Ondoordringbaar.

Ik ontdekte een nieuw bos vandaag. Het is geen groot bos, ik schat 10 hectare, maar het is een stil bos. Om er te komen moet je een hek openmaken en dat kan een drempel zijn. Aan de rand van het bos stond een bordje met toelichting. Iets met kwelwater, en dat het bos er honderd jaar geleden nog niet was, maar mooier nog, er stond dat het een haast ondoordringbaar bos was. En daar hou ik van. Ik had twee honden bij me, en liep voornamelijk langs het bos, op zoek naar een opening. Ik zag wel gaten waar dieren doorheen zouden kunnen, maar voor mensen werd dit lastig. Misschien als ik mijn commando-uitrusting zou halen, maar in mijn gewone kleren was dit niet haalbaar. Een bos dat zichzelf beschermt tegen indringers, hoe verzinnen ze het. Dit bos werd omsingeld door doornstruiken. Ik wed dat vossen en reeën zich hier overdag schuilhouden, op deze plek waar mensen niet kunnen komen. Het deed me denken aan Doornroosje, die sliep volgens mij in zo’n overwoekerd kasteel. En het gaf me hoop. Mocht de mensheid even in slaap kukelen, dan staat de natuur klaar om ons te overwoekeren. We zijn nu dan wel de baas op aarde, maar wacht maar als we even niet opletten.

Vlucht

Ik was een beetje beroerd na een late avond en veel drinken bij vrienden. Laat is tegenwoordig half twee en veel drinken is drie biertjes en drie glazen wijn. Om een uur of zeven werd ik wakker met een lichte hoofdpijn. Ik zocht een aspirientje en ging weer naar bed.

De hele dag hield die dufheid aan. Ik kon mijn ene voet amper voor mijn andere zetten. In elk geval niet zonder te zuchten. Het weer was ook veel te mooi, de hond moest er ook nog uit. Ik zat te denken waar ik nu kon gaan lopen zonder te struikelen over wandelaars en fietsers, want elke doorgaande weg op de Veluwe wordt overspoeld door wandelaars en fietsers in deze tijden van corona en mooi weer. Had ik geen zin in. Ik bedacht een plek waar ik vroeger wel eens kwam. Het is net buiten de kroondomeinen, hier niet ver vandaan. Ik reed er met de auto heen, op de parkeerplaats was al niemand, een uitstekend voorteken, dus ik pakte het pad en liet de hond los. Een haast mysterieus pad, dat leidde langs het grondgebied van afgelegen huizen die je helemaal niet kunt zien vanaf de weg en aan de andere kant de hekken waarmee het wild van de bewoonde wereld wordt gescheiden. Een glooiend weiland met daarin een paar runderen met enorme hoorns, en in de verte een huis. Een huis boven op een heuvel dat zo afgelegen ligt dat je niet snapt hoe je er met de auto kunt komen. Ik zag er geen mens. Ik zag helemaal geen mens op mijn ronde. Pas toen ik weer terugkeerde bij mijn auto zag ik een paar fietsers. Het was me wederom gelukt. Het was maar een kleine drie kilometer, maar met deze warmte en in mijn toestand genoeg voor hond en mij.

Het is een vrijwel vergeten gebied. Het is alleen via een doodlopende zandweg te bereiken met de auto, dus veel volk komt er sowieso niet. Als ik er zou wonen, zou ik elke avond in het donker de bossen in vluchten. Wat wel niet is toegestaan, maar als je tuin grenst aan het bos, dan moet je wel. Dan kun je je niet aan dergelijke trutregels houden.

Glooiend weiland

Hondenperikelen.

Mijn hond had gisteren ruzie. Met een Ridgeback reu. Het ging om een koekje, iemand gaf het haar maar het viel op de grond. Toen de Ridgeback het wilde pakken pikte ze dat niet. Het vrouwtje van de Ridgeback schreeuwde in paniek. Ze had me al eens eerder aangesproken dat mijn hond de hare had gebeten, maar dat was onzin. Nu was het wel zo, maar andersom ook. Beiden kwamen niet ongeschonden uit de strijd. Allebei een bloedend oor.

Vanavond liep ik met haar in het bos en ineens zag ik een paar wilde zwijnen die mij niet zagen. Ik was veel te dichtbij en ze hadden bij elkaar wel twintig kleintjes. Ik maakte wat lawaai om de zwijnen te waarschuwen en met een luid geknor stoven ze alle kanten op. Ik had grote moeite om de hond tegen te houden aan de lange lijn. Ze is enorm sterk als ze zich met vier poten kan afzetten in het zand. Een kleintje had het niet gemerkt en zette het pas op een lopen toen ik tot twee meter genaderd was. Het beestje sprintte finaal de verkeerde kant uit. Honderd meter verder kwam ik het beestje weer tegen, het was nu wel tweehonderd meter van z’n moeder verwijderd.

Daar voelde ik me wel schuldig over al kon ik er ook niks aan doen dat de zwijnen mij te laat opmerkten. Meestal in de natuur vinden ze elkaar weer, daar ga ik dan maar vanuit. Moet er niet snel een vos zijn kans grijpen natuurlijk. De hond had de avond van haar leven en ik vraag me serieus af wat ze zou doen als ze los was. Afgezien van dat ze door het zwijn werd opengereten, zou ze het zwijn aanvallen of ziet ze het als een spel? Haar jankende gepiep doet vermoeden dat ze heel graag zo’n kleintje zou willen hebben, omdat ze eenmaal gek is op alles wat jong is. Ze lag in elk geval zeer tevreden in haar mand te snurken.

De laatbloeier

Omdat er vandaag wat sneeuw zou vallen dacht ik naar het bos te gaan om mijn favoriete boom te fotograferen. De boom viel mij begin vorig jaar op omdat alles al groen was, behalve hij. Ik noemde hem : “de laatbloeier.” Ik had de boom op de foto in in de lente, de zomer, de herfst en in de winter. Alleen nog niet met sneeuw, dat leek me nog wel wat. Ik ging laat weg, omdat de sneeuw laat verwacht werd. Toen het begon te schemeren vielen er paar kleine vlokjes, die de naam vlok eigenlijk niet waardig waren. Ik liep wat verder en kwam vier mensen met vier Huskies tegen. Ik liep een stukje met ze mee, drie van hen hadden er goed de sokken in maar de vierde bleef met mij meelopen. Een jonge vrouw, die veel praatte, want ik weet dat ze fysiotherapeute is, dat ze veel naar Lapland op vakantie gaat met de honden en dat ze ook hier in Nederland zich door het bos liet voortsleuren op een kar met de Huskies ervoor. Dat er in Lapland dorpjes zijn van drie inwoners en dat de dichtstbijzijnde winkel soms drie kwartier rijden met de auto is. Van mij weet ze alleen dat ik mijn hond braaf vasthou op de plekken waar dat moet, en dat we nog geld terug moeten krijgen van de afgelaste vakantie naar Schotland. Na een kwartiertje ging ze de andere kant op, rennend achter de anderen aan.

Het werd steeds donkerder, ik moest het bos uit, naar de “hoofdweg”, een zandweg met een fietspad ernaast, waar de hond wel los mag, zolang hij maar niet links en rechts het bos of de heide in gaat. Op de terugweg kwam ik langs de laatbloeier, ik fotografeerde hem, een heel klein beetje sneeuw was zichtbaar, maar lang niet zoveel als ik in gedachten had.

Vijf minuten verderop, het was inmiddels echt bijna donker zag ik in de heide plotseling een grote groep edelherten rennen, richting het zandpad waar ik op liep. Ik pakte mijn telefoon en probeerde ze te filmen. Omdat ze me zagen, namen ze een andere richting waardoor ze verder dan ik hoopte het zandpad overstaken. Nauwelijks te zien op mijn filmpje. Ik liep verder en was zo naïef te denken dat de hond ze niet in de gaten had. Terwijl ik een half uurtje daarvoor nog tegenover de jonge vrouw beweerd had dat de mijne alles in de gaten had.

Ze had ze niet gezien, maar toen we de plek bereikten waar ze overgestoken waren zette ze ineens een sprint in. Ze schoot de heide in, ik kon haar al snel niet meer zien. Ik zag de herten nog wegrennen, en een halve minuut later hoorde ik mijn hond blaffen op een ongelofelijke afstand. Gelijk schiet dan door je hoofd dat ze ook de weg overschiet waar nog wel auto’s rijden en daar aangereden wordt. Ik riep en floot haar, maar dat was kansloos. Inmiddels zag ik de grote groep herten weer de andere kant op rennen, die richting op waar ik ze de eerste keer vandaan had zien komen. Het waren er zeker twintig. Ik wist het eigenlijk wel, maar toch verbaasde ik me nog over hoe kansloos een hond is tegen een ree of een hert als het om snelheid gaat. Terwijl mijn hond harder sprint dan ik kan fietsen.

Vijf minuten later zag ik de hond weer op het besneeuwde zandpad. Ze had het opgegeven. Ik lijnde haar aan, mopperde maar niet want ja, als het zo schemert moet ik haar maar aanlijnen. Nu ligt ze al de hele avond te ronken in haar mand. Wel een mooie dag.

Rumoer.

Wij wonen nu een jaar in ons nieuwe huis en het bevalt prima tot zover. Nette buurt, zowel ouderen als jongeren in de straat. En stil, veel stiller dan ons oude huis dat aan een fietspad lag en waar aangeschoten fietsers luidruchtig praatten op een nachtelijk tijdstip. Nou ja, als je zo hard praat verdien je ook niet anders dan aangeschoten te worden. Het is dat ik geen buks heb, maar anders…

Afijn, rustige buurt doorgaans hier. Alleen ‘s ochtends vind ik het wel eens lawaaierig als de krant met een dieselauto wordt rondgebracht en als een gehandicapte buurjongen met een taxibusje wordt opgehaald. Vanochtend heel vroeg maakten ze het wel heel bont. Ik keek uit het raam en zag een auto voorbij scheuren en met een noodgang rechts afslaan. Met mijn slaapdronken kop dacht ik alleen: “”

Ietsje later reed er weer een auto door ons doodlopende hofje. En weer één. En toen hoorde ik iemand roepen: “staan blijven!” Ik keek uit het raam en zag een agent met zijn hand op zijn pistool voorbij rennen. Ik zag politieauto’s door de wijk scheuren. Ik dacht: inbreker. Ik kleedde mij aan om onze tuin en garage te checken. Inbrekers prima, maar niet in mijn tuin of garage! Ik trof niemand aan. Ik ging maar weer slapen. Nou ja, slapen…, het was meer wachten tot het tijd was om op te staan.

Toen ik aan het werk was ging de bel. Een buurman (een oudere) kwam vragen of ik iets had gemerkt. Volgens hem had er iemand aan onze poortdeur lopen morren, maar die deur gebruiken wij niet, die zit altijd op slot. Een wazig verhaal, hij leek licht van streek, ik kon er niet echt een touw aan vastknopen. Een plastic zak, een ingegooide ruit, een open garagedeur…

Uiteindelijk bleek het om een hennepkwekerij te gaan bij onze buren van één huis verder. De vorige bewoners zijn van de zomer verhuisd en de nieuwe had ik nog nooit gezien. Ik wist niet eens dat er al nieuwe woonden. 450 planten zijn er weggehaald. Tot elf uur vanavond zijn ze bezig geweest. Dat was het dan waarschijnlijk weer, qua spanning en sensatie. De eerstkomende 20 jaar geen politie meer in deze straat.

De wolf en de hond.

Het is alweer ruim een jaar geleden dat ik een wolvin zag. De welpjes liepen achter haar aan en het was vroeg in de middag dus ik had heel veel geluk. Daarna bleef het stil. Ik vond wel regelmatig uitwerpselen waarvan ik vermoedde dat die van een wolf waren.

Een paar weken terug zag ik zo’n wolvendrol midden in het hondenuitlaatgebied. Ik twijfelde, want waarom komt er een wolf hier zo vlakbij? En in dit gebied waar zoveel honden lopen? Er waren een aantal kenmerken waaraan deze drol voldeed om in aanmerking te komen voor de kwalificatie ‘wolvendrol’. Ten eerste, het ziet er wat droger uit dan die van een hond en er zitten haren doorheen. Ten tweede zijn het behoorlijke jongens en ten derde liggen ze midden op het pad. Dat doen honden niet, die gaan even van het pad af. Toen mijn hond er ook nog bovengemiddelde belangstelling voor toonde en er toen overheen plaste, wist ik het eigenlijk zeker. En toen ik gisteren een andere honduitlater hoorde zeggen dat er verderop een wolvendrol lag, wist ik het helemaal zeker, al irriteerde het me wel dat deze nitwit het ook gezien had. En toen ik er vandaag langs liep had er zelfs een hond overheen gepoept.

Er loopt dus een wolf vlakbij. En de honden weten allemaal feilloos dat dit iets bijzonders is. Ze vertonen allemaal raar gedrag. Ik zag laatst een filmpje waarop een wolf door de weilanden liep. Schapen die in hun hele leven nog geen wolf hadden gezien wisten ook instinctief dat dit geen hond was, gezien hun plotselinge onrust. Hoe dat toch werkt in de natuur…

Cesar Milan

Ik liep in het bos en zag twee vrouwen koffiedrinken op een omgevallen boomstam. Omdat de hond dat wel interessant vond zei ik haar om naast mij te blijven. De hond jankt dan zachtjes omdat ze er heen wil, maar ik herhaalde het commando nog een keer en liep ze zo voorbij.

Een van de vrouwen sprak mij aan. Ik hoorde een bekend accent. “Als je niet wilt dat die hond naar mensen toegaat, dan moet je tegen die mensen zeggen dat ze jou aankijken en niet de hond.” Ik begreep het niet en vroeg om uitleg. “Nou gewoon, da’s allemaal negatieve energie, dat voelt zo’n hond. Ik heb twintig jaar honden gehad en ik kijk altijd naar Cesar Milan. Dat vind ik prachtig. Kijk, jouw hond zit nu ook braaf te wachten, die voelt nu geen negatieve energie meer.” “Dat komt ook omdat daar om de hoek een hond staat,” zei ik. Nog wat verderop stond het baasje. “Oh, staat daar nog een hond?! Er is er ook eentje vermist hiero, een Mechelse herder. Kijk, hier heb ik een plaatje!” Ze liet me een plaatje op haar telefoon zien. De hond die om de hoek stond was inmiddels aan het spelen met mijn hond. “Hee, is dat hem niet,” vroeg de vrouw. Ik zei dat dat geen Mechelse herder was en dat zijn baasje verderop stond. Het baasje van de hond, die het gesprek kennelijk had gevolgd, stond op een afstandje te grijnzen. “Oh is die van u, wat is dat voor hond,” vroeg de vrouw aan hem. “U hebt toch twintig jaar honden gehad, ” merkte de man droogjes op. “Dit is geen Mechelse herder. Verre van zelfs.” “Ja, kent u dan alle honden uit uw hoofd, ” vroeg de vrouw? “Wel veel, ” zei de man. “Nou, dat vind ik dan heel knap van u.” De man liep door en de vrouw zei tegen mij: “ja, als we bijdehand gaan doen dan ken ik dat ook! Gezellig hiero!” Ik legde haar uit dat het hier het hondenuitlaatgebied was. “Ja, het is hier wel mooi, ” zei ze. Ik vroeg haar waar ze vandaan kwam. “Uit Vaassen” was het antwoord. Ik reageerde verbaasd vanwege haar accent en omdat ze de plek niet leek te kennen. “Oh, u heeft een wat andere tongval dus ik dacht dat u niet van hier was.” “Oorspronkelijk niet nee. Ik kom uit Amsterdam”. “Ik ga weer eens verder,” zei ik. Ze wenste me nog een fijne dag en ik deed hetzelfde.

Ik besefte ineens dat ik al 25 jaar honden heb. En dat ik nooit Cesar Milan kijk. En dat ik voordat ik honden had al wist hoe een Mechelaar eruit ziet. En dat mijn hond eigenlijk alles al goed deed. En dat Amsterdammers zo ook wel een vooroordeel in stand houden. “Die luu uut ’t West’n, die denk dat sie alles weetn.” Ik hoor het een Veluwenaar zo zeggen.

Strava

Ik had Strava geïnstalleerd zodat ik achteraf kon zien waar ik had gelopen. Ik wilde ook gelijk een flinke wandeling neerzetten om indruk te maken op mijn Strava collega’s want qua lopen ben ik eenmaal geen beginneling. Ik kwam langs een pad waar ik laatst in was gegaan, maar dat dood liep, en waar ik ook een gecamoufleerde wildkijkhut zag. Althans, dat hoop ik, het kan ook een stiekeme jagershut zijn geweest. Nu zag ik een bordje “geen toegang” bij het pad staan. Dat had ik vorige keer niet gezien, maar toen had ik al het gevoel dat het geen opengesteld gebied was.

Het begon zachtjes te regenen hoewel buienradar had voorspeld dat het droog bleef. Het begon harder te regenen en ik zocht beschutting onder een eik. De hond vond het wel spannend, want als ik stil ga staan betekent dat voor haar dat er wild in de buurt is. De regen drupte door het bladerdek heen. Ik probeerde een eik ernaast, maar die lekte nog harder. Snel maar weer terug, nog even geprobeerd welke kant van de boom het meest droog was, maar ik stond al goed. Tenminste, ik had nog slechter kunnen staan.

Inmiddels had het geen zin meer om nog langer te blijven staan en ik besloot huiswaarts te keren. Ik was inmiddels drijfnat en het was nog harder gaan regenen. Het bliksemde en vrijwel gelijk erop volgde de knal. Dat vond ik niet zo grappig en de hond schrok er ook van. Ik keek nog even of een omgewaaide boom beschutting kon bieden, maar van dichtbij bekeken bleek dat niet zo te zijn. In films vinden ze altijd een schuilplaats. Het lichtte nog een keer en weer gelijk een knal. Grote kuilen waren al volgelopen en het water stroomde al flink heuvelafwaarts.

Ik dacht even aan de hut die ik had gezien, maar die zat toen op slot. In films krijgen ze zo’n slot altijd open, maar dit was geen film. Bovendien, ik was nu toch al doorweekt. Ik besloot dat die bliksem naar zichzelf kon lopen en ik spoedde mij terug naar de auto, waarvan ik vermoedde dat ik hem vergeten was op slot te doen en dat mensen er een droog onderkomen in hadden gevonden. Dat eerste was ook zo.

Thuis heb ik de hond afgedroogd, gedoucht en mijn ronde op Facebook gedeeld. Een mooie ronde moet ik zeggen, een bijna symmetrisch circuit. Je kon ook precies zien waar ik had geschuild. Dat riep ook direct vragen op.

De Hooge Duvel

Ik heb wel eens eerder geschreven over Ossaert, een geest die de omgeving van Uddel terroriseerde. Een monnik die bij het Uddelermeer woonde dreef hem het bos in, de “hooge duvel” op. De geest moest daar 99 jaar blijven en mocht er niet af. De kwelgeest zorgt ervoor dat het fietsen over de 86 meter hoge heuvel zwaarder is dan elders. Als je geluk hebt tenminste. De geest is een zwart monster met vurige klauwen dat meestal ligt te slapen, maar als je hem wakker maakt komt hij je achterna. Echter, hij mag er niet af, maar zijn weerwolven kunnen je wel achtervolgen tot aan huis.

‘s Nachts fietste ik er wel eens (niet alleen natuurlijk) als ik uit Elspeet kwam. Hoe ik het overleefd had, het was me een raadsel. Maar nu begrijp ik het. Er zijn vier mogelijke verklaringen. 1. Het monster bestond niet. 2. Het monster lag te slapen. 3. De 99 jaar waren voorbij en het monster was elders. 4. Ik fietste helemaal niet over de hoge duvel, maar erlangs.

Tot mijn schaamte moet ik nu bekennen dat ik hier meer dan 35 jaar woon en er nu pas achter kom waar de hooge duvel precies is. Ik wist inmiddels dat de geasfalteerde heuvel die door wielrenners wordt beklommen ook de hooge duvel wordt genoemd, maar dat de echte zuidelijker ligt, van de weg af, het bos in. Ik dacht dat ik de exacte plek wist, maar de heuvel ligt verder richting het zuidwesten.

Ik heb de route die ik vandaag liep met de hond eens precies nagekeken, en ik was er nog 800 meter vandaan toen ik dacht dat ik er was. Ik ben daar nog helemaal nooit geweest! Geen wonder dat ik nog leef. Binnenkort maar eens even een fietsritje inplannen nu ik weet waar ik moet zijn om te zien of het inderdaad zwaarder fietst.

Overigens had ik wel een prachtig loopje vandaag. 9,6 kilometer, en door de warmte en mijn zwarte hond gedwongen ging ik langs een poel die ik wist te liggen. De hond sprong erin om af te koelen, zwom een stukje en tot mijn grote verbazing zag ik een vis zwemmen in de poel waarvan ik dacht dat het de poel des doods was. Zo leer je nog eens dingen op een mooie koningsdag.

Ben er vanavond gelijk naartoe gefietst. Nondejuu, wat trapte dat zwaar! De woning van de jachtopziener. Toch te gek voor woorden dat ik nooit op de echte hooge duvel was geweest. En gelijk kwam ik een ander kunstwerk tegen waar ik van had gehoord maar nog nooit gezien. De Kathedraal genaamd. Schijnt een geschenk aan de koningin te zijn geweest. Ik had het niet durven geven.

Melkboer

In januari 1983 zag ik hem voor het eerst. Ik weet het nog precies, want wij waren net verhuisd vanuit Drunen naar hier, en hij kwam langs met zijn VW bus + aanhanger. Waarom ik dat onthouden heb is omdat hij gelijk vrolijk zwaaide (naar z’n potentiële nieuwe klant). En een goeie klant, dat werden wij. We kregen al snel door dat de melkboer van het allerstrengste gereformeerde soort was dat je in Nederland kunt vinden. Dus geen televisie, acht kinderen, ’s zondags twee keer naar de kerk. Één keer heb ik hem en zijn gezin een ommetje zien maken op zondag . Ze liepen door onze straat, hij in een zwart pak, en ik voelde me betrapt omdat ik op de oprit aan het tafeltennissen was.

Ik kon uitstekend met deze man overweg. Hij was altijd vrolijk, behalve op zondag dan, en toen ik op de middelbare school zat kocht ik toch zeker twee keer in de week een grote zak drop bij hem. Ik praatte ook veel met hem en leerde het een en ander over de gereformeerde kant van het leven, en in het begin vroeg ik aan hem of hij wist ‘wat of wij waren’. “Jullie zijn Rooms,” zei hij, en Rooms werd bijna uitgespuugd. Ik wist niet beter dan dat we katholiek waren, en ik wist zeker niet dat katholieken zo geminacht werden door zijn soort. Toch waren de gesprekken zelden ongemakkelijk. Een keer vond ik het wel ongemakkelijk, toen hij bijna bij mij te biecht ging. Hij was ergens toe in de verleiding gekomen, ik weet niet meer wat het was- ik wilde alleen weg- en hij zei: “toen heb ik mijn armen ten hemel gespreid en gezegd: Heer, alleen voor U wil ik leven.” De duivel had hem daar even te pakken, vertelde hij mij. Ik was een jaar of zestien en wist bij God niet wat ik daarmee aan moest.

Gelukkig praatte hij ook heel veel over economie, en hij beschouwde mij als autoriteit omdat ik naar de Meao ging. Toen ik bij een accountantskantoor ging werken kon ik helemaal niet meer kapot.

Ik ben hem uit het oog verloren toen ik het huis uit ging. Ik heb hem eigenlijk nooit meer gezien. Totdat ik een paar maanden geleden (nu ik weer in dezelfde wijk woon) langs zijn huis kwam en merkte dat hij er nog steeds woonde. Er stond nog steeds die rare spreuk in sierlijke letters op zijn huis waarvan ik vroeger vermoedde dat het een gereformeerde spreuk was waaraan gelijkgestemden hem zouden herkennen. Maar nu zag ik pas dat het Frans was, en dat er gewoon “buitenrust” stond. Ik zag ook dat hij in zijn voortuin bezig was en een hippe spijkerbroek droeg. Ook had hij nu een hip baardje. Uiteraard was hij wel grijs geworden.

Van de week, ik liet de hond uit en hij maakte een ommetje. Ik zag niet direct dat hij het was, pas toen hij heel dichtbij was (maar wel anderhalve meter) herkende ik hem. Hij had een donkere zonnebril op, waarmee hij haast onherkenbaar was als hartstochtelijk aanhanger van de streng christelijke leer. Het is dat ik hem onlangs een keertje had gezien, anders had ik hem echt niet herkend. “Goeiedag”, zei hij vrolijk en liep door. Ik zal me binnenkort eens aan hem bekend maken.