Het programma Boer Zoekt Vrouw heb ik werkelijk nog nooit gezien. Ik kan het mij tenminste niet herinneren. Net had ik het even aanstaan, en gelijk begreep ik weer waarom ik het nooit kijk. Ik hou van liefdesverhalen, maar twee vrouwen bij één boer die aardig tegen elkaar doen maar eigenlijk hopen dat de ander ter plekke sterft, daar hou ik niet van. Genant gewoon. Ik zapte snel door, maar beter wordt het nergens.
Mag volgende week naar Londen, leuk. Maar niet heus. Het maakt me gestrest en het verontrust me. Ik heb het altijd met vliegreizen. Het is geen vliegangst, het is reisangst en een tikje heimwee. Zoals de huisarts wel eens tegen mij zei, als je honderd jaar eerder was geboren had je geen probleem gehad. 1869 zou dat dan zijn. Volgens mij heeft hij gelijk. Ik haatte het vroeger al als de school iets verzon waardoor ik de veiligheid van de route tussen huis en school moest verlaten. Het zat in me, en het lijkt erop alsof ik het niet heb doorgegeven aan Hans, want die wil wel op schoolkamp volgende week. Dat is in elk geval fijn. In deze tijd kun je beter een wereldburger zijn, in plaats van een conservatief nationalist als ik. Als het aan mij lag, bleef het hele dorp altijd in hetzelfde dorp wonen. Maar nee, zo is het niet. Als je ergens aan gewend bent, verandert het, dat is een tegenwoordige wet. Ik verzuchtte vandaag nog: waarom ben ik eigenlijk niet in de supermarkt blijven werken? Daar had ik het naar mijn zin, en de enige reden dat ik er wegging, was omdat de maatschappij dat van mij vroeg. Dus inderdaad, 1869, de tijd van Scrooge, Dik Trom en van de zeilschippers. Van brede rivieren en oneindig laagland.
Gelukkig was daar net Floortje Dessing, redster in nood. Ze ging op bezoek bij een jonge Amerikaanse vrouw die in Thailand leefde en 50 dollar per maand uitgaf. Een hutje, een matras een klamboe en wat boeken, meer was er niet. Desondanks glimlachte ze doorlopend. Zij was echter al haar hele leven avontuurlijk. Dus ik blijf in mijn rijtjeswoning. Tot 2069, minimaal.

