In het bos lag een dode vos. Een hele kleine, hij lag in de modder. De zijde die zichtbaar was, was schoon en er waren geen verwondingen te zien. Hij lag vlak naast het hoge hek dat het groot wild binnen de kroondomeinen moet houden. Vossen kunnen erin en eruit als ze willen. Ik riep de hond die zowat over de vos struikelde maar hem helemaal niet opmerkte.
Iets klopte er niet, hoe was deze vos aan zijn einde gekomen, en waarom lag hij daar op het pad, daar waar mensen komen? Hij had zijn ogen open, eerst dacht ik dat hij nog leefde, maar de eerste vlieg had zich reeds gemeld.
Het zat me niet helemaal lekker, zo’n mooi beest dat daar in de modder lag, te wachten tot hij weggerot is, en ondertussen te worden aangegaapt door wandelaars, fietsers, honden en paarden. Niet echt een ideale rustplaats.
‘s Avonds ging ik terug en besloot hem te helpen. Deze keer zag Lori hem wel, schrok eerst, liet haar bal los en begon het beest te besnuffelen. Ik pakte hem bij zijn staart en gooide het al stijf geworden dier over het hek, tussen de struiken. Nu hoeft hij niet langzaam weg te rotten want de zwijnen zullen het proces versnellen. En zo niet, ligt hij in elk geval niet zo te kijk voor iedereen. Nou ja, behalve hier dan.
