Melkboer

In januari 1983 zag ik hem voor het eerst. Ik weet het nog precies, want wij waren net verhuisd vanuit Drunen naar hier, en hij kwam langs met zijn VW bus + aanhanger. Waarom ik dat onthouden heb is omdat hij gelijk vrolijk zwaaide (naar z’n potentiële nieuwe klant). En een goeie klant, dat werden wij. We kregen al snel door dat de melkboer van het allerstrengste gereformeerde soort was dat je in Nederland kunt vinden. Dus geen televisie, acht kinderen, ’s zondags twee keer naar de kerk. Één keer heb ik hem en zijn gezin een ommetje zien maken op zondag . Ze liepen door onze straat, hij in een zwart pak, en ik voelde me betrapt omdat ik op de oprit aan het tafeltennissen was.

Ik kon uitstekend met deze man overweg. Hij was altijd vrolijk, behalve op zondag dan, en toen ik op de middelbare school zat kocht ik toch zeker twee keer in de week een grote zak drop bij hem. Ik praatte ook veel met hem en leerde het een en ander over de gereformeerde kant van het leven, en in het begin vroeg ik aan hem of hij wist ‘wat of wij waren’. “Jullie zijn Rooms,” zei hij, en Rooms werd bijna uitgespuugd. Ik wist niet beter dan dat we katholiek waren, en ik wist zeker niet dat katholieken zo geminacht werden door zijn soort. Toch waren de gesprekken zelden ongemakkelijk. Een keer vond ik het wel ongemakkelijk, toen hij bijna bij mij te biecht ging. Hij was ergens toe in de verleiding gekomen, ik weet niet meer wat het was- ik wilde alleen weg- en hij zei: “toen heb ik mijn armen ten hemel gespreid en gezegd: Heer, alleen voor U wil ik leven.” De duivel had hem daar even te pakken, vertelde hij mij. Ik was een jaar of zestien en wist bij God niet wat ik daarmee aan moest.

Gelukkig praatte hij ook heel veel over economie, en hij beschouwde mij als autoriteit omdat ik naar de Meao ging. Toen ik bij een accountantskantoor ging werken kon ik helemaal niet meer kapot.

Ik ben hem uit het oog verloren toen ik het huis uit ging. Ik heb hem eigenlijk nooit meer gezien. Totdat ik een paar maanden geleden (nu ik weer in dezelfde wijk woon) langs zijn huis kwam en merkte dat hij er nog steeds woonde. Er stond nog steeds die rare spreuk in sierlijke letters op zijn huis waarvan ik vroeger vermoedde dat het een gereformeerde spreuk was waaraan gelijkgestemden hem zouden herkennen. Maar nu zag ik pas dat het Frans was, en dat er gewoon “buitenrust” stond. Ik zag ook dat hij in zijn voortuin bezig was en een hippe spijkerbroek droeg. Ook had hij nu een hip baardje. Uiteraard was hij wel grijs geworden.

Van de week, ik liet de hond uit en hij maakte een ommetje. Ik zag niet direct dat hij het was, pas toen hij heel dichtbij was (maar wel anderhalve meter) herkende ik hem. Hij had een donkere zonnebril op, waarmee hij haast onherkenbaar was als hartstochtelijk aanhanger van de streng christelijke leer. Het is dat ik hem onlangs een keertje had gezien, anders had ik hem echt niet herkend. “Goeiedag”, zei hij vrolijk en liep door. Ik zal me binnenkort eens aan hem bekend maken.

Wildernis

Dat bos bij ons, dat begint me toch te irriteren. In het weekend met mooi weer is het qua drukte net De Efteling. Vandaag was ik vrij en zoals u weet was het vandaag dinsdag, dus ik hoopte dat het wat minder druk was. Nou, dat viel tegen. Vooral de mountainbikers irriteren me. Rot op. Loop je rustig een nieuw pad te ontdekken, je stelt je voor dat het een nog onontdekt pad is, de bandensporen van de auto van de boswachter negerend, komen die Willempies weer aan! Scheuren je bijna ondersteboven, schreeuwend tegen elkaar in het stiltegebied. Als ze voorbij zijn moet de natuur herstellen als de bossen bij Tsjernobyl na 1986.

Vandaag kwam ik ze uiteraard ook weer tegen. Dan loop je nietsvermoedend door het bos, ineens hoor je harde stemmen en korte tijd later zie je de felle kleuren van hun uitrusting. Twee jonge jongens die net een pauze hielden, hun eerste lege bierflesje stond naast ze op het bankje, het tweede volle in hun hand. Donder op met die gasten! En dan de boswachter. Twee kwam ik er tegen vandaag. Loop je over een onbegaanbaar pad vol van valkuilen en drijfzand, komt hij weer aantuffen met z’n Freelander TD4. Zwaai, ja hoi, altijd hetzelfde. Waarom maken ze niet een bos vol wilde beesten speciaal voor mij?

Ik kwam trouwens wel iets vies tegen. Iemand had de tafel niet afgeruimd na het eten.

Labrador

Ik liet de hond uit voor de laatste ronde van de dag en kwam een oude man tegen met twee keffertjes. Eerst riep hij zijn keffertjes tot de orde en toen sprak hij tot mij: “een Labrador! Ik heb drie Labradors gehad. Hij ziet er mooi uit, hoe oud is hij?” “Ze is zes, meneer,” zei ik. “Hij ziet er goed uit,” zei de man. “Ik heb drie labradors gehad.” Hij keek naar zijn keffertjes en zei: “dit zijn geen honden, maar mijn vrouw wilde een teckel.”En toen naar de hond: “ja, jij bent mooi zeg!”” Ik heb drie Labradors gehad. Eentje voelde precies aan hoe ik me voelde. Als ik me niet goed voelde kwam hij bij me liggen. Ik ben gek op kinderen en op honden. Mijn vrouw vraagt altijd aan me, wordt het vandaag spelen met de kinderen of de honden?” Ondertussen staat Randi met haar kop tegen de man aan. De man aait haar. “Jij bent mooi he! Ik heb ook drie labradors gehad.” “ze lijkt wel op een labrador maar ze is er geen hoor,” zei ik. “Ja, een labrador is mijn lievelingshond. Hoe oud is hij?” Zes meneer,” zei ik wederom. “Nou daar kan je nog lang plezier van hebben. Dit zijn geen honden,”zei de man. “Nou, ik vind een teckel toch best leuk,” zei ik. “Ja, hij glimt mooi. Nou, tot ziens hoor.” “Tot ziens!” “Eh, hoe heet hij ook alweer?” “Randi,” zei ik. “Robin, ah ja. Nou tot ziens hoor!” “Tot ziens.

Carnaval

Toen ik hier net woonde, we schrijven februari 1983, werd op school iets voor carnaval georganiseerd. Aggemaorleuthed. Ik deed er niet aan mee. Meneer van Mourik, toen mijn leraar Duits, zei teleurgesteld: hebben we een Brabander in de klas, houdt-ie niet van carnaval. En zo was het en is het nog steeds.

Vaassen heeft intussen de grootste carnavalsvereniging van Nederland. U hoeft het niet na te zoeken, het klopt. Het dorp staat hier op zijn kop. Mensen hangen een week de carnavalsvlag uit. Om goed carnaval te kunnen vieren moet je een steekje los kunnen laten. Ik mis dat vermogen, misschien wel helaas. Ik moet er verre van blijven. Ik moet ook eerlijk zeggen dat het me een beetje steekt dat carnaval zo’n allemansfeest is geworden. Ik vond het wel een mooie katholieke traditie, die paar dagen zotten voor de 40-daagse vastentijd. Tegenwoordig is het wel de lusten, niet het vasten. De muziek is al helemaal niet om te harden. En ik moet ook eerlijk zijn, ik heb ook niet de conditie om vier dagen te kunnen feesten. Ik vind het onbegrijpelijk hoe ze dat volhouden.

Ach, ik heb altijd al meer van natuur gehouden dan van grote mensenmassa’s. Ik ben gauw tevreden. Zet mij op een onbewoond eiland met Doutzen Kroes en je hoort mij de eerste veertig dagen niet.

Ontdekkingsreis

Ik liep met de hond en lange lijn door het bos. Ik was om half vier weggegaan en ik probeerde te dwalen. Als ik dwaal dan kan ik de weg terug immers niet meer vinden en ik had maar twee uur nodig voor het donker werd. En in het donker mag je er niet meer zijn, welkom avontuur!

Een nieuw pad nemen is genoeg om aan het dwalen te slaan, hoewel ik het gebied nu aardig begin te kennen. Het is verder naar het westen nog veel groter, maar als ik daarheen zou gaan zou het geen overmacht meer zijn, maar een bewuste keuze dat ik in het donker zou eindigen, en dan telt het niet. Nee, ik dacht al na over een slaapplaats tussen de dennen. De hond zou mij moeten beschermen tegen de wolven. (nou ja, je moet je leven zelf opleuken) Ik liep en ik liep en tot mijn grote irritatie kwam ik weer op een weggetje dat ik kende. Zo was er natuurlijk niks aan. Ik nam het weggetje niet, maar een nieuw pad. Het begon al een klein beetje te schemeren. Een wild zwijn was tussen de dichte bebossing naar eten aan het scharrelen. Randi rook hem, ik zag hem. We liepen door naar het oosten, want daar moest ik immers naar toe. Zolang ik mijn best deed om terug te komen was het geen vals spelen. Ik liep over een kronkelend pad en zag bij een zijpad een bordje “geen toegang”. Het leek op een steppe. Ik ging er natuurlijk wel een stukje in, want het is mijn bos tenslotte. Ik erger me al dood als ik iemand anders tegenkom -twee mountainbikers en iemand met een groene trui- want dat doet afbreuk aan mijn avontuur. Een volgend zwijn had ons in de gaten en bleef doodstil staan kijken. Ik zag hem, de hond rook hem. We liepen door. Nu begon het toch wat meer te schemeren en nog even en ik zou mijn overlevingsvaardigheden moeten aanspreken. Nog steeds had ik niet echt een idee waar ik precies was, het enige dat ik wist was dat ik in de juiste richting liep.

En net toen ik dacht, ik ga een noodsignaal versturen, zag ik de weg weer. Nondejuu, weg avontuur. Ik liep richting auto, en de boswachter reed mij zachtjes voorbij in zijn terreinwagen. Hij zwaaide, ik zwaaide terug. Bij de auto aangekomen bleek ik niet eens de laatste. Er waren dus nog grotere avonturiers dan ik in het bos. Potverdorie. Hing er nog een briefje bij de parkeerplaats ook, dat ze in verband met het toenemende aantal toeristen van de laatste jaren, de paden gingen verleggen om het bos te beschermen. Hoe kan ik nu ooit een ontdekkingsreiziger worden? Het wordt me gewoon onmogelijk gemaakt!

Veluwse inborst

Die kerstboom van laatst, die staat er nog steeds. Het is 31 januari, en hier nog geen 100 meter vandaan heeft iemand zijn kerstboom nog staan. Moet ik niet eens alarm slaan? Waarschijnlijk liggen de bewoners met een koolmonoxidevergiftiging dood op hun bed. Het zal nu toch wel de laatste dag zijn? Je moet zo’n boom in je huis toch onderhand spuugzat zijn?

Verder liet ik net de hond uit, en er kwam een mevrouw met een teckel aan. Dan blaffen beide honden naar elkaar, ze trekken aan de lijn en ze wisselen een paar onvriendelijkheden uit. Maar, weet ik uit ervaring, hoe dichter je ze in de buurt van elkaar laat komen, hoe minder onvriendelijk het wordt. De mijne was al in de verkenningsmode gegaan en haar snufferd zat al bijna aan het achterste van de teckel. De voorkant van de teckel liep nog een meter verder en nog daarvoor liep zijn vrouwtje. Het vrouwtje zei ineens: Ga jij aan de andere kant lopen of moet ik het doen? Dat was tegen mij, ik moest dus opzouten. Vriendelijk type. Vast geen Veluwse. Op de Veluwe zijn we achterbaks, dus zullen we nooit rechtstreeks in iemands gezicht zeggen dat hij moet opzouten. Nee, dan doen we vriendelijk en als we thuis zijn zeggen we: wa’k noe weer heb met e’moak!

Ik ben zelf helaas geen geboren Veluwenaar, daarvoor kwam ik hier 13 jaar te laat. Aan de andere kant, kent u een interessante Veluwenaar? Volgens mij is de bekendste boswachter van Nederland niet eens een Veluwenaar. Veluwenaren treden niet graag op de voorgrond. Vandaar dat de bekendste boswachters van Nederland uit de omgeving van Amsterdam komen. Ko en Arjan. In de wijde omgeving geen bos te bekennen maar toch lukt het ze. Die mensen treden van nature net iets makkelijker op de voorgrond. Dat zit daar in het water of zo. Soms ook geheel onterecht hoor, dat ze op de voorgrond treden. Maar ja, niemand daar zegt er iets van. Lil Kleine bijvoorbeeld, geheel onterecht begaf deze jongeman zich op een podium, hij vond zelf wel dat hij daar iets te zoeken had, en niemand hield hem tegen. Kijk, dat zal hier op de Veluwe nu nooit gebeuren. Als je vanuit hier doorbreekt, nou, dan kun je ook echt wat.

Alleen

Het was de eerste dag dat het bos weer opengesteld was. Het bos gaat op slot van 15 september tot 25 december vanwege de bronsttijd, tenminste dat zeggen ze. De werkelijke reden is dat het koninklijk huis dan heerlijk vrij kan jagen in die periode. In elk geval, ik ging erheen met de hond, ik hou ervan om er alleen rond te zwerven in de uitgestrekte kroondomeinen.

Op de parkeerplaats stonden 386 auto’s geparkeerd. Allemaal mensen die er ook van houden om in hun eentje in het bos rond te zwerven. Eerst liep ik een verharde weg langs die mij wat dieper in het bos bracht. De meeste mensen zullen niet zo ver van de parkeerplaats gaan, dus verderop zal het wel stil worden, aldus mijn gedachten. De eersten die ik tegenkwam waren een man, een vrouw en een jong kind. De man was met zijn kind aan het dollen en ik dacht: nou ja, dat heb je in het begin. Een kilometer verderop kwam een oudere vrouw de heuvel af met haar aan de rolstoel gekluisterde man voor zich uit duwend. Dat vond ik al irritant, ik was al zeker een kilometer aan het sjouwen, mijn hartslag ging al omhoog, komt zij gewoon naar beneden zetten. Ze moest dus ook haar man omhoog hebben geduwd.

Nou ja, ik liep er voorbij en ik had het bos voor mij alleen. Voor 30 seconden. Toen kwamen er twee schreeuwende mountainbikers de heuvel afzetten. Al het wild in een omtrek van drie kilometer was nu verjaagd. Ik nam een zijpaadje. Nu begon de grote wildernis. Na driehonderd meter komt er een hardloopster op me af. Ik dacht nog: nou ja, een hardloopster, dat kan, die leggen grotere afstanden af dan een wandelaar, al liep ze niet echt hard. Echter, vlak voor mij zwaaide ze, maakte een rondje en jogde de andere kant op. De andere kant op? Daar is helemaal niks, hoezo gaat ze de andere kant op? Waarnaartoe dan? Ik liep een stukje achter haar aan, zij ging ergens rechts, ik ging links, nog dieper het bos in.

Hier was ik alleen, op mezelf en afgesloten van de bewoonde wereld. Een man en een vrouw, beiden grijs, dus niet in staat tot het afleggen van zulke afstanden als de hond en ik, kwamen me tegemoet. Met hun hond. Irritant. Ik was al zeker drie kilometer van de auto. Ik nam weer een zijweg, nu moest het afgelopen zijn. Twee ruiters in galop stoven me voorbij, die mogen hier helemaal niet komen, dus dat telt niet. In de verte zag ik nog een mountainbiker, en nog verder in de verte kwam een hele groep wandelaars op me af.

Nu was ik er klaar mee, ik nam een afslag en daarna een vaag pad waarvan ik niet eens wist of ik er wel in mocht. Hier was ik eindelijk alleen. Het grote genieten kon beginnen. Ik liep over gevallen bladeren en stapte in een diepe plas die voor mij onzichtbaar was. Mijn schoen en sok waren helemaal nat, maar dat deerde niet, dit onbegaanbare pad was niet voor pussy’s. Ik volgde het pad dat door het bos kronkelde en keek eens om mij heen. Hier kende ik het niet. Waar was ik eigenlijk? Gevoelsmatig moest ik rechtdoor, in de richting waarin ik liep, maar volgens het kompas moest ik terug, de andere kant op. Daar snapte ik helemaal niks van. Mijn gevoel zei het tegengestelde van mijn kompas. Ik was compleet gedesoriënteerd. Ik had het gevoel dat ik in de Twilight Zone terecht was gekomen.

Ik appte naar huis dat ik verdwaald was, en deze keer echt, want ik moest links volgens mijn kompas, maar rechts volgens mijn gevoel. Het oosten lag in het westen, het westen lag in het oosten. Tot mijn verbazing kreeg ik gelijk een appje terug, dus ik had ontvangst! Ik keek op google maps en liet mij leiden. Ook google maps stuurde mij de andere kant op en ik dacht, laat ik nu eens niet eigenwijs doen en doen wat kompas en google zeggen. Nu kwam ik ineens niemand meer tegen aan wie ik het kon vragen. Volgens Google was ik nog slechts 1 km van mijn auto verwijderd. Het leek weer te landen in mijn hoofd. Mijn richtingsgevoel was toch goed, het kompas ook. Wat er fout ging is dat ik geheel onterecht dacht dat Vaassen in het westen lag, maar dat ligt natuurlijk in het oosten. Hoe kon ik zo dom zijn?

Ik appte naar huis dat ik het weer wist, en de eerste mensen die ik weer tegenkwam in dit dichtbevolkte bos waren mijn buren van het oude huis. Of ik de wolf nog gezien had, vroeg de buurvrouw. “De wolf,” vroeg ik achteloos. “Nee niet op gelet. ” Ik was lekker een stukje lopen met de hond nu het hier weer mag. Lekker rustig hier!