Bella Italia

Naast mij, schutting ertussen, zitten de buren hun vakantieplannen te bespreken. Italië gaat het worden. Veel mensen gaan graag naar Italië, maar ik niet. Ik spreek immers geen Italiaans. Ik vind het een prachtig land, maar iets klopt er niet. De mooiste auto’s komen er vandaan, dat staat buiten kijf, maar er is toch iets wat me tegenstaat: het Italiaanse eten. Ja, natuurlijk, lasagna, spaghetti en macaroni met balletjes lust ik graag, maar wat komt er ook een hippe shit vandaan zeg! De namen ervan staan me al meer tegen dan de smaak. Neem me de spelfouten even niet kwalijk, maar Latte Macchiato, Pesto, Cappuchino, Ayoli, Mozzerella, Risotto, Spinata Romana, Tiramisu… Als ik het hoor heb ik al gegeten en gedronken. Ik weet zeker dat als het niet zo mooi had geklonken, niemand het had gevreten.

Dat is helaas ook Italië, die taal, die hartstocht, die emotie, die muziek, dat wil iedereen wel terwijl het lang niet voor iedereen is weggelegd. Voor mij niet in elk geval. Als mensen mij horen zeggen dat ik even sta te genieten van een geurige kop Latte Macchiato, schieten ze in een lachstuip. Dat past toch helemaal niet? Ik drink gewoon koffie. En ik eet spikkeltjesworst, geen Spinata Romana.

Polo

Er was ooit een meisje dat ik een keer thuisbracht na een feestje. Het waren de jaren tachtig, je liet een meisje niet alleen door het donker fietsen. Oké, ik vond haar wel oké, maar niet meer dan dat.
Nu is het dertig jaar verder, en het meisje werkt in een kledingwinkel. Ze vindt mij aardig, dat voel ik, maar ze heeft geen idee meer dat ik haar ooit thuisbracht. Dat geeft niet en ik vertel het haar ook niet. Maar altijd als ik in de winkel kom lacht ze vriendelijk en komt ze me helpen. Al een aantal jaren gaat dat zo. Ik kom helemaal niet meer in de stad voor mijn kleding.

Toch heb ik een klein probleem. Ze vleit me met haar verkooptactiek en ik ben daar ongevoelig voor. Eh, nee, eigenlijk niet, ik neem alles aan wat ze zegt. Zo verkocht ze mij gisteren twee polo’s. En het gaat dan om de maat. Zij zegt dat het L moet zijn, want zo’n polo moet niet te wijd zitten volgens haar. Ook niet te strak, en ze gaf me een L. Ik had hem aan en ze bekeek het geheel, deed haar handen onder mijn polo, zei dat je hem zo iets wijder kon maken, en zette haar nagels in het shirt en maakte het wat wijder ter hoogte van mijn borst. (ik verzin dit niet) Ze keek goedkeurend en zei dat ik deze prima kon hebben. Ik was mooi lang en slank volgens haar, u begrijpt, ik nam de polo. En niemand die me gelooft natuurlijk, maar ze heeft het goed met me voor.

Vanochtend trok ik hem aan en mevrouw Mack keek verschrikt. Die is wel kielekiele hoor, qua lengte. Na één keer wassen gaat dat weer fout. Bovendien, ik vind dat niet mooi zo strak om je lijf, je bent ook niet meer zo strak als vroeger…. U begrijpt, ik ga de polo ruilen. Ik voelde natuurlijk instinctief aan dat mijn vrouw gelijk had. Ik wist het in de winkel eigenlijk al wel. Het moet gewoon XL zijn, zoals ik in de jaren tachtig ook al droeg.

De positiviteitsgoeroe

We moeten tegen middelmatigheid strijden, vond, hoe kan het ook anders, een positiviteitsgoeroe. Ik vind dat we tegen positiviteitsgoeroe’s moeten strijden, hoewel ik het idee heb dat ze al bijna uitgeroeid zijn. Dit was overigens een heel middelmatige. Middelmatigheid wil zeggen dat je niet opvalt. Niet in positieve en niet in negatieve zin. Dus je bent al beter dan al die mensen die in negatieve zin opvallen, maar dat wordt gemakshalve even vergeten. Je bent beter dan al die aanslagplegers, moordenaars, dieven, belastingoplichters, hoerenlopers, vreemdgangers, milieucriminelen enzovoort. Ik vind het al heel wat. Stel, je bent een man, een vrouw en je bent twee kinderen. Je hebt een golden retriever en een stationwagen en je gaat elk jaar met je gezin op vakantie en je denkt soms: is dit alles? Dan is dat uitstekend! De enige reden waarom je dat denkt is omdat de goeroe je dat heeft aangepraat. Mijn opa dacht dat nooit hoor, in die tijd was je veel te druk om middelmatig te zijn. Bovendien, wat zo’n positiviteitsgoeroe vergeet -maar daarom is het ook een middelmatige goeroe- is dat er ook middelmaat moet zijn, als referentiekader voor de extremen. Een goed goeroe had daar gelijk voor gewaarschuwd, dat we niet allemaal een extremist kunnen zijn.

Als we allemaal rijk zijn, wie is er dan Jan Modaal om ons aan te spiegelen? Hoe weten we dat we rijk zijn? Als we allemaal succesvol zijn, hoe weten we dat dan? Als ik een goede deal sluit, maar iedereen sluit een goede deal, dan is het gewoon een middelmatige deal geworden. In de oorlog overleefde je alleen als je middelmatig was en dus niet opviel. Hoe kan het dan toch dat een positiviteitsgoeroe ons wijs probeert te maken dat wij ontevreden moeten zijn? Omdat ze zelf niet tevreden zijn natuurlijk, en ons dat ook niet gunnen. Het is gelukkig al lang geleden dat ik er eentje in het echt ontmoet heb. Ik heb toch het idee dat hun piramidespel inmiddels is doorzien. Volgens mij moet je wel een heel middelmatig bedrijf zijn, wil je nog een positiviteitsgoeroe uitnodigen. Maar op internet zie je er nog af en toe eentje voorbij komen die zich probeert te onderscheiden met wijs klinkende levensdomheden. Ik heb er genoeg tegen gestreden in het verleden. De goeroe is bijna dood. Maar we moeten waakzaam blijven. Extremen zijn prima. Middelmatigheid is prima. Alleen goeroe’s die je wijs maken dat jij beter kunt worden dan al die anderen, die moeten onder de grond.

Kater

Toen ik naar bed ging had ik het kunnen weten, maar toen ik wakker werd wist ik het, ik had een kater. Een ouder-kind tournooitje bij voetbal, waarin ik tegen mijn dochter moest, zij wonnen, ik scoorde tegen m’n keepstertje, en daarna waren het koude tapbiertjes de rest van de avond. Geen enkele keer bij nagedacht dat je af en toe een glas water moet drinken tussendoor, want er lijkt niets mis te gaan.

Toen ik mijn tong niet meer helemaal onder controle had bij het praten was het me duidelijk, ik had teveel op. En toen gingen er nog een paar in. Op de fiets naar huis fietste ik voorop en de rest van het gezin achter mij. Vooral mijn dochter was bezorgd en maande iedereen om te stoppen met tegen mij te praten omdat ik op de weg moest letten. Verstandig kind, ik heb het altijd al gezegd. Ik zwabberde een beetje, raakte met mijn trapper een stoeprand, miste een afslag en reed tegen onze poort aan. Daarna viel ik van mijn fiets.

Ik ben naar boven gegaan, heb me uitgekleed en ben in bed gaan liggen. Niet gedouched, geen tanden gepoetst, gewoon bam, stinkend je bed in. En toen ik wakker werd wist ik het. Ik had een kater. En een bloeddoorlopen oog. Maar ik ben er weer.

Losse flodders

Het spannende avontuur is ten einde. De gevonden munitie is zojuist afgeleverd bij en in beslag genomen door de politie. Laat ik vooropstellen dat ik vind dat de politie prima werk levert. Zo nu en dan. Maar ik weet nog vroeger dat ze recruteerden met de kreet: ‘als je mond je sterkste wapen is’.

Communicatie is in elk geval niet hun sterkste wapen. Dat gaat gewoon geen enkele keer goed. Ik zocht het nummer van de politie Epe op hun site en belde het. Ik legde uit dat we munitie hadden gevonden, dat ik in Vaassen woonde, en mij werd verteld dat ik nu met Utrecht belde en dat ik dus verkeerd zat. Ik sputterde tegen dat ik gewoon het nummer van Epe belde, maar mevrouw was onvermurwbaar en herhaalde: “ja, verkeerd, maar geeft niks, ik verbind u wel even door”. Dan ben ik natuurlijk al geirriteerd want mij wordt een fout in de schoenen geschoven die ik niet gemaakt heb.

Ik krijg de volgende aan de lijn. Ik vertel wie ik ben en waar ik woon, en of ik nu goed zit. Ja, ik zat goed. “Mooi, wij waren afgelopen weekend in Drenthe en zus en zo”…”Moment, ik verbind u even door met de politie Drenthe”. Voordat de man dat kon doen floot ik hem terug en zei dat ik niet de politie Drenthe wilde hebben, maar dat ik wilde weten wat ik met de vondst moest doen. Nou, dat wist de man ook niet, maar hij zou me laten terugbellen.

De volgende dag werd ik teruggebeld door een mevrouw en ik legde uit dat ik een kogelriem had gevonden. Of er nog kogels inzaten, vroeg ze. Daar was mijn ergernis weer. Ten eerste zou ik een lege kogelriem niet herkennen of melden en ten tweede had ik dat al twee keer verteld. Ik legde uit dat het losse flodders waren, maar nog niet afgeschoten -dat had ik inmiddels achterhaald- en dat die gevaarlijk waren. “Ja, dat weet ik niet, ik heb er helemaal geen verstand van”, zei de agente. Maar of ik dan langs kon komen op het bureau, en dat er dan eventuele inbeslagname zou volgen. Maar, daar werd wel de nadruk op gelegd, ik moest niet om vijf voor vijf komen, want om vijf uur sloten ze. Dus ik moest vroeg uit mijn werk vertrekken, zodat een dienstdoende agent niet tien minuten hoefde over te werken. Ergernis, ergernis.

Vandaag meldde ik mij met Hans op het politiebureau, om een uur of kwart over vier, en de dienstdoende agente wist nergens van. Ze was wel vriendelijk, dat moet erbij gezegd worden. Of ik een afspraak had gemaakt. “Nee”, legde ik uit, “ik ben gebeld met het verzoek of ik langs kon komen op het bureau”. Ze bekeek de kogels en ik zei dat het waarschijnlijk ongebruikte losse flodders waren. “Ja, dat weet ik niet, ik heb er helemaal geen verstand van”, zei ze. Ergernis, ergernis. Je bent potverdorie politie, je draagt een wapen, dan weet je toch wel hoe gebruikte en ongebruikte kogels eruit zien?

Ze liep naar achter en daar hoorde ik een gesprek met een hardpratende agent die wel gelijk zei, “het zijn losse flodders van het leger en die moeten in beslag worden genomen”. De agente kwam de boodschap overbrengen en vroeg bezorgd of ze ons wel verteld hadden dat in beslagname moest gebeuren?

Pff, het zijn hartstikke aardige mensen hoor, die agenten. En dat ze slecht communiceren, oké, oké, het zal wel, dat ze weinig verstand van kogels hebben vind ik opmerkelijk, maar dat ze zich godsamme drukker maken dat er niet overgewerkt moet worden dan dat ze mij gelijk instrueren hoe om te gaan met niet afgeschoten losse flodders, dat tekent voor mij toch wel een beetje de staat van het land. Kansloos als we aangevallen worden.

De sterke arm

We zijn weer thuis, ik had de afstand Schubbekutteveen-Vaassen afgelegd in een half uur minder dan de navigatie van te voren aangaf, en dat is fijn. Ik hou ervan om het ongelijk van Koos Spee aan te tonen met zijn slappe verhalen dat hard rijden je geen enkele tijdswinst oplevert. En zo hard ben ik helemaal niet gegaan, want mijn vrouw zat naast me en die haat het als ik hard ga. Ik neem dan ook altijd een auto waarbij het dashboard naar mij toegedraaid is zodat ze niet op de meters kan kijken.

Hans heeft tijdens het zwemmen in het kanaal een kogelriem gevonden. Of het losse flodders zijn of scherpe munitie weet ik niet. Volgens mij zijn ze afgevuurd, maar volgens mijn buurman niet, en die heeft in militaire dienst gezeten. Ik denk dat ik morgen toch maar even de politie bel, hoewel ik nu al bang ben als nukubu (politiejargon voor nutteloze kutburger,red.) toegesproken te worden. Ik haat dat.

Als ze dit logje lezen, kunnen ze me gelijk inrekenen voor te snel rijden en voor het illegaal vervoeren van munitie in plaats van achter de crimineel aan te gaan die zijn munitie gedumpt heeft. U hoort, ik heb geen hoge pet op van de politie. Sinds ze VW’s rijden, hebben ze ook dat betweterige toontje dat ik verafschuw. (weet u wel hoe wij dit soort auto’s noemen? Boomklevertjes!) Alsof mij het iets kon schelen hoe zij een auto noemen. Vroeger toen ze nog Porsches en snorren hadden, spraken ze de burger tenminste nog in meervoud aan. Waarom hebben wij zo’n haast, meneer? Kijk, dat was pas de sterke arm der wet.

Old Shatterhand

Weinig dingen zo mooi als je eigen vuurtje stoken. Ik ben er nu achter dat ik ook een houtkachel in mijn tuin wil. Of een vuurkorf, of hoe zoiets ook heet. Mijn vrouw deed de kachel gisteren aan met aanmaakblokjes. Typisch vrouwelijk. Snel resultaat willen zien en het ambacht van het vuur maken uit het oog verliezen. Aanmaakblokjes, pfff.

Hoewel ik geen ervaren vuurmaker ben, zit het wel in de man en weet ik precies hoe het moet. Vroeger als kind deed ik het wel eens, maar dat was broddelwerk, met krantenpapier. Hier zette ik wat dunne twijgjes tegen elkaar in de vorm van een wigwam, een dikkere tak in het midden, en wat gedroogd hooi bij de hand. Twee stokjes tegen elkaar aan wrijven net zo lang tot ze beginnen te roken, en dan het hooi erbij, en blazen. Als het heet genoeg is, vat het vlam. Het vlammende hooi in de houtkachel en hoppa, daar is uw vuur.

Nou ja, dat is de theorie. Maar aanmaakblokjes heb ik niet gebruikt. Een aansteker dan, vooruit. Maar ik heb dan nu ook een heerlijk, knappend mannelijk vuurtje. Op de achtergrond wat zachtjes briesende paarden. Hun hoefgetrappel is het enige geluid. Ik waan mij Old Shatterhand in Drenthe.

Het buitengebied

Wij zitten weer een paar dagen in Drenthe. Een huis in het buitengebied, met paarden, kippen en een poes die verzorgd moeten worden. In ruil daarvoor zitten wij nu buiten in het launchgedeelte, houtkachel aan, te genieten van de stilte. Een paar merels fluiten de dag uit, nog en half uurtje en het zal hier aardedonker zijn, en kunnen we de sterren zien zoals je ze zelden ziet.

Zwaluwen vliegen hier af en aan de paardenstal in, de hond, die geheel toevallig net zo heet als de eigenaresse van dit huis, bemoeit zich overal tegenaan, en de kippen gaan hun eigen gang. Daar hoef je weinig aan te doen en ik heb al gevonden waar ze hun eieren leggen, dus die zullen we morgenochtend maar eens proberen.

Sommige mensen wonen hier voor hun lol. Het hele jaar lang. We hebben hier ook al wel eens in de winter gezeten. Ook dan is het hier prachtig. En toch weet ik het niet, of ik hier het hele jaar zou kunnen wonen. Boodschappen doen is vijf kilometer verderop. Er komen per dag 10 auto’s door de straat. Als je hier geboren bent, weet je niet beter. Maar dat ben ik niet. Ik vrees toch dat dit soort vakanties voor mij een uitzondering moet blijven. Dat mijn waardering dan het grootst blijft.

Na gedane arbeid

bloemen

Het was een zomaar een zondag, maar wel een die dicht tegen perfectie aanzat. Ik was niet te laat naar bed gegaan, en werd fit wakker om een uur of negen. Ik deed veel, zonder echt moe te worden. Zo heb ik de boormachine moeten hanteren en hangt de tuin nu vol bloemen en heb ik nieuwe tuinposters opgehangen omdat de oude nogal verschoten waren. Ik heb de barbecue schoongemaakt, met vijl en ontvetter, ik heb mijn auto gewassen en gestofzuigd, ben twee keer met de hond naar het bos geweest, en al die tijd scheen de zon.

Na gedane arbeid is het goed rusten. Niet zomaar een spreekwoord, er zit zeker waarheid in. Dan moet het natuurlijk wel over arbeid gaan die je voor jezelf verricht en niet voor een baas, maar dan kun je ook tevreden kijken naar je opgeknapte tuin, je schone auto, het glimmende rooster van de barbecue, of zelfs de tevreden op een tuinstoel liggende hond.

Oud

Nu ik wat ouder ben (47, red.) heb ik ook wat blijvende lichamelijke schade opgelopen. Mijn haar ging er als eerste aan. Ik was 27 en verdorie, daar ging mijn kans om een knappe oude man te worden al in rook op. En het lijkt wel of het de voorzienigheid was die me in de steek liet, want net toen ik het nodig had, verdween het. En toen ik het niet meer nodig had, bleef het zitten. Dus ik loop met een uitgedund bosje rond, al vanaf mijn 27e.

Net toen ik er aan gewend was en de hoop kreeg dat het niet erger zou worden, hoorde ik iemand zeggen: jij wordt ook al grijs! Klap op klap heb ik te verduren gekregen. En grijs kan wel mooi staan, zie George Clooney, maar niet als je ook al kaal bent.

Ik begon voor het eerst gaatjes te krijgen, ik was verdorie al veertig geweest! En nu begeven mijn arendsogen het. Lezen uit een boek doe ik al met een leesbril, de rest gaat nog wel zonder. Ik heb na twee hernia’s een kramp in mijn linkerbeen overgehouden, die er op momenten dat het niet uitkomt, inschiet.

Ik maak van binnen geluiden. Als ik lig hoor ik mijn vrouw soms lachen om mijn geluiden. Ik kan ze niet wegkrijgen, behalve door op mijn andere zij te gaan liggen, dan gaat het weg. Iets met lucht. Plassen. Laten we het daar niet over hebben, maar alleen als ik flink bier heb gezopen kletter ik nog keihard tegen het porselein. Verder wordt het genant en moet ik er minimaal één keer uit ’s nachts.

En dan zegt de leuke kapster altijd tegen me dat ze me helemaal niet oud vindt. En dat helpt echt! Ik voel me dan weer groeien en denk dat ik nog heel wat klaarspeel. Totdat ik in bed lig en de lucht in mij weer rare geluiden begint te maken en mij eraan herinnert dat de kapster geen gelijk heeft. En dat ik me vooral niks in mijn hoofd moet halen, anders gaan er nog veel meer genante klachten optreden.