De natuur vecht terug.

Het razendspannende boek dat ik aan het lezen ben gaat over iemand die het verleden probeert te veranderen. Maar het verleden laat zich niet graag veranderen en vecht terug. De hoofdpersoon wordt op allerlei manieren tegengewerkt zodat het verleden niet veranderd kan worden. Iets dergelijks gebeurt ook als je probeert in te grijpen in de natuur. Zoals ik twee weken geleden. Ik heb namelijk een glazen bak met guppen. Voor de vakantie zaten daar acht vissen in die allemaal groot geworden zijn nadat ze bij mij begonnen waren als 3 milimetervis. Door een wonderlijke speling van de natuur bleken het zeven mannetjes en één vrouwtje te zijn. En dat is een verkeerde verhouding omdat mannetjes geneigd zijn op vrouwtjes te jagen. De juiste verhouding is twee vrouwtjes op ieder mannetje. Na de vakantie zaten er ineens vijf nieuwe 3 milimetervisjes in. Ik besloot wat aan de verkeerde verhoudingen te doen en kocht een klein kweekbakje waar de kleintjes in konden, voordat die werden opgegeten door de grote. Twee mannetjes gaf ik weg aan de buurvrouw, omdat die juist vrouwtjes had bijgekocht maar sindsdien waren al haar mannetjes doodgegaan. Ik had er dus nog zes over, één vrouwtje en vijf mannetjes. Daarna kocht ik er vier vrouwtjes bij.

Vanaf dat moment ging het mis. Eerst stierven er twee mannetjes. Ik had toen vijf vrouwtjes en drie mannetjes. Prima verhouding. Toen verdwenen er langzaam vissen. De katten waarschijnlijk. Ik had nog twee mannetjes en drie vrouwtjes. Prima verhouding. Toen ging er nog een vrouwtje dood. Daarnet ging er weer een vrouwtje dood. Nu heb ik nog één vrouwtje en twee mannetjes. (even afgezien van de 3 milimetervisjes waarvan we nog niet weten wat het zijn). Nu is mijn conclusie dat de natuur zich niet graag laat veranderen. Ze vecht terug. Als zij vindt dat er meer mannetjes dan vrouwtjes moeten zijn, dan is dat zo. Dan kun je wel denken dat je in gaat grijpen, maar de natuur is sterker. Ze fluistert zelfs de katten in dat ze moeten helpen de verhoudingen te herstellen.

Bijkomende relativiteitstheorie

Ik zag laatst een documentaire over planten over de gehele wereld. Nooit geweten dat planten zo interessant kunnen zijn. Zo schijnen er dus planten te zijn die dieren gebruiken voor hun voortbestaan. Nu wist ik wel dat insecten en vogels stuifzand verspreidden naar andere stampers en meeldraden, maar dat de planten ze ook daadwerkelijk gebruiken, nee, dat wist ik niet. Planten hebben kennelijk hersenen en daarmee controleren zij de dieren. En die dieren hebben geen idee. Die denken gewoon dat ze stuifmeel aan het verzamelen zijn, maar dat schijnt niet zo te zijn. Toch wel wonderlijk hoor, dat denkvermogen van hogere wezens. Wij bijvoorbeeld, maken ons zorgen over de uitstervende ijsbeer, maar de ijsbeer heeft geen idee en gaat door waar hij mee bezig was, de Noordpool verkennen.

Nu redeneren wij mensen vanuit onszelf en wij vinden dat wij observeren en controleren. Maar is dat wel zo? Worden wij op onze beurt ook niet gebruikt door planten? Of door andere wezens die we niet herkennen als zodanig? En dat die wezens zich zorgen maken over onze ontwikkeling maar dat wij denken dat we gewoon de aarde aan het bevolken zijn? Kan natuurlijk makkelijk. Wij denken natuurlijk van niet, maar bekijk het eens vanuit het perspectief van de mier. Die bouwt zijn infrastructuur in de mierenhoop en dat is zijn wereld. Hij heeft geen idee van de menselijke soort, simpelweg omdat zijn denkvermogen dat niet toelaat, denk ik. Maar zo kan het dus ook goed mogelijk zijn dat ons denkvermogen of misschien onze zintuigen niet toelaten dat wij onze meerderen niet waarnemen.

Vanuit dat perspectief ziet de wereld er ineens heel anders uit. Niet vanuit onze zintuigen, maar vanuit ons denkpatroon. Want ja, wat zouden we ons nog langer druk maken? Straks komt er zo’n rotjong die de mierenhoop in elkaar trapt. Daar doen we niks aan. Na de speciale en de algemene relativiteitstheorie is het nu, 100 jaar later tijd voor deze derde variant, die alleen nog even in formulevorm gezet moet worden.

Overdenkingen op 18 augustus

Vandaag zou mijn vader jarig zijn. 69 zou hij worden, een leeftijd die ik niet goed kan bevatten, tenminste niet voor hem. Ik weet nog toen hij ziek was en er nog sprake was van enige optimisme, dat hij tegen mijn moeder in zijn naïeve hoop zei: “Als ze het tot 70 konden verlengen zou ik ervoor tekenen.” Maar dat konden ze helaas niet. Bijna 30 jaar is hij al niet meer op deze wereld. 30 jaar is onvoorstelbaar lang.

18 augustus is voor mij een machtige datum. De verjaardag van mijn vader, de machtige leeuw. Ik weet geen mooiere datum dan 18 augustus. In één oogopslag vertelt de datumcombinatie mij dat het een belangrijke dag is. Een hete, droge, zomerse dag met een koele, heldere nacht. De leeuw ligt te rusten op een rots. Zo spiegelt deze datum mij zich voor. Als hij niet zo vroeg was gestorven zou ik waarschijnlijk niet zo’n overdreven lyrisch beeld van hem hebben gehad. Want de eerste gedachten zijn altijd aan een knappe man met een blik die zich niet goed laat omschrijven. Stoer is niet het goede woord, minzaam ook niet, ik weet het niet. Misschien is trots nog wel het beste woord. Het is een blik van ingehouden geluk. Het straalde er niet vanaf, maar er was iets mee. Een blik die een rotsvast vertrouwen uitstraalde, maar waar je, als je beter keek, ook onzekerheid in kon zien.

Onder die trotse blik ging onzekerheid schuil, onzekerheid die hij op zijn 40e nog niet helemaal had overwonnen. Daarvoor moet je ouder worden, net als ik zelf ervaar dat mijn onzekerheden minder zijn geworden, hoewel ze nooit zullen weggaan. Maar op de leeftijd van 69, als je gepensioneerd bent en je je niet meer beter voor hoeft te doen dan je bent, zullen de meeste van je onzekerheden wel weggeëbd zijn. Of ze hebben plaatsgemaakt voor nieuwe, dat is misschien realistischer.

Nee, ik heb werkelijk geen idee hoe het nu zou zijn tussen mijn vader en mij. Toen hij ging was ik te jong om me al tegen hem afgezet te hebben, en te jong om zijn gedragingen te doorzien waardoor ik nu altijd opgescheept zit met dat beeld van die machtige leeuw die jarig was op 18 augustus. Anders zou hij nu “pa” zijn, in plaats van “papa” zoals ik hem nog altijd noem.

22-11-63

Het is niet dat ik geen inspiratie meer heb, want mijn fantasie is onuitputtelijk, maar ik ben in een boek begonnen van bijna 900 bladzijden. En zelfs ik heb daar even tijd voor nodig. Het boek is getiteld 22-11-63 en geschreven door Stephen King. Ik lees zelden romans, maar deze werd mij opgedrongen door mijn vrouw, die hem zelf niet gelezen had, maar toch wist dat het een boek voor mij zou zijn. En dat klopt wel, want ik vind het een spannend verhaal. Moest er de eerste 50 bladzijden even inkomen, maar nu ik de 200 gepasseerd ben zit ik er middenin.

Wat deze lezer enorm interessant vindt is de tijdreis die de hoofdpersoon kan maken. De tijdreis wordt verder niet verklaard, de mogelijkheid is er gewoon. Maar afgezien daarvan zijn er wel strikte voorwaarden aan de tijdreis. En natuurlijk is de bedoeling om in te grijpen in het verleden om het zo anders te laten verlopen, zodat wij er in ons eigen heden, nu, ook nog profijt van hebben. De schrijver moet met zoveel dingen rekening houden en hij mag geen fout maken, anders haak ik af. Dat tijdreizen wil ik hem vergeven, want dat schijnt theoretisch te kunnen volgens een zekere Einstein. Maar na die absurditeit moet het verder kloppen. Ik wil niet aan het einde blijven zitten met vragen of tegenstrijdigheden, zoals in films die ik niet begrijp. Want daar heb ik een hekel aan. (Het is wit en rond en geen pingpongballetje? Stiekem toch een pingpongballetje!) Maar ik mag toch verwachten dat dat wel aan King overgelaten kan worden?

Ga ik nu weer even verder lezen.

Bad moon rising

Ik mag wel zeggen dat ik een muziekliefhebber ben, maar ach, wie is dat eigenlijk niet? Mijn interesse is breed, mijn kennis is smal. Als ik muzikaal zou zijn, zou ik drummer willen zijn. Het lijkt me geweldig het ritme te mogen dicteren aan de band. En drummers kunnen zo schijnbaar moeiteloos inhaken bij om het even welke band. Een poosje geleden, bij de avondvierdaagse hier ter plaatse, speelde de fanfare. Een klein drummend donker meisje stond afgezonderd van de andere trommelaars tussen de blazers. Ze hakte er op los dat het een lieve lust was. Haar drumstokken ramden werkelijk boven alles uit en zij bepaalde het tempo. Ze had een houding alsof ze zeggen wilde: er wordt niet zonder mij gespeeld. Het was geweldig te zien hoe ze daar stond, ze kon de rest van haar lichaam met moeite stil houden, zo leek het.

Drummer dus, maar niet voor mij weggelegd. Ik zit vaak mee te drummen met mijn handen, maar ik raak geen enkel ritme. Ik hou geen maat en mijn handen kunnen niet in verschillende tempo’s bewegen. Jammer, maar zo is het. Bij de muziek die ik luister, luister ik vaak aandachtig naar de drums. Mooie roffels of pssjsses van de bekkens, ik ben er gek op. En wat ik helemaal mooi vind, is de afwisseling die ze af en toe in het ritme aanbrengen. Het zal wel een naam hebben die ik niet weet, maar elke drummer voelt aan wanneer hij even een paar maten anders moet slaan, liefst met een dreun op de bekkens erbij, om vervolgens weer strak het ritme te drummen. Geweldig.

Nu hoorde ik vanmiddag een nummer, waar dat volgens mij niet gebeurt, die afwisseling. Volgens mij is het van het begin tot het eind exact hetzelfde ritme. Oke, helemaal op het eind hoor je een extra klapje maar dat is om aan te geven dat het afgelopen is. Het is een nummer van Creedence Clearwater Revival met, zo lijkt het, de vaste begeleidingsband van Elvis Presley. Luister naar “There’s a bathroom on the right.” Een no-nonsense drummer. Rechttoe, rechtaan, als een boekhouder. Klopt het?

Vakantiehorror

Niemand had me al verwacht op kantoor vandaag, dus had ik deze week nog ongemerkt weg kunnen blijven. Maar als hoeder van de vakantie-en verzuimkaarten en geweten van het bedrijf zou dat niet van tevoren in me zijn opgekomen. Achteraf wel, maar achteraf kijk je een koe in haar kont. Ik vroeg een collega hoe zijn vakantie geweest was. “Kut”, zei hij luid en duidelijk. Nu bezigt hij vaak krachttermen dus heel veel indruk maakt dat niet gelijk, maar nadat hij het had toegelicht had ik toch enige medelijden met hem, hoewel ik weet dat dat in zijn geval absoluut niet nodig is, want hij heeft het veel beter dan hij beseft. Maar omdat hij het niet beseft vond ik het toch kortstondig rot voor hem.

Hij was met zijn vrouw en drie dochters drie weken naar Kroatië geweest, en afgezien van het weer was het hem daar zwaar tegengevallen. 1500 km aan één stuk gereden, uiterst onvriendelijke bevolking die klaar stond om je een poot uit te draaien, en de €3300,- die hij voor de stacaravan betaalde bleek wel erg netto. Voor veel dingen op de camping moest nog extra betaald worden en het zwembad ging tussen de middag, op het heetst van de dag, twee uur dicht. Een ijsje op de camping kostte 4 euro, terwijl hij verwachtte dat het in Kroatië stukken goedkoper zou zijn. Zijn vrouw had in haar onbenulligheid al hun paspoorten laten innemen door de campingleiding, iets waar hij pas achter kwam op een uitstapje naar Italië. Met veel stennis en gebluf dat hij advocaat was heeft hij ze teruggekregen.

Maar wat het meest zijn vakantie had verpest was de onophoudelijke ruzie tussen zijn puberdochters. Hij heeft ze uit elkaar getrokken, witheet toegesproken en uitgelegd dat hij het hele jaar keihard werkte omdat hij twee dingen belangrijk vindt: vakantie en goed eten. Dus geen vlees van de supermarkt maar van de slager. En nu hadden zijn dochters zijn vakantie verpest. Dochters een week huisarrest, en er gebeuren geen leuke dingen meer tot aan de wintersport. Dan kijkt hij hoe het gaat en als ze zich dan nog niet gedragen gaat hij volgend jaar alleen met vrouw en jongste dochter op vakantie en de oudste twee mogen dan op kamp.

Dus nu was hij niet uitgerust en gelijk was hij weer razend druk. Buiten de € 3300 stageld heeft hij in drie weken nog € 4400 uitgegeven. € 7700 naar de kloten. U hoeft dus niet over zijn financiële situatie in te zitten, hoewel hij de eerste is die bij me aan de telefoon hangt als het salaris een dag later is. Om vijf uur was hij weg, want zijn vrouw belde dat hij thuis moest komen. Hij is een doodgoeie vent, snapt alleen helemaal niks van het echte leven.

Bedelaars

Geregeld geef ik een kleinigheid aan een bedelaar. Zeker op vakantie in het buitenland, waar je er ook veel meer tegenkomt. Niet dat ik mij nobel voel als ik geef, want ik geef vanuit mijn rijkdom, niet vanuit mijn armoede. Maar ik heb vaak met ze te doen. Misschien zitten er oplichters tussen, maar daar zit ik helemaal niet mee. Ik ben ermee begonnen nadat ik tot inzicht was gekomen dat ik op het verkeerde spoor was gezet door iemand. Ik was achttien en keek tegen hem op. Nu veracht ik zijn mening en manipulaties en ook het feit dat ik hem geloofde. Nadat hij uit mijn leven verdween ging ik mijn eigen mening vormen. Een van de dingen die hij vertelde was dat je nooit aan het leger des heils moest geven omdat die de verkeerde mensen hielpen. In die tijd weigerde ik een keer te geven aan een heilsoldate en later heb ik mijzelf als straf opgelegd om maandelijks aan het leger des heils te geven.

In Engeland sloeg ik extra sigaretten in omdat daar veel om gevraagd werd door bedelaars. Er kwam er een vragen om een sigaret, die hij wilde delen met zijn makker, dus vroeg ik of ze er allebei een wilden. Nee zullen ze in zo’n geval niet zeggen. In Frankrijk gaf ik aan een man met één been en terwijl ik bukte viel mijn zonnebril in zijn pet. Vos lunettes, riep hij en gaf hem mij nobel terug, iets waarvan ik nog altijd denk dat hij dat terug kunnen doen minstens zo belangrijk vond als mijn gift. Het meest staat me een oud vrouwtje bij, gekleed in het zwart en gezeten bij de kathedraal van Straatsburg. Zodra ik haar zag, zag ze mij ook en keek me smekend aan. Toen ik naar haar liep en haar wat geld gaf sprongen er tranen in haar ogen en ze prevelde iets onverstaanbaars. Nog lang daarna had ik spijt dat ik haar niet meer gegeven heb.

En ook deze vakantie kwam ik ze tegen. Bedelaars met een hond, die doen het altijd beter, dus vergeet vooral de eenzame mannen niet. Maar ook op de terugweg bij een benzinestation op de péage stond er een voor de ingang van de shop. Ik vroeg me nog af hoe hij daar kwam, en of hij ook tol zou moeten betalen als hij eraf wilde. Misschien was hij wel een oplichter. Maar toen ik hem een euro gaf, kreeg ik een welgemeend merci beaucoup, dat zou een oplichter nooit uit zijn bek krijgen.

Maar oplichters of niet, ik ben rijk. Ik heb een schoon bed, een dak, en eten. Om één of andere reden hebben bedelaars dat niet, maar het is niet aan mij om daar een mening over te vormen. Ik ben blij dat ik het wel heb, en moet er niet aan denken zo door het leven te moeten. En zij waarschijnlijk ook niet. Dus geef ik ze maar van wat ik toch niet mis, dus niet nobel, maar misschien omdat ik anders met een schuldgevoel blijf zitten. Het is een verrotte wereld soms.

Sur le pont…

avignonAvignon, stad van de brug, ik kan hem ieder aanbevelen. Meer nog dan de brug die maar een halve, goed, driekwart brug is maken de stadsmuren indruk. Middeleeuwse stadsmuren om het hele centrum. Dus niet zoals bij ons als we een middeleeuws stadje aanprijzen waar een stukkie muur en twee kanonnen staan, nee om de hele stad staat een muur die met gemak de Duitsers buiten gehouden moet hebben in WO II. De Chinese muur zou er bijna bij verbleken. En dan het kasteel! Groter dan groot met een gouden beeld van Maria (?) er boven op. Palais des Papes heet het. Echt waar, in het vervolg zal ik het buitenverblijf van Maarten van Rossum wat de Cannenburgh heet nooit meer een kasteel noemen. Stel dat er een toerist komt die eerder in Avignon was, je schaamt je toch te pletter? Hetzelfde geldt voor onze boerendansers die een 19e eeuwse klompendans uitvoeren. In Avignon is op elke straathoek een riddergevecht en lopen prachtige jonkvrouwen door de stad. Nee, Nederland is fijn om te wonen en we voetballen leuk mee, maar we zouden het moeten sluiten voor toeristen. Avignon staat nu in mijn top drie van mooiste steden die ik ooit bezocht heb. Stockholm, Avignon, Londen, in die volgorde.

De brug zijn we trouwens niet op geweest ondanks dat ik eerst zei dat je niet Avignon kunt bezoeken en dan niet de brug op gaat. Toen we eindelijk de ingang gevonden hadden bleek je er 4,50 p.p. te moeten betalen. Zoveel hou ik ook weer niet van dansen.

Rijden in Frankrijk

Rijden in Frankrijk is anders dan rijden in Nederland. De wegen zijn spiegelglad, als in: niet hobbelig en slingeren zich door de bergen heen. Om een volgend dorp te bereiken moet je langs een berg en meestal leiden er verschillende wegen naartoe. Pak je een D-weg dan is het genieten. Je mag er 90 en nergens voel je de behoefte harder te gaan. Soms is het zelfs lastig die snelheid te halen. Het is schakelen en sturen, je bedient de auto zodanig dat hij het naar zijn zin heeft. Want als de auto het naar zijn zin heeft, dan hebben de inzittenden dat ook.
Als je de navigatie instelt op de kortste route komt het moment dat je een smal bergweggetje op gaat. Twee auto’s kunnen er niet passeren zonder dat er een in het ravijn stort. Haarspeldbochten naar boven, terug naar de eerste versnelling, uiterst wijd insturen voor het overzicht en dan weer snel naar binnen. Ondertussen zie je om je heen eindeloze stukken Ardèche. Iedereen geniet, maar papa het meest.

De heenreis is ook vakantie

De reis is ook vakantie, dat is het standpunt dat we elk jaar innemen, zo ook dit jaar. Maar dit jaar zit het niet mee. We rijden gezamenlijk met zwager en schoonzus en vertrekken een half uur later dan gepland. Het is druk op de weg en bij Nijmegen staat een vierdaagse file. Die weten we nog te ontwijken door over Eindhoven te rijden maar bij Maastricht is het voor de eerste keer raak. Eigenlijk wil ik al stoppen maar Linda vindt dat geen goed idee. Zij wil in Luxemburg stoppen omdat daar de sigaretten goedkoper zijn. Maar in het zuiden van België komt zwager naast mij rijden om aan te geven dat er geplast moet worden. We stoppen vlak voor Luxemburg voor een plaspauze. Terwijl zwager en Linda met de kinderen naar de wc gaan blijven schoonzus en ik bij de auto’s.
Een vrouw tegenover ons draagt een kind en struikelt. Schoonzus schiet te hulp en uit de auto waar ze bij hoort stapt een man met een zonnebril die ik ondanks zijn vermomming herken als Thomas Acda. Hij kijkt ons even aan maar groet niet. Hij kiept een fles water over het zere been van zijn vrouw en gebiedt haar in te stappen. Ze rijden weer door , zijn vrouw zwaait nog even naar ons. Ik zing een liedje over Herman in de zon op een terras.

Even later vervolgen ook wij onze weg om dertig kilometer verder in Luxemburg te stoppen voor benzine en sigaretten. Vanaf dat moment tot aan de Peage is het file. Voor de eerste keer valt Hans het mooie kerkje naast de snelweg bij Thionville op. Het kerkje dat er vroeger al stond en waarop mijn oma mij attendeerde toen wij vroeger naar Zuid-Frankrijk reden. Hans vond het een mooi kerkje, en dat is het ook, een mooi kerkje.

Niet veel later in de file voel ik een schok door de auto gaan. Linda denkt dat de auto afsloeg maar ik zeg dat er iemand tegen ons aan gereden is. En dat is ook zo. Een Franse jongeman heeft ons geraakt. Ik stap uit en bekijk de achterkant van de auto. De Fransman doet hetzelfde en begint wat krassen van mijn auto te vegen. De schade stelt niet veel voor, maar mijn auto is drie maanden oud en bovendien van de leasemaatschappij. Mijn kennis van de Franse taal is ineens weg en ik ga over in het Engels, een taal die de jongeman maar matig beheerst. Hij zegt dat het zijn fout was en stelt voor even iets op papier te zetten. Ondertussen blokkeren we de linkerrijbaan en ik stel voor op de vluchtstrook te gaan staan, maar hij zegt dat dat te gevaarlijk is omdat er precies op dat punt een oprit zit.
Het overige verkeer gaat ons rechts voorbij terwijl wij vluchtig het schadeformulier invullen. Een vrachtwagenchauffeur vraagt even later waar ik mee bezig ben maar ik roep in het Engels dat ik hem niet begrijp, waarop hij zich richt tot de Fransman die hem uitlegt dat het aan de kant te gevaarlijk is. Het schadeformulier wordt afgeraffeld en ik vraag hem om zijn gegevens en zijn handtekening en we vervolgen onze weg. Hij heeft niet eens een kopie gekregen. Bij de eerstvolgende parkeerplaats stoppen we weer want ik wil de leasemaatschappij bellen. Ik vraag Linda het nummer op te zoeken van mijn vaste contactpersoon maar ik geef haar de naam van de contactpersoon van drie werkgevers geleden. Normaal zou ik nooit zomaar op die naam gekomen zijn maar in stresssituaties werken mijn hersenen niet zoals ze zouden moeten. Ik moest diep nadenken over de juiste naam maar na tien seconden wist ik hem. Ik regel wat met hem en wederom vervolgen we onze weg.

Tot aan de tolweg blijft het langzaam rijden. Veel later dan gepland bereiken we het hotel in Dijon voor de overnachting. Natuurlijk hadden we de kinderen al verteld dat er een zwembad bij was, en daar hadden ze zich op verheugd. Nu moesten ze wachten tot de volgende ochtend. Merde! Voor het eerst vond ik de reis geen vakantie en Linda was het volmondig eens.