Strava

Ik had Strava geïnstalleerd zodat ik achteraf kon zien waar ik had gelopen. Ik wilde ook gelijk een flinke wandeling neerzetten om indruk te maken op mijn Strava collega’s want qua lopen ben ik eenmaal geen beginneling. Ik kwam langs een pad waar ik laatst in was gegaan, maar dat dood liep, en waar ik ook een gecamoufleerde wildkijkhut zag. Althans, dat hoop ik, het kan ook een stiekeme jagershut zijn geweest. Nu zag ik een bordje “geen toegang” bij het pad staan. Dat had ik vorige keer niet gezien, maar toen had ik al het gevoel dat het geen opengesteld gebied was.

Het begon zachtjes te regenen hoewel buienradar had voorspeld dat het droog bleef. Het begon harder te regenen en ik zocht beschutting onder een eik. De hond vond het wel spannend, want als ik stil ga staan betekent dat voor haar dat er wild in de buurt is. De regen drupte door het bladerdek heen. Ik probeerde een eik ernaast, maar die lekte nog harder. Snel maar weer terug, nog even geprobeerd welke kant van de boom het meest droog was, maar ik stond al goed. Tenminste, ik had nog slechter kunnen staan.

Inmiddels had het geen zin meer om nog langer te blijven staan en ik besloot huiswaarts te keren. Ik was inmiddels drijfnat en het was nog harder gaan regenen. Het bliksemde en vrijwel gelijk erop volgde de knal. Dat vond ik niet zo grappig en de hond schrok er ook van. Ik keek nog even of een omgewaaide boom beschutting kon bieden, maar van dichtbij bekeken bleek dat niet zo te zijn. In films vinden ze altijd een schuilplaats. Het lichtte nog een keer en weer gelijk een knal. Grote kuilen waren al volgelopen en het water stroomde al flink heuvelafwaarts.

Ik dacht even aan de hut die ik had gezien, maar die zat toen op slot. In films krijgen ze zo’n slot altijd open, maar dit was geen film. Bovendien, ik was nu toch al doorweekt. Ik besloot dat die bliksem naar zichzelf kon lopen en ik spoedde mij terug naar de auto, waarvan ik vermoedde dat ik hem vergeten was op slot te doen en dat mensen er een droog onderkomen in hadden gevonden. Dat eerste was ook zo.

Thuis heb ik de hond afgedroogd, gedoucht en mijn ronde op Facebook gedeeld. Een mooie ronde moet ik zeggen, een bijna symmetrisch circuit. Je kon ook precies zien waar ik had geschuild. Dat riep ook direct vragen op.

De Hooge Duvel

Ik heb wel eens eerder geschreven over Ossaert, een geest die de omgeving van Uddel terroriseerde. Een monnik die bij het Uddelermeer woonde dreef hem het bos in, de “hooge duvel” op. De geest moest daar 99 jaar blijven en mocht er niet af. De kwelgeest zorgt ervoor dat het fietsen over de 86 meter hoge heuvel zwaarder is dan elders. Als je geluk hebt tenminste. De geest is een zwart monster met vurige klauwen dat meestal ligt te slapen, maar als je hem wakker maakt komt hij je achterna. Echter, hij mag er niet af, maar zijn weerwolven kunnen je wel achtervolgen tot aan huis.

‘s Nachts fietste ik er wel eens (niet alleen natuurlijk) als ik uit Elspeet kwam. Hoe ik het overleefd had, het was me een raadsel. Maar nu begrijp ik het. Er zijn vier mogelijke verklaringen. 1. Het monster bestond niet. 2. Het monster lag te slapen. 3. De 99 jaar waren voorbij en het monster was elders. 4. Ik fietste helemaal niet over de hoge duvel, maar erlangs.

Tot mijn schaamte moet ik nu bekennen dat ik hier meer dan 35 jaar woon en er nu pas achter kom waar de hooge duvel precies is. Ik wist inmiddels dat de geasfalteerde heuvel die door wielrenners wordt beklommen ook de hooge duvel wordt genoemd, maar dat de echte zuidelijker ligt, van de weg af, het bos in. Ik dacht dat ik de exacte plek wist, maar de heuvel ligt verder richting het zuidwesten.

Ik heb de route die ik vandaag liep met de hond eens precies nagekeken, en ik was er nog 800 meter vandaan toen ik dacht dat ik er was. Ik ben daar nog helemaal nooit geweest! Geen wonder dat ik nog leef. Binnenkort maar eens even een fietsritje inplannen nu ik weet waar ik moet zijn om te zien of het inderdaad zwaarder fietst.

Overigens had ik wel een prachtig loopje vandaag. 9,6 kilometer, en door de warmte en mijn zwarte hond gedwongen ging ik langs een poel die ik wist te liggen. De hond sprong erin om af te koelen, zwom een stukje en tot mijn grote verbazing zag ik een vis zwemmen in de poel waarvan ik dacht dat het de poel des doods was. Zo leer je nog eens dingen op een mooie koningsdag.

Ben er vanavond gelijk naartoe gefietst. Nondejuu, wat trapte dat zwaar! De woning van de jachtopziener. Toch te gek voor woorden dat ik nooit op de echte hooge duvel was geweest. En gelijk kwam ik een ander kunstwerk tegen waar ik van had gehoord maar nog nooit gezien. De Kathedraal genaamd. Schijnt een geschenk aan de koningin te zijn geweest. Ik had het niet durven geven.

Melkboer

In januari 1983 zag ik hem voor het eerst. Ik weet het nog precies, want wij waren net verhuisd vanuit Drunen naar hier, en hij kwam langs met zijn VW bus + aanhanger. Waarom ik dat onthouden heb is omdat hij gelijk vrolijk zwaaide (naar z’n potentiële nieuwe klant). En een goeie klant, dat werden wij. We kregen al snel door dat de melkboer van het allerstrengste gereformeerde soort was dat je in Nederland kunt vinden. Dus geen televisie, acht kinderen, ’s zondags twee keer naar de kerk. Één keer heb ik hem en zijn gezin een ommetje zien maken op zondag . Ze liepen door onze straat, hij in een zwart pak, en ik voelde me betrapt omdat ik op de oprit aan het tafeltennissen was.

Ik kon uitstekend met deze man overweg. Hij was altijd vrolijk, behalve op zondag dan, en toen ik op de middelbare school zat kocht ik toch zeker twee keer in de week een grote zak drop bij hem. Ik praatte ook veel met hem en leerde het een en ander over de gereformeerde kant van het leven, en in het begin vroeg ik aan hem of hij wist ‘wat of wij waren’. “Jullie zijn Rooms,” zei hij, en Rooms werd bijna uitgespuugd. Ik wist niet beter dan dat we katholiek waren, en ik wist zeker niet dat katholieken zo geminacht werden door zijn soort. Toch waren de gesprekken zelden ongemakkelijk. Een keer vond ik het wel ongemakkelijk, toen hij bijna bij mij te biecht ging. Hij was ergens toe in de verleiding gekomen, ik weet niet meer wat het was- ik wilde alleen weg- en hij zei: “toen heb ik mijn armen ten hemel gespreid en gezegd: Heer, alleen voor U wil ik leven.” De duivel had hem daar even te pakken, vertelde hij mij. Ik was een jaar of zestien en wist bij God niet wat ik daarmee aan moest.

Gelukkig praatte hij ook heel veel over economie, en hij beschouwde mij als autoriteit omdat ik naar de Meao ging. Toen ik bij een accountantskantoor ging werken kon ik helemaal niet meer kapot.

Ik ben hem uit het oog verloren toen ik het huis uit ging. Ik heb hem eigenlijk nooit meer gezien. Totdat ik een paar maanden geleden (nu ik weer in dezelfde wijk woon) langs zijn huis kwam en merkte dat hij er nog steeds woonde. Er stond nog steeds die rare spreuk in sierlijke letters op zijn huis waarvan ik vroeger vermoedde dat het een gereformeerde spreuk was waaraan gelijkgestemden hem zouden herkennen. Maar nu zag ik pas dat het Frans was, en dat er gewoon “buitenrust” stond. Ik zag ook dat hij in zijn voortuin bezig was en een hippe spijkerbroek droeg. Ook had hij nu een hip baardje. Uiteraard was hij wel grijs geworden.

Van de week, ik liet de hond uit en hij maakte een ommetje. Ik zag niet direct dat hij het was, pas toen hij heel dichtbij was (maar wel anderhalve meter) herkende ik hem. Hij had een donkere zonnebril op, waarmee hij haast onherkenbaar was als hartstochtelijk aanhanger van de streng christelijke leer. Het is dat ik hem onlangs een keertje had gezien, anders had ik hem echt niet herkend. “Goeiedag”, zei hij vrolijk en liep door. Ik zal me binnenkort eens aan hem bekend maken.

Wildernis

Dat bos bij ons, dat begint me toch te irriteren. In het weekend met mooi weer is het qua drukte net De Efteling. Vandaag was ik vrij en zoals u weet was het vandaag dinsdag, dus ik hoopte dat het wat minder druk was. Nou, dat viel tegen. Vooral de mountainbikers irriteren me. Rot op. Loop je rustig een nieuw pad te ontdekken, je stelt je voor dat het een nog onontdekt pad is, de bandensporen van de auto van de boswachter negerend, komen die Willempies weer aan! Scheuren je bijna ondersteboven, schreeuwend tegen elkaar in het stiltegebied. Als ze voorbij zijn moet de natuur herstellen als de bossen bij Tsjernobyl na 1986.

Vandaag kwam ik ze uiteraard ook weer tegen. Dan loop je nietsvermoedend door het bos, ineens hoor je harde stemmen en korte tijd later zie je de felle kleuren van hun uitrusting. Twee jonge jongens die net een pauze hielden, hun eerste lege bierflesje stond naast ze op het bankje, het tweede volle in hun hand. Donder op met die gasten! En dan de boswachter. Twee kwam ik er tegen vandaag. Loop je over een onbegaanbaar pad vol van valkuilen en drijfzand, komt hij weer aantuffen met z’n Freelander TD4. Zwaai, ja hoi, altijd hetzelfde. Waarom maken ze niet een bos vol wilde beesten speciaal voor mij?

Ik kwam trouwens wel iets vies tegen. Iemand had de tafel niet afgeruimd na het eten.

Labrador

Ik liet de hond uit voor de laatste ronde van de dag en kwam een oude man tegen met twee keffertjes. Eerst riep hij zijn keffertjes tot de orde en toen sprak hij tot mij: “een Labrador! Ik heb drie Labradors gehad. Hij ziet er mooi uit, hoe oud is hij?” “Ze is zes, meneer,” zei ik. “Hij ziet er goed uit,” zei de man. “Ik heb drie labradors gehad.” Hij keek naar zijn keffertjes en zei: “dit zijn geen honden, maar mijn vrouw wilde een teckel.”En toen naar de hond: “ja, jij bent mooi zeg!”” Ik heb drie Labradors gehad. Eentje voelde precies aan hoe ik me voelde. Als ik me niet goed voelde kwam hij bij me liggen. Ik ben gek op kinderen en op honden. Mijn vrouw vraagt altijd aan me, wordt het vandaag spelen met de kinderen of de honden?” Ondertussen staat Randi met haar kop tegen de man aan. De man aait haar. “Jij bent mooi he! Ik heb ook drie labradors gehad.” “ze lijkt wel op een labrador maar ze is er geen hoor,” zei ik. “Ja, een labrador is mijn lievelingshond. Hoe oud is hij?” Zes meneer,” zei ik wederom. “Nou daar kan je nog lang plezier van hebben. Dit zijn geen honden,”zei de man. “Nou, ik vind een teckel toch best leuk,” zei ik. “Ja, hij glimt mooi. Nou, tot ziens hoor.” “Tot ziens!” “Eh, hoe heet hij ook alweer?” “Randi,” zei ik. “Robin, ah ja. Nou tot ziens hoor!” “Tot ziens.

Carnaval

Toen ik hier net woonde, we schrijven februari 1983, werd op school iets voor carnaval georganiseerd. Aggemaorleuthed. Ik deed er niet aan mee. Meneer van Mourik, toen mijn leraar Duits, zei teleurgesteld: hebben we een Brabander in de klas, houdt-ie niet van carnaval. En zo was het en is het nog steeds.

Vaassen heeft intussen de grootste carnavalsvereniging van Nederland. U hoeft het niet na te zoeken, het klopt. Het dorp staat hier op zijn kop. Mensen hangen een week de carnavalsvlag uit. Om goed carnaval te kunnen vieren moet je een steekje los kunnen laten. Ik mis dat vermogen, misschien wel helaas. Ik moet er verre van blijven. Ik moet ook eerlijk zeggen dat het me een beetje steekt dat carnaval zo’n allemansfeest is geworden. Ik vond het wel een mooie katholieke traditie, die paar dagen zotten voor de 40-daagse vastentijd. Tegenwoordig is het wel de lusten, niet het vasten. De muziek is al helemaal niet om te harden. En ik moet ook eerlijk zijn, ik heb ook niet de conditie om vier dagen te kunnen feesten. Ik vind het onbegrijpelijk hoe ze dat volhouden.

Ach, ik heb altijd al meer van natuur gehouden dan van grote mensenmassa’s. Ik ben gauw tevreden. Zet mij op een onbewoond eiland met Doutzen Kroes en je hoort mij de eerste veertig dagen niet.

Ontdekkingsreis

Ik liep met de hond en lange lijn door het bos. Ik was om half vier weggegaan en ik probeerde te dwalen. Als ik dwaal dan kan ik de weg terug immers niet meer vinden en ik had maar twee uur nodig voor het donker werd. En in het donker mag je er niet meer zijn, welkom avontuur!

Een nieuw pad nemen is genoeg om aan het dwalen te slaan, hoewel ik het gebied nu aardig begin te kennen. Het is verder naar het westen nog veel groter, maar als ik daarheen zou gaan zou het geen overmacht meer zijn, maar een bewuste keuze dat ik in het donker zou eindigen, en dan telt het niet. Nee, ik dacht al na over een slaapplaats tussen de dennen. De hond zou mij moeten beschermen tegen de wolven. (nou ja, je moet je leven zelf opleuken) Ik liep en ik liep en tot mijn grote irritatie kwam ik weer op een weggetje dat ik kende. Zo was er natuurlijk niks aan. Ik nam het weggetje niet, maar een nieuw pad. Het begon al een klein beetje te schemeren. Een wild zwijn was tussen de dichte bebossing naar eten aan het scharrelen. Randi rook hem, ik zag hem. We liepen door naar het oosten, want daar moest ik immers naar toe. Zolang ik mijn best deed om terug te komen was het geen vals spelen. Ik liep over een kronkelend pad en zag bij een zijpad een bordje “geen toegang”. Het leek op een steppe. Ik ging er natuurlijk wel een stukje in, want het is mijn bos tenslotte. Ik erger me al dood als ik iemand anders tegenkom -twee mountainbikers en iemand met een groene trui- want dat doet afbreuk aan mijn avontuur. Een volgend zwijn had ons in de gaten en bleef doodstil staan kijken. Ik zag hem, de hond rook hem. We liepen door. Nu begon het toch wat meer te schemeren en nog even en ik zou mijn overlevingsvaardigheden moeten aanspreken. Nog steeds had ik niet echt een idee waar ik precies was, het enige dat ik wist was dat ik in de juiste richting liep.

En net toen ik dacht, ik ga een noodsignaal versturen, zag ik de weg weer. Nondejuu, weg avontuur. Ik liep richting auto, en de boswachter reed mij zachtjes voorbij in zijn terreinwagen. Hij zwaaide, ik zwaaide terug. Bij de auto aangekomen bleek ik niet eens de laatste. Er waren dus nog grotere avonturiers dan ik in het bos. Potverdorie. Hing er nog een briefje bij de parkeerplaats ook, dat ze in verband met het toenemende aantal toeristen van de laatste jaren, de paden gingen verleggen om het bos te beschermen. Hoe kan ik nu ooit een ontdekkingsreiziger worden? Het wordt me gewoon onmogelijk gemaakt!