Steevast na koningsdag raak ik in discussie met iemand, meestal mijn moeder, over het koningshuis. Ik ben niet tegen, zij is niet vóór. En wie niet voor is, is tegen, en wie niet tegen is, is vóór, aldus een groot profeet. Uiteindelijk kijken we beiden naar de poppenkast, want poppenkast is leuk. Ik begrijp de argumenten tegen nooit zo; soms is het een geldkwestie, soms gaat het over erfopvolging, soms is het jaloezie over de belastingplicht. Wat dat geld betreft, het kost niet al teveel en stel het onwaarschijnlijke geval dat we het wisten uit te sparen door het af te schaffen, dan garandeer ik dat de politiek het uitgeeft aan iets wat nog minder zin heeft. Het uitgespaarde geld komt in elk geval niet uw kant op. Erfopvolging, interessant, Amalia zal blij zijn dat ze straks het recht krijgt om de troonrede voor te lezen. En laten we de koning vooral belasting laten betalen van zijn door de belasting gefinancierde inkomen.
Maar zo vinden we allemaal wel iets, want dat krijg je in een land waar het geweldig gaat, dan ga je van meer dingen iets vinden. Wat ik dan ook vind is dat het werkelijk gênant is dat mensen langs de route staan te demonstreren en roepen “ leve de republiek.” Aanvoegende wijs. We hebben helemaal geen republiek. Roep dan, “weg met de koning” of zo. Over het algemeen hou ik niet van demonstranten. Ik weet niet wat dat is. Het zal komen doordat het woord demon erin zit. Ze maken niet de juiste emotie in me los en vaak kies ik partij voor hetgeen waartegen ze demonstreren. Niet dat dat wel iets uithaalt, maar in mijn hoofd zal het ze leren, die pretbedervers. Als je pret wilt bederven doe het dan goed en gebruik molotov cocktails, maar dat vastgelijm zouden ze moeten bestraffen met vast laten zitten.
Goed, demonstreren is een grondrecht, en morgen, tijdens dodenherdenking kunnen we onze borst weer natmaken. Ik zit toch de denken aan een lichte inperking van dit grondrecht. Niet tijdens dodenherdenking, anders kunnen we straks nog meer doden herdenken.