Het meisje met de vlinder

In Frankrijk aan het meer, zonden een moeder en haar twee dochters. De moeder was grijs, maar was geen oude vrouw, de dochters waren een jaar of vijftien. Het trio in bikini maakte geen geluid. Ze liepen met z’n drieën het koude meer in, en waren er sneller door dan ik. Een dochter deed iets wat op schoonzwemmen leek, de andere en de moeder keerden snel terug naar hun ligstoelen. Ze hadden alle drie iets moois, iets sierlijks. Toen de schoonzwemmende dochter terugkwam, landde er een vlinder op haar hand. Ze maakte gebaren met haar vrije hand naar de andere twee, en ging verderop in het gras zitten, nog altijd met de vlinder. En toen had ik het pas door. Iemand van dit trio was doof. Of twee, of alledrie, dat heb ik niet kunnen ontdekken. Ze beheersten de gebarentaal, en spraken die met elkaar. Ik kon mijn ogen er moeilijk vanaf houden. Het mooist vond ik het meisje met de vlinder, die met één hand gebaarde naar de anderen. Het zag er niet uit als een beperking, het zag eruit als een gave.

Bezig

Tijdens de terugweg is het mijn taak om mijn gezin snel en veilig thuis te krijgen. Ze zijn het dan zat en willen naar huis. Het kost me nog steeds weinig moeite om 1300 km achter elkaar te rijden. Er is zoveel te zien en te overdenken op de terugweg. Ik vertrok met een halfvolle tank en het leek me handig die eerst zover mogelijk leeg te rijden zodat ik daarna nog maar één keer zou moeten tanken. Toen ik nog 850 km moest, moest ik tanken en het zou krap worden. Vol beladen en met dakkoffer rijdt de auto minder zuinig. In het begin ging het nog wel goed en bleef de actieradius boven de nog af te leggen afstand, maar in Luxemburg veranderde dat bereikte ik het omslagpunt. En toen kon ik ineens 10 km minder ver dan dat ik nog zou moeten. Ik ging langzamer, ik hield de cijfers in de gaten, maar het zag er steeds slechter uit. Totdat ik op het idee kwam om de cruisecontrol eraf te halen, toen won ik langzaam weer kilometers. Je zou zeggen dat een cruisecontrol zuiniger is dan een rechtervoet, maar dat is een fabel.

Ik moest nog 130 km en ik kon nog 130 km. Ik moest nog 120 km, en ik kon nog 130, ik moest nog 110 en ik kon nog 120. Ik moest nog 100 en ik kon nog 120. Uiteindelijk kon ik nog tachtig km en moest ik er nog zestig. Dan gaat mijn reservelampje branden en geeft mijn computer niks meer aan. Ik besloot dat ik het zou halen. En ik haalde het. En zo hou ik mij bezig tijdens een lange rit.

Le centre de nulle part

St. Laurent du Verdon, 23-7-2018

Deze keer zitten we echt dans le centre de nulle part. In vijf kilometer omtrek nog geen bakker te vinden. In twaalf kilometer nog geen supermarkt. In twintig nog geen stadje met een winkelstraatje. Er is hier helemaal niets! Het lijkt Amsterdam wel.

Ik kreeg van een Spaanse collega het verzoek of ik een aanbeveling wilde schrijven op haar linked-in. Sommige mensen hechten daaraan. Ik deed het, uiteraard, maar probeer maar eens 3G te krijgen hier. 4G of WiFi kun je rustig op je buik tatoeëren. Ik schreef de aanbeveling maar moest daarna de camping af om het te kunnen verzenden. Wat je al niet doet voor een collega die je nog niet eens ooit gezien hebt.

Het is hier wel de mooiste omgeving die je je maar kunt voorstellen. Blauwe wateren, groene heuvels, steile rotsen, hoge bergen, smalle wegen, vervallen huisjes, lavendelvelden…. Als er hier nu een bakker was, zou ik hier best kunnen wonen.

Superkniereflex

St. Laurent du Verdon, 18-07-2018

Vandaag zijn we naar het meer van Ste. Croix geweest, hier slechts een paar kilometer vandaan. Ondanks dat Lac Ste. Croix uit hetzelfde water bestaat als ons meer, is de watertemperatuur er veel beter. Daar was de gewenningstijd aan het water slechts twee seconden, hier is dat zeker tien minuten. Ik wijt het aan het feit dat ons meer een St. is en het andere een Ste. Een vrouwelijk meer is kennelijk warmer. Dat geldt voor de meeste vrouwen ook, echter niet voor de mijne. Die heeft het gewoon al over mijn uitvaart. Dat er dan twee dingen genoemd moeten worden waar ik absoluut in uitblink. 1: het opsporen van minuscule lekken in opblaasboten, -zwembaden of -poppen. En 2: mijn superkniereflex.

Dat opsporen van die gaatjes vergt een combinatie van een uitstekend gehoor, extreem gevoelige zenuwbanen in de opperhuid en geduld. Die drie factoren hebben alle gaatjesspeurders gemeen. En je moet verder niet veel te doen hebben, dat helpt ook.

Mijn superkniereflex is ooit opgemerkt door de huisarts. Hij sloeg met z’n hamertje en ging z’n assistente halen. “Ik heb hier een hele mooie, probeer jij het maar eens!” Ik was uiteraard trots op mijn superkniereflex en vertelde het thuis. Sindsdien word ik ermee in de zeik gezet. Pure jaloezie.

Champion du monde.

St. Laurent du Verdon, 16-07-2018

Quartorze Juillet ging onopgemerkt voorbij. Geen vuurwerk of dronken Fransen gezien. De dag erna, gisteren, werd Frankrijk wereldkampioen voetbal. Met 4-2 wonnen ze van Kroatië, die we waarschijnlijk beter zullen onthouden door hun pressievoetbal en door hun premier, de hartelijke blondine die bij elke wedstrijd van de Kroaten aanwezig was, naar verluid op eigen kosten, en bij de huldiging iedereen die gehuldigd moest worden, innig omhelsde, inclusief onze eigen Björn Kuipers. Maar ook door Modric, de Cruijff van de Balkan, die alles met een bal kan. Hij leek zelfs op Cruijff. De Fransen waren beter, maar indruk maakten ze nooit. En nu zijn ze voord de tweede keer wereldkampioen. Wij nog nooit. Wij tuinden er altijd in. Ik ben jaloers.

Nu regent het op de camping en aan niets valt af te leiden dat de Fransen gisteren hun tweede ster behaalden. Ik heb een lange broek en een vest aangetrokken en zit onder het afdak op de veranda. Het is, zoals voorspeld, koud en het regent. Morgen wordt het weer heet en er komt voorlopig geen regen meer. De natuur moet het er weer even mee doen.

En schaatser!

Ik heb gewerkt vandaag. Niet te zuinig. Twee stallen uitgemest, kippenhok verschoond. Een paar kilometer met de hond gelopen. Dat alles in de ijzige kou. Had ik het koud? Welnee. Dit was genieten. Een schep, een kruiwagen, bevroren buitenkranen, ik voelde me een echte boer. De hele middag was ik bezig met scheppen, kruien, schone houtsnippers en wat een boer zoal allemaal doet. Daarna klopte ik mij af, ging naar binnen, deed mijn laarzen uit, pakte een bokbiertje en zetelde mij op de bank. Tevreden keek ik naar buiten. Niet vaak heb ik lekkerder op de bank gezeten. Na gedane arbeid is het goed rusten. Het is echt waar. Ik voel al mijn spieren weer. Zou ik hier een maandje wonen, dan zou ik oersterk worden. Jerommeke. Mijn doorgaans zachte boekhoudershandjes voelen al ruw aan. Dit voelt goed. Gisteren hebben we nog geschaatst. Twee keer hard op mijn plaat gegaan, maar de pijn aan mijn been voelde prima. Even wakker geschud uit mijn ingedutte leven. “Dan wil je zeker wel boer worden mien jong? En skaatser!”

Sil de strandjutter

Tesselaars hebben een grijze lange baard en een donkerblauwe kabeltrui, zo kun je ze herkennen. De mannen hebben daarbij ook nog een schipperspet op hun hoofd. Ik vraag mij af hoe de Tesselaars dat nu vinden, dat hun eiland ontdekt is door de vastelanders. Mijn eerste herinnering is op dit eiland. Het moet 1972 zijn geweest, ik was twee en een ander jongetje had mijn autootje gepakt. Of ik die van hem, en hij had hem weer teruggepakt, dat staat me niet meer goed bij. Maar ik was hier met mijn ouders en grootouders van moeders kant. Ik liep nu op het strand en moest denken aan Sil de Strandjutter. Die ken ik helemaal niet, en nu ik hem napluis blijkt hij van Terschelling te zijn, maar je moet hier toch ook goed hebben kunnen strandjutten zo’n honderd jaar geleden. Nu niet meer. Er lag een plank, een dode meeuw, en verder veel schelpen. Maar daar kun je niet van leven, heden ten dage. Anders wist ik het wel.