Drees, Van Agt, Schermerhorn, in die volgorde, hij pakt zijn cadeautje uit en er zit een das met daarop een tulp in, dan gaat bij mij het licht uit. T U L P D A S, voor als u het even niet meekreeg.

Dat hij daarna nog op de das een naam liet verschijnen van de nicht van Rutte, de persoon aan wie hij op dat moment dacht, was voor mij al bijzaak. Daar werden we gewoon belazerd zoals bij elke truuk, en ik wil één truuk tegelijk aanvliegen. Ik ga er eens heel diep over nadenken. Want de man (Victor) doet net of hij gedachten kan lezen en kan voorspellen. Nou, mooi niet.

Eenzaam

Het belangrijkste signaal dat aangeeft dat ik niet helemaal goed ben, is dat ik ’s avonds de fietsen in de schuur zet en dan denk dat ze gezellig bij elkaar staan. Ik kan het niet over mijn hart verkrijgen er eentje buiten te laten staan. De reclame van de schemerlamp die bij het oud vuil werd gezet, greep mij dan ook erg aan.

In mijn aquarium zwemt de laatste van vijf regenboogzalmen. De op een na laatste heb ik van de week de genadeklap gegeven. Hij zwom al twee weken op zijn rug. En voor een vis is dat niet normaal. Nu zwemt die laatste er wat verloren bij, tussen de andere vier soorten die nog wel in een school aanwezig zijn. Verstandelijk wil ik de soort laten uitsterven, maar gevoelsmatig wil ik er wat vriendjes voor hem bijhalen. Hij zal binnenkort toch ook wel het loodje leggen?

Reptielenbrein

Mijn valkuil ligt altijd voor me. Soms kilometers, maar soms ook maar een paar meter. Soms val ik erin. Een ander ziet mijn valkuil en loopt er langs, maar ik niet. En als ik er al langs loop, wordt er wel ergens een nieuwe gegraven. Het zijn altijd dezelfde angsten die de kop op steken. Waar een ander kan terugvechten, kan ik alleen bevriezen. Dat schijnt te maken te hebben met mijn neocortex, die slaat op slot en dan neemt mijn reptielenbrein het over. Dat brein weet slechts van vechten, vluchten of bevriezen.

Het reptielenbrein zou alleen moeten werken bij levensbedreigende situaties, maar helaas, het zit me in de weg. Nu maak ik niet echt vaak levensbedreigende situaties mee, maar in films neemt het reptielenbrein van de held het nooit over. Hij blijft met zijn neocortex nadenken, en dat redt hem. De mijne staat niet goed afgesteld en grijpt te snel in. Zo vraag ik mij regelmatig af of ik in een noodsituatie het nummer 112 kan herinneren. Ik ben bang dat ik nog steeds 06-11 intik, als ik mijn telefoon al weet te bedienen. In mijn angstdromen gaat dat altijd fout. Honderd handelingen voer ik uit, maar nooit de juiste. Of pas als het veel te laat is.

Ik denk dat ik het maar laat verwijderen, dat reptielenbrein. Normaal als het over de evolutie gaat krijg ik altijd te horen dat er binnen tien jaar al effecten waar te nemen zijn, maar dat stomme brein zit er nog steeds na miljoenen jaren. Terwijl het duidelijk is dat James Bond gered werd door zijn neocortex, niet door zijn reptielenbrein.

Ontspanning

Door het aardedonker loop ik ’s ochtends, voordat ik naar mijn werk ga, te wandelen met de hond. Wij noemen het “het zandpad”. Ik geloof niet dat het zandpad een naam heeft, maar je kunt er met de auto over, al zie je er zelden een auto rijden. Ik ben er in het donker ook de enige die er loopt, samen met mijn hond.

Ik zie de hond niet in het donker, pas als ze op vijf meter afstand is zie ik haar gestalte op mij af komen. Ze heeft wel een halsband met een lampje, maar ik denk er niet altijd aan die om te doen. Maar wat ik laatst ontdekte was dat als ik niet midden over het zandpad tuurde, maar meer over het weiland ernaast,  ik haar zwarte gestalte al veel eerder kon zien vanuit mijn ooghoeken. Als ik vervolgens weer focuste was ze verdwenen, en keek ik er langs, dan zag ik haar weer.

Hetzelfde verschijnsel heb ik met een aantal sterren die ik altijd “de kleine beer” heb genoemd. Ik weet intussen dat ik vroeger verkeerd ben voorgelicht, en dat het steelpannetje dat ik zo noem, niet de kleine beer is. Mijn steelpannetje geeft heel weinig licht maar is altijd te zien aan een heldere sterrenhemel. Het bestaat uit zes sterren, en als je ernaar kijkt zie je het bijna niet. Kijk je ernaast, dan is het er ineens veel duidelijker.

Voor gevorderden is dezelfde truuk er ook met het gehoor. Soms als er verschillende gesprekken in een kamer te horen zijn, en je focust je er op een, dan krijg je het niet mee. Maar soms, als je je niet focust, volg je moeiteloos één gesprek en schakel je de andere geluiden uit. Als je je best doet iets te ruiken, ruik je het veel minder goed.

Wat we hier nu uit kunnen leren? Dat als we te graag willen of te veel ons best doen, het doel uit het zicht raakt. Het geldt overal. De ronde waarin je je het meeste inspande, was zelden de snelste. Soms moet je het allemaal even naar buiten laten, het niet vasthouden, en het komt naar je toe.

Het spoor bijster

Ik hoorde een stem, de stem had een bekende klank, maar ik kon hem toch niet direct thuisbrengen. Eigenlijk kon ik het wel, maar de stem zei dingen die de drager ervan niet paste. Want het was de stem van Paul Witteman, die klonk wat ouder en hij had het over het geloof. Dat het wetenschappelijk was aangetoond dat mensen die geloven, gelukkiger zijn dan zij die dat niet doen. En daar baalde hij van. Dus ging hij naar een kerk in Veenendaal, een zogenaamd refodome waar 2000 voornamelijk jonge mensen kwamen luisteren naar gospelachtige muziek. Na afloop reed hij met de pest in terug naar huis, en vroeg zich af waarom hij toch zo de pest in had? Hij kon uiteindelijk niet anders dan concluderen dat hij jaloers was op de blije mensen waar hij zojuist had bijgezeten.

Paul is inmiddels 70, zijn stem klonk bekend, maar wat hij zei was niet des Pauls. Zou hij over klassieke muziek hebben gepraat, dan zou ik het gelijk geweten hebben. Zouden ze Marcel van Dam erbij hebben gezet, zou ik het gelijk weten, maar nu hij praatte over het geloof, herkende ik zijn stem niet.

Het deed me denken aan een smaakexperiment dat ik ooit zag, waarbij ze aan Cola een gele kleurstof hadden toegevoegd en twee groepen mensen het drankje lieten proeven. Geblinddoekten en niet-geblinddoekten. De geblinddoekten hadden gelijk in de gaten dat het cola was, terwijl de niet-geblindoekten het drankje niet konden thuisbrengen.

Smaak wordt mede bepaald door het gezichtsvermogen, en stemmen worden herkend door het geheugen voor klanken en door referenties. Grote kans dat als u André van Duin een verklaring van Al Quaida hoort voorlezen, u zijn stem niet zult kunnen thuisbrengen. Of als u uw partner ineens vloeiend hoort spreken in een taal waarvan u niet wist dat hij of zij die beheerste, dan herkent u hem of haar ook niet. Vreemd, hoe onze hersenen altijd maar voor de gek gehouden kunnen worden als je één detail verandert. Zo werkt goochelen ook. “Wauw” als je de truc ziet en “ooh” als je hem snapt. Context en referenties. Als we die niet zien, zijn we het spoor bijster.