Boswachter

Als je in quarantaine zit moet je goed nadenken over waar je de hond gaat uitlaten. Dat deed ik dus niet in het losloopgebied maar daar waar ik in het weekend vaak loop, omdat het daar rustiger is en de hond er even lekker kan rennen. Ik zou niet het bos ingaan, maar op de zandweg over de heide blijven.

Er kwam een groen autootje aan. Staatsbosbeheer. De boswachter draaide zijn raampje open (Duitse auto, dus handslinger) en zei tegen mij dat het niet de bedoeling was dat ik de hond hier liet loslopen. Ik heb de man uitgelegd hoe het hier werkt. Dat ik de baas van het bos ben en dat ik hier elk weekend met de hond loop. Dat er nergens een bord staat dat dat niet mag. De hond sprong enthousiast tegen de autodeur op en probeerde de boswachter te begroeten. Kras op zijn wagen en geen anderhalve meter afstand gehouden. Hij probeerde nog dat mensen wel eens een bord weghalen, maar ik wees hem erop dat dit een doorgaande weg was, en dat op de zijpaden de honden aangelijnd moeten zijn. Omgekeerde wereld dat ik hem moet uitleggen hoe het werkt.

Toen waarschuwde hij me dat ik goed in de gaten moest houden dat er geen zwijnen liepen, want die zijn momenteel heel kribbig en hongerig. “Ik heb honden gezien met flinke verwondingen door de slagtanden,” zei hij. Ik zei dat de vlakte hier open was en dat ik het goed in de gaten zou houden. Dat de hond twee weken geleden nog oog in oog stond met een kribbige beer, vertelde ik maar niet.

Het begint spannend

Gisteren nam ik een wat ongebruikelijk pad, een weg eigenlijk, waar je met de auto niet in mag. Ik deed het omdat ik een andere hond, Milo, bij me me had, en ik dacht dat je daar rustig zou kunnen lopen. De andere hond dacht daar anders over. Één streep terug naar de auto vanwege het geknal met vuurwerk op kilometers afstand. Onze hond wordt er niet warm of koud van. Vandaag deed ik er een nieuwe poging met alleen Randi. Ze mag hier los, omdat het een doorgaande weg is, maar het loopt dwars door het bos, en moest ik dus goed in de gaten houden of ik geen wild zag, want daar wil ze achteraan. Ze sprintte over de zandweg dat het een lieve lust was, en ze heeft mij aangeleerd om haar een koekje te geven op het moment dat ze naar me toe komt en mij verwachtingsvol aankijkt, zonder dat ik haar riep.

Opeens zag ik haar met haar kop in de lucht de geuren opsnuiven. Ik keek strak om me heen, maar zag niks. Ik zag zelfs het enorme zwijn niet dat op tien meter afstand stond. Randi zette de aanval in. Het is niet echt een aanval, het is wat honden doen. Ik schrok en riep haar terug. Het zwijn vluchtte op een drafje. Geen paniekerige sprint. Toen Randi op twee meter achter het beest zat, draaide het enorme beest zich om alsof het zeggen wilde: wat moet je nou? Ik schreeuwde tegen Randi dat ze terug moest komen, en na vijf seconden aarzelen deed ze dat. Verstandige hond. Het zwijn liet het er ook bij zitten. Genoeg losgelopen voor vandaag.

Bang

Ik liep tegen zonsondergang in het bos, en wachtte tot het donker werd. Na zonsondergang mag je er niet meer zijn, maar dat geldt niet voor de zandweg die dwars door het bos loopt. Met de weg aan mijn linkerhand liep ik over de vlakten. Twee reeën kwamen uit het bos, maar toen ze mij en de hond zagen zetten ze een sprint over de vlakte naar het verderop gelegen bos in. Ik keek ze na en was onder de indruk van hun snelheid. Dat zou mijn hond nooit bij kunnen houden. Wolven schijnen het wel te kunnen. Op een open vlakte tenminste, tussen de bomen schijnen herten weer behendiger te zijn. Wat dat betreft moet de wolf hier z’n tactiek aanpassen want ten eerste jagen ze hier niet in troepen, en ten tweede kunnen ze een hert niet uitputten omdat de vlaktes niet zo groot zijn. Een hert steekt in een minuut een veld van een kilometer over. Ik geloof dat de eenzame wolf op de Veluwe meer als een katachtige jaagt. Besluipen en een korte sprint.

Zo liep ik wat te dagdromen totdat het donker helemaal inviel en ik naar de weg moest. Het was nog zeker drie kilometer over de heide. Overal om me heen zag ik schimmen die me aan zwijnen deden denken. En wat ze ook zeggen, in het donker in je eentje in het bos word je bang. Was er laatst niet een man door een zwijn aangevallen omdat hij iets van het pad af was? Het zwijn duldde dat niet en bezorgde de man een gapende wond. Wat als het zwijn mij in het donker niet duldt? Of een of twee wolven? Hoe kan ik er eigenlijk zeker van zijn dat ze een mens niks doen? Het was nog zeker twee kilometer naar de auto, en om mij heen hoorde ik geluiden. Maar ik zag niks. Ik was niet echt bang natuurlijk. Hooguit een tikkeltje op mijn hoede. Als ik nu maar tegen de hond praatte, dan zou al dat gespuis toch wel eieren voor hun geld kiezen? Bang? Welnee! Nog maar een kilometer.

Lopend buffet

We gingen uit eten met ex-collega Frits en zijn lieftallige vrouw Margreet. Dat doen we meestal één keer per jaar, maar nu was het vanwege corona twee jaar geleden. Linda had gereserveerd in een Ierse pub waar je ook kon eten. Tenminste, dat dacht ze, want de Ierse pub zat 50 meter verderop. Hartstikke leuk, een Ierse pub, maar een Ierse pub moet wel door zingende Ieren worden bevolkt en niet door Apeldoornse jeugd, vind ik. In elk geval, wij kwamen terecht in een soort kruising tussen een restaurant en een disco.

Daar merkte je in het begin nog niet zoveel van, toen leek het nog meer op een restaurant. Ze zetten ons bij een openstaande deur neer, en omdat het nogal koud was vroeg ik al snel om een andere tafel. Ik had natuurlijk ook de deur dicht kunnen doen, maar dat zet gelijk zo de toon, mede omdat het bedienend personeel door die deur naar de terrassen moest. Op de terrassen zaten alle wappies zonder QR-code. Ik had de telefoon van mijn moeder meegenomen, die heeft een geldige QR, en Frits had een code van internet afgeplukt. Alles in orde bij de check.

Wij kregen een andere tafel, een hoge tafel tegenover de bar, die in het begin redelijk beviel. Het was er in elk geval warm en je hoefde niet ver te lopen naar de toiletten. De muziek was prima, The Eagles, en Stevie’s wonderhit “I just called to say I love you,” wat zo’n simpel liedje is dat Stevie het met zijn ogen dicht kon spelen. Maar naarmate het later werd, liep er steeds meer jong spul langs onze tafel naar achterin het restaurant, waar het geen restaurant meer was, maar dansvloer. En naarmate er meer van dat jonge spul kwam, werd de kwaliteit van de muziek minder en het volume meer. Verkeerde combinatie.

Vanwege de takkenherrie werd ons wederom een andere tafel aangeboden*, nu weer dicht bij de deur, maar die was inmiddels dicht. De muziek was hier weer prima, ik hoorde Madonna, altijd fijn. Er liep wel steeds meer jong spul naar binnen, wij waren eigenlijk de enige grijsaards in de disco. Ik dacht terug aan de tijd dat ik hier zelf liep op die leeftijd. Zestien, zeventien, je een hele Piet voelend, en naar de kroeg waar ik eigenlijk geen reet aan vond, maar ik moest toch ook kunnen vertellen over mijn uitgaansleven.

Eerlijk gezegd vond ik het maar knap belachelijk, al die kinderen in die kroeg, en ik wist zeker dat we er in mijn tijd allemaal een stuk beter uitzagen, al ben ik blij dat er geen beeldmateriaal van is. De kinderen vonden ons waarschijnlijk ook belachelijk. Zodra het eten op was, en geen minuut later, ging ik afrekenen. “Welke tafel had u,” vroeg iemand van de bediening.

* achteraf denken we dat het niet vanwege de takkenherrie was, maar dat het slecht voor het imago van de tent was dat een stel vijftigers zo tussen die jeugd zat.

Dag Pieter

Zo’n condoleance went nooit. Ik kende de familie van Pieter niet, maar ik begrijp nu waar hij zijn hartelijkheid vandaan had. De mensen stonden met hun verdriet iedereen te troosten. En zelfs aan mij die ze toch niet kennen, lieten ze hun waardering blijken. Het regende en de rij was lang. Erg lang. Om drie uur zou het beginnen maar om kwart voor drie liep het al. Ik hoorde dat het om zeven uur pas klaar was.

Ik geloof niet dat ik ooit bij het afscheid van zo’n jong mens ben geweest. En ik geloof niet dat ik ooit zo’n rij heb gezien. Ik hoop dat het zijn familie heeft goedgedaan. Voor hun begint het na de crematie pas, de leegte en het besef dat de wereld gewoon doordraait. Maar ik denk niet dat Pieter vergeten wordt. Hij maakte indruk tijdens zijn leven, en nu nog steeds. Een witte kist, afgedekt, veel bloemen en de hartverscheurende teksten op de linten. Gewoon mooi. Dag Pieter.

Pieter

Gisteren kregen we het onwerkelijke en verschrikkelijke bericht dat een vriend was overleden. (28 sept) Ik noem hem vriend omdat hij vriendelijk naar ons en naar iedereen was. Niet omdat hij onze beste vriend was, maar de benaming “kennis” zou geen recht doen aan de band. We zochten hem twee keer op in Frankrijk omdat hij daar in de zomervakantie altijd werkte in een restaurant. Ik ontmoette hem daar voor het eerst, Linda kende hem al als zoon van de plaatselijke slager, en noemde deze meer dan twee meter lange jongen altijd Pietertje.

Ik heb het er nooit zo op, nieuwe mensen ontmoeten, maar Pieter was gelijk goed. Hoe kon zo’n jongeman al zo’n charisma bezitten? Hij kende half Vaassen en half Vaassen kende hem. Op Facebook nooit een onvertogen woord en altijd alleen complimenteus. Misschien het lot van een ondernemer uit een klein dorp, maar voor zover ik hem kende (en dat was echt niet heel goed) was hij ook zo, een grote, vriendelijke reus.

En ineens, op je 27e pas, ga je liggen op bed omdat je je niet lekker voelde en werd je nooit meer wakker. Ik wist best dat het leven niet eerlijk was, maar dit slaat helemaal nergens op. Dit zag niemand aankomen. Ik vind het verschrikkelijk dat zo’n fijne jongeman er ineens niet meer is, en dat zijn familie en vrienden voortaan zonder hem moeten. Beste Pieter, hoe kon dit nu? Rust zacht jongen, voor jouw dood heb ik geen woorden, wel voor jouw korte leven, bij deze.

Vroeg

Ik had het al maanden in mijn hoofd, maar door het zwakke vlees kwam het er maar niet van. Bij zonsopgang het bos in! Vroeger deed ik het soms, op de fiets, om wild te spotten. Vanochtend was ik al na vijven wakker en ik lag te twijfelen of ik het moest doen. Dat had ik wel vaker, maar dan viel ik weer in slaap, en mislukte het plan alsnog.

Volgens Google zou de zon iets na zevenen opkomen, wat al behoorlijk laat is. In juni begonnen de vogels even na vieren al te fluiten. En wat ook meespeelde; dit zou het laatste weekend zijn, hierna gooit zijne Majesteit zijn domein dicht en mogen we er ruim drie maanden niet meer in. Bronsttijd, werd ons vroeger altijd verteld, inmiddels weten we beter. De koning heeft het over het beheer van de wildstand maar hij bedoelt gesubsidieerde plezierjacht. In elk geval, deze aanstaande sluiting was de reden dat ik vanochtend om kwart voor zeven, met hond in het bos liep.

Ik had het net zo goed niet kunnen doen. Ik hoopte op een ontmoeting met een wolf, maar ik kreeg die eeuwige zwijnen te zien. Ook een paar herten konden mij niet bekoren. Na een uur kwam ik de eerste collega gek al tegen. Toen volgden er nog twee mountainbikers en drie hardlopers. Het enige voordeel was dat ik ruim acht kilometer had gelopen. En, zo zeggen wij thuis gekscherend: dan heb je nog iets aan je dag.

Twee mannen

Op de hei, het losloopgebied, kom ik vaak dezelfde mensen tegen. Zo is er de zwaar opgemaakte vrouw met haar Beagle, de stevig op haar benen staande vrouw met haar Chapei, de man met paardenstaart en zijn keffertje, de vrouw met haar stok en haar St. Bernard, maar ook een man die zijn jachthond altijd aan de lijn houdt en de man met de Mechelse herder die niemand aandacht schenkt.

Die laatste twee kwam ik vandaag tegen. De man met de jachthond aan de lijn is wat zonderling. Hij gaat altijd aan de kant als je eraan komt, laat zijn hond zitten, zegt goedemiddag tegen mij, en ‘rust’ tegen zijn hond. Hij spreekt het goedemiddag heel deftig uit, ik zeg altijd hallo terug. En het commando “rust” herhaalt hij een keer of twee heel rustig. Het klinkt ook heel rustgevend moet ik zeggen, maar het komt wat zonderling over.

Even verder kwam ik de man met de onverstoorbare Mechelaar tegen. De hond is inmiddels oud, loopt wat moeilijk, maar speelt nog altijd met zijn baas. Niet met andere honden, daar kijkt hij niet naar om. Je kunt zien dat dit een Alfa mannetje was, het beest is ondanks zijn ouderdom nog steeds imposant. Zijn baas lijkt hem perfect onder controle te hebben. Deze man zegt altijd hallo en loopt door. Net als zijn hond wil hij met niemand contact. Vandaag kwam hij fluitend aangelopen. Dat had ik nog niet eerder gehoord. Ik herkende zijn lied. Toen hij vlakbij was zei hij hallo, liep en floot door. Ik voel me zo verdomd alleen. Dat floot hij. Ik nam het zachtjes over.

Ondoordringbaar.

Ik ontdekte een nieuw bos vandaag. Het is geen groot bos, ik schat 10 hectare, maar het is een stil bos. Om er te komen moet je een hek openmaken en dat kan een drempel zijn. Aan de rand van het bos stond een bordje met toelichting. Iets met kwelwater, en dat het bos er honderd jaar geleden nog niet was, maar mooier nog, er stond dat het een haast ondoordringbaar bos was. En daar hou ik van. Ik had twee honden bij me, en liep voornamelijk langs het bos, op zoek naar een opening. Ik zag wel gaten waar dieren doorheen zouden kunnen, maar voor mensen werd dit lastig. Misschien als ik mijn commando-uitrusting zou halen, maar in mijn gewone kleren was dit niet haalbaar. Een bos dat zichzelf beschermt tegen indringers, hoe verzinnen ze het. Dit bos werd omsingeld door doornstruiken. Ik wed dat vossen en reeën zich hier overdag schuilhouden, op deze plek waar mensen niet kunnen komen. Het deed me denken aan Doornroosje, die sliep volgens mij in zo’n overwoekerd kasteel. En het gaf me hoop. Mocht de mensheid even in slaap kukelen, dan staat de natuur klaar om ons te overwoekeren. We zijn nu dan wel de baas op aarde, maar wacht maar als we even niet opletten.

Vlucht

Ik was een beetje beroerd na een late avond en veel drinken bij vrienden. Laat is tegenwoordig half twee en veel drinken is drie biertjes en drie glazen wijn. Om een uur of zeven werd ik wakker met een lichte hoofdpijn. Ik zocht een aspirientje en ging weer naar bed.

De hele dag hield die dufheid aan. Ik kon mijn ene voet amper voor mijn andere zetten. In elk geval niet zonder te zuchten. Het weer was ook veel te mooi, de hond moest er ook nog uit. Ik zat te denken waar ik nu kon gaan lopen zonder te struikelen over wandelaars en fietsers, want elke doorgaande weg op de Veluwe wordt overspoeld door wandelaars en fietsers in deze tijden van corona en mooi weer. Had ik geen zin in. Ik bedacht een plek waar ik vroeger wel eens kwam. Het is net buiten de kroondomeinen, hier niet ver vandaan. Ik reed er met de auto heen, op de parkeerplaats was al niemand, een uitstekend voorteken, dus ik pakte het pad en liet de hond los. Een haast mysterieus pad, dat leidde langs het grondgebied van afgelegen huizen die je helemaal niet kunt zien vanaf de weg en aan de andere kant de hekken waarmee het wild van de bewoonde wereld wordt gescheiden. Een glooiend weiland met daarin een paar runderen met enorme hoorns, en in de verte een huis. Een huis boven op een heuvel dat zo afgelegen ligt dat je niet snapt hoe je er met de auto kunt komen. Ik zag er geen mens. Ik zag helemaal geen mens op mijn ronde. Pas toen ik weer terugkeerde bij mijn auto zag ik een paar fietsers. Het was me wederom gelukt. Het was maar een kleine drie kilometer, maar met deze warmte en in mijn toestand genoeg voor hond en mij.

Het is een vrijwel vergeten gebied. Het is alleen via een doodlopende zandweg te bereiken met de auto, dus veel volk komt er sowieso niet. Als ik er zou wonen, zou ik elke avond in het donker de bossen in vluchten. Wat wel niet is toegestaan, maar als je tuin grenst aan het bos, dan moet je wel. Dan kun je je niet aan dergelijke trutregels houden.

Glooiend weiland