Eunice

Zo’n storm, daar hou ik niet van. Het hele land in rep en roer, alarmmeldingen op mijn telefoon, blijf binnen! Ik trek me er echt niks meer van aan hoor. In 1986 moest ik binnenblijven vanwege de kou en de wind. Ik fietste naar school, regenpak tegen de kou, niks aan de hand! En het was 15 graden onder nul.

In januari 1990, ik woonde in dezelfde wijk als nu, ik liet de hond uit en onderwijl waaide de plaatselijke tennishal weg. Ik zag de bomen zover buigen dat ik dacht: heftig. En nu? Binnenblijven! Mooi niet hè? Na een absolute kutdag op mijn werk was er hier een noodgeval. Hans, die net een week op de kazerne was geweest, had afgesproken met vrienden in Epe. Ik zei dat hij moest gaan fietsen, maar dat zit er niet in bij de huidige generatie commando’s. Ik moest hem dus brengen. Linda vond dat Hans en ik niet moesten gaan, maar zij begrijpt de nood niet. Bovendien zeg, laat mij niet lachen!

Ik stuurde mijn auto behendig langs afgevallen takjes, soms reed ik er overheen, en eigenlijk was het perfect om te rijden. Niemand op de weg, dus ik kon de rode lichten negeren. Honderd meter verder stond wel politie, dus het kon toch weer niet. Gelukkig waren ze te druk met een buitenlandse auto om mijn burgerlijke ongehoorzaamheid op te merken.

Nadat ik Hans had afgezet besloot ik binnendoor terug te rijden. Tussen de bomen door. Irritant gedoe! Het moet eens afgelopen zijn. Nog nooit ben ik naar school gebracht vroeger. Een storm als deze werd niet eens gemeld. Laat staan dat ze een naam kreeg. Tegenwind, zo noemden we dat. Ik kan me erover opwinden.

Nokvol, nokkenassen en nokken nu!

Werk, auto, gameverslaafd. Die dingen hielden me de afgelopen tijd in mijn greep. Het eerste had mijn verplichte aandacht, je houdt je niet voor je lol bezig met een softwaremigratie. Het tweede had mijn vrijwillige aandacht. Ik wil graag een keer in mijn leven een snelle BMW. Ik heb niet heel veel met het merk, maar BMW levert de auto die ik zou willen. Een BMW 530 of 540, dat lijkt me wat. Maar ondertussen durf ik het niet aan, en rij nog steeds de Renault die ik al vijf jaar heb.

En die gameverslaving, daar is de tijd in gaan zitten die ik nog over had nadat die andere twee me volledig in de ban hielden. Ik heb een paar weken geleden een spelletje op mijn telefoon gedownload, Woodoku. Dwangmatig blokjes leggen totdat je in slaap valt. Ik heb een indrukwekkende highscore die ik waarschijnlijk nooit meer ga verbeteren. Tot half twee ‘s nachts legde ik soms combinaties.

Ik roep van mezelf dat ik niet gevoelig ben voor verslavingen maar dat klopt niet. Ik ben het wel. Er komt alleen onvermijdelijk een punt dat ik zeg: tot hier en niet verder. Dan kom ik tot mijn zinnen. En dat punt is nu gekomen. Met mijn heroïneverslaving was het zo dat dat punt kwam net voordat ik eraan dacht het te gaan gebruiken. Maar mijn dropverslaving steekt de kop op zodra ik drop eet. Dan gaat het gelijk mis. Hallo, ik ben Mack, ik ben dropverslaafd. Hallo Mack.

Eigenlijk twijfel ik of het wel verstandig is om geen verslaving te hebben. Straks sterf je nog aan iets onverklaarbaars? Dat je zoveel offers bracht, zoveel wilskracht toonde om die niet deugende en destructieve verslaving de kop in te drukken en in plaats daarvan elke dag de krant las zodat je op de hoogte was van wat er in het land speelde in plaats van dat je volledig lam op de bank naar je favoriete muziek lag te luisteren.

Als ik nog lang wacht is het straks 2030 en moet ik aan de elektrische auto. Nooit meer een lekke koppakking. Nooit meer jaren met een uitlaat doen. Geen distributieketting meer. Geen nokkenassen, klepstoters of versnellingsbakken. Slechts windturbines en veganisten. Om de wereld te redden, die ik volledig kapot heb gemaakt, dat wel.

Vooral doorgaan

Nog geen jaar geleden had mijn zoon het aan de stok met Marc over een gebaar dat hij naar hem maakte. Hans vond hem een rukker. Marc pikte dat niet en kwam op het schoolplein verhaal halen. Ik zei destijds niet om welke Ajacied het ging, maar omdat hij nu zijn reputatie toch heeft verkloot, kan ik nu wel melden dat Hans dat destijds al goed in de smiezen had.

Verder had hij vandaag een zware training op een kazerne waarna hij mij appte met de woorden: ik ben dood. Iets met balken sjouwen en ermee in een boom klimmen en andere nuttige dingen die het de vijand dun door de broek laat lopen. Toen hij thuiskwam riep hij in zijn gebruikelijke stoer-komische toon: kamp van Koningsbrugge, hoomoos. Hij was in elk geval zo slim geweest om niet uit de oefening te stappen toen de instructeur aangaf dat degenen die moe waren mochten stoppen. Dat kwam ze op een scheldkanonnade te staan en voorligsteun plus opdrukken. Hij had de blaren op zijn voeten staan maar stoppen was onverstandig. Ach, best stoer van hem, al lag hij om negen uur al te slapen. Je moet ze trouwens de kost geven die zich vandaag ziek gemeld hadden, of een positieve zelftest hadden gedaan. Zijn mentor wordt erdoor tot wanhoop gedreven. Ik vind het ook raar, je meldt je vrijwillig aan voor een opleiding bij defensie, maar als het zwaar wordt geef je niet thuis. Met zo’n instelling word je natuurlijk zo overlopen door de vijand.

Kijk, ik werd ook zo opgevoed vroeger. Ik moest ook altijd door en zomaar ziek melden was er niet bij. En dan werd er ook verteld dat je het met zo’n instelling van om de haverklap ziekmelden het niet zou redden. Maar ik kwam op kantoor terecht. Daar bleek je het prima te kunnen redden als je de kantjes eraf liep! Wat zeg ik? Met een beetje hielenlikken en wat verraad kon je heel ver komen.

Mijn opvoeding was harder, afstandelijker en erop gericht om me zelfstandig te maken. Tevergeefs. Ik snap nog steeds niet hoe de trein werkt. Bij Hans werd hem alles uit handen genomen, als een kind van deze tijd. Dat pikte hij niet en slaat nu keihard terug door gewoon door te gaan.

Aanpakken

Linda is zeer binnenkort jarig en wordt 50. Toen ik haar leerde kennen was ze nog 29. Ze had nog geen kunstheup en geen kunstknie, ze had haar galblaas nog, ze had nog geen hartinfarct gehad en ze stond nog niet op de wachtlijst voor nog een kunstheup. Ik daarentegen, ben nog perfect. Nou ja, voor mijn leeftijd dan. Oké, van 52-jarigen zijn ook nog betere exemplaren te vinden, maar dan moet je goed zoeken.

Maar daar gaat het verder niet over, het gaat over haar verjaardag. Een verjaardag als alle anderen. Er moesten wel cadeau’s komen. Daarom reed ik vorige week naar Dirkshorn, dat zou 95 km ver zijn volgens marktplaats. Maar dat was het niet, het was 155 km. Maar goed dat ik een moddervette diesel heb, die kachelt daar zo even naar toe. Maar de kinderen! Die hadden natuurlijk niks geregeld, en wij nemen dat onszelf kwalijk want onze kinderen zijn lapzwansen. Lieve lapzwansen weliswaar, maar wel lapzwansen.

Kijk, hadden ze nu online iets gekocht, uit zichzelf, dan vond ik het prima. Of ze zouden precies weten wat mama wilde hebben en bestelden het dan, ook goed. Maar nu ging het als volgt. Tammar ging snel naar de Etos site om luchtjes te bestellen. Toen ik zei dat je luchtjes wel even zelf moest ruiken, ging ze zoeken naar een boek. Linda krijgt elk jaar een boek en een luchtje van ze. Omdat Linda geïnteresseerd is in de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog, vroeg Tammar aan mij of ze “Het Achterhuis” al had. Ja, dat heeft ze. Al twee keer. “Oh, en deze dan: ik ontsnapte uit Auschwitz.”

Ik legde Tammar uit dat het zo niet werkt, dat ze best moeite mag doen om een cadeautje voor haar moeder uit te zoeken, en ik stelde voor om naar de stad te rijden. “Moet dat? Ik ben heel erg moe. En ik moet nog leren!” Met Hans ging het al niet veel beter. Ik zei tegen hem dat we naar de stad gingen om een cadeautje te kopen. Hij had al afspraken, was het antwoord. “Ik fiets dinsdag wel naar de boekhandel,” zei hij. Ik zei dat hij dan dikke, vette pech had, want dat had hij eerder moeten regelen.

We gingen dus naar Apeldoorn, maar Tammar vond dat ze vet haar had en vroeg of ze nog even snel mocht douchen. Als ik het geweten had had ik nee gezegd, want even snel betekent niet dat ze in tien minuten klaar staat, het heeft zeker drie kwartier geduurd. Douchen, föhnen, opmaken, gewoon niet normaal. Een hoop gezeik, gedram en boze gezichten.

Uiteindelijk gingen we naar Apeldoorn, Hans heeft Tammar constant verteld dat hij zich schaamde om naast zo’n lelijk kind met vet haar te lopen, en daar moest ze weer om lachen. “Hans, weet je wel dat niemand jou mag,” antwoordde ze. De sfeer werd een stuk beter, ze moesten lachen om mijn opmerkingen richting een dommige verkoopster, en alletwee zochten ze een cadeau uit. En deze keer geen boek of luchtje maar iets waar ze over nagedacht hebben. Ze waren er tevreden over. Aanpakken dat tuig.

Gedesoriënteerd

Omdat ik de Noord-Veluwe inmiddels uit mijn hoofd ken, ben ik altijd op zoek naar nieuwe wandelroutes. Nog niet eenvoudig, want voor de hond moet het ook leuk zijn, dus ze moet wel op sommige stukken los kunnen lopen. Meestal begin ik op het zelfde stuk en ga na twee kilometer het bos in. Vaak kom ik dan langs een huis, midden in het bos, waar ik best jaloers op ben. Op de bewoners dan, want ik weet niet of je jaloers op een huis kunt zijn.

Ditmaal liep ik verder en nam een pad dat ik nog niet eerder genomen had. Althans, dat dacht ik want na een klein stukje zag ik toch weer iets bekends. Ik was nu zeker een of twee kilometer oostelijker dan waar ik normaal loop. Ik ging rechts omdat ik links al eens geweest was, en rechts was een uitdagender paadje. De normale route die ik vaak loop is een kilometer of zes, nu was ik zeker nog vijf kilometer van de auto verwijderd en had er al vier opzitten. Ik kwam op de driesprong en zag dat waar ik in wilde, een bordje stond met “niet betreden”. Ik sloeg een ander pad in en zag waarom ik dat andere pad niet in mocht. Hier stond ook een huis midden in het bos. Het perceel was omheind met stapels dennentakken, en op een plekje waar ik er doorheen kon kijken stond weer een bordje met “niet betreden”. “Zouden deze mensen weten dat er twee kilometer verderop ook een huis in het bos stond, “dacht ik. Ach ja, natuurlijk weten ze dat en ik liep verder. Dit huis had wel iets weg van het andere huis vond ik, maar het was toch anders. Het had een soortgelijk pad erlangs lopen, met zo’n bocht erin. Alleen dit huis stond anders ten opzichte van de bijgebouwen en dit had een groen grasveld. Toen ik er voorbij was zag ik dat het bos ernaast ook hetzelfde leek, en ik begon me af te vragen of het niet hetzelfde huis was, wat helemaal niet kon want daar was ik zeker een kilometer van verwijderd. Als er daar nu straks ook een stoel staat, dan….

De stoel stond er, en nog was ik niet overtuigd. Pas toen ik een jong dennenbos zag, snapte ik dat dit hetzelfde huis was, ik liep er alleen in tegenovergestelde richting langs, daarom kwam het me allemaal vaag bekend voor. Hoe het kon dat heel ergens anders was dan waar ik dacht, daar snapte ik niks van. Ik had gedacht nog zeker vijf kilometer terug te moeten, maar nu hoefde ik nog maar de helft. Ik bleef me er over verbazen. Was ik door een wormgat gelopen, liep ik in een parallel universum nu, of zoals ik ook vaak redeneer: something wrong with the Matrix?

Nietsnut

Steeds als je denkt dat hij niet stommer kan worden, slaagt hij daar toch in. Een nieuwe headset voor z’n PlayStation had hij gekocht. Z’n moeder dan, want controleren of het ding geschikt is voor z’n PlayStation snapt hij niet. Ik wist niet eens dat hij zo’n ding gekocht had, maar zojuist worden we ermee lastig gevallen. Hij doet het niet!

Linda vraagt aan mij of ik wil gaan kijken, maar daar heb ik geen zin in om tien uur ‘s avonds. Dus volgt de gebruikelijke tactiek, mij het lezen onmogelijk maken door in zichzelf te gaan praten over die headset, totdat ik maar opsta en ga kijken. Zeventien jaar getrouwd vandaag, dan krijg je dat.

Ik constateer dat er maar een ingang is waar de plug in kan, en dat werkt niet. Dan hoor je alleen z’n mede-player schelden en vloeken, alsof de var zojuist wederom een doelpunt van Ajax goedkeurt dat afgekeurd had moeten worden wegens het zich buiten het veld bevinden van de bal. Ik vraag waar de handleiding is, dat weet hij niet. Die heeft hij, gelooft hij, weggegooid omdat die dingen het altijd zo doen. Hij zit op YouTube te luisteren naar een Amerikaan die zijn headset beoordeelt, maar hij begrijpt er niks van.

Hij gaat maar naar zijn moeder omdat die goed Engels kan. Onderwijl gaat hij bij het oud papier zoeken naar de gebruiksaanwijzing en komt even later terug. Hij snapt het al, en laat een plastic verpakking zien met essentiële onderdelen die hij weggeflikkerd heeft. Wat een mongool! Schaapachtig loopt hij weer naar boven en appt even later dat hij het weer doet.

Als ik de hond uitlaat zie ik hoe hij het oud papier heeft achtergelaten. Ik scheld hem uit. Nietsnut! Hij lacht erom. Hij moet straks het land verdedigen. Zucht.

Urk

Er is best wel weer leuke televisie tegenwoordig. André van Duin en Jannie op hun bootje, mensen die hun droomhuis zoeken, kamp van Koningsbrugge, vrouwelijke truckers, maar vooral Urk.

Godsamme, wat ben ik jaloers op Urk. Een keer per week een visje en je wordt nooit ziek, elke Urker kan morgen de minister president vervangen en ze spreken een haast onverstaanbaar taaltje dat ik qua klanken al aardig onder de knie begin te krijgen. En ik bedoel het niet eens sarcastisch, ik ben echt jaloers op hun simpelheid. Urk is Urk en daar komt niemand tussen. Het moet toch geweldig zijn als je deel uit maakt van zo’n gemeenschap en als Urk je thuishaven is die je nooit zult verlaten. Vrouwen zijn er echte poetsmiepen en ook absoluut de baas in huis. Je kunt er nog in huis roken, en ze maken de hele dag gevatte opmerkingen naar elkaar. Die volgens mij toch niemand verstaat, maar dat terzijde.

Het is toch vreemd, ik ben totaal anders opgegroeid en opgevoed, en ik voel me aangetrokken tot zo’n hechte gemeenschap. Ik zou er gek worden, daar niet van, maar ik ben jaloers op hun geluk. Schone ramen, een Opel Astra met dikke subwoofers, roken onder de afzuigkap en de hele dag lullen in die zangerige taal. Geen zorgen over dingen die toch niet gebeuren. Of zoals zij het zeggen: Gin zeurigen oever dingen die toch net geboeren. Of zoiets.

Who the f*ck?

Na alle onthullingen over wat er zich bij The Voice heeft afgespeeld, het vermeende machtsmisbruik, het seksueel grensoverschrijdende gedrag en de reactie op het gebeuren van de heer J. De Mol, heb ik eigenlijk maar één vraag: Wie de neuk is Angela de Jong?

Een paar jaar geleden verscheen ze voor het eerst om publiekelijk kritiek te leveren op de prestaties van min of meer bekende Nederlanders. Ik had geen idee wie ze was, wat haar rol was, en waarom zij het zich kon permitteren om, geheel verschoond van talent, kritiek te leveren op televisieprogramma’s, acteurs, het koningshuis en al wat dies meer zij. Alsof ze zichzelf had uitgevonden, naar voren had geschoven en alsof Nederland om haar mening had gevraagd. En kennelijk heeft het gewerkt, want in een talkshow met Beau zat ze er weer om te zeggen wat ze vond van Ali, Marco en dat vieze vriendje van Linda de Mol. Ze vond het monsters, roofdieren en aangezien ze zelf een dochter had kwam het nu wel heel dichtbij. Beau zat amechtig ja te knikken, ook die wilde duidelijk maken dat hij zeer verontwaardigd was. Zoiets was zelfs in het studentencorps waar hij lid was, nooit gebeurd.

Het komt mij er allemaal iets te gemakkelijk uit, die verontwaardiging. Ali en Marco zouden voorbeelden zijn die zich ook als zodanig moeten gedragen. Welnee! Ik heb die mannen nooit als voorbeeld gezien. André van Duin, Koos Postema, dat zijn voorbeelden. Die matig aangezette verontwaardiging, daar hou ik niet van. Alsof Angela alle verleidingen in haar leven weerstaat. Alsof zij alles op de rit heeft zodat wat John de Mol niet onder controle had, bij haar niet had kunnen gebeuren. Het is exact haar rol, kritiek leveren zonder enige kennis van zaken.

Gelukkig zat er aan tafel ook een psychologe die wel iets kon bijdragen aan het debat. Dat het niet zinvol is om mensen die iets fout doen, monsters te noemen. Dat plegers van dit soort feiten vaak hele gewone mensen zijn, een buurman, een collega of een familielid. Ze zei nog net niet “of jezelf” al bedoelde ze dat volgens mij wel.

Mocht Angela naar de hemel gaan, wat ik wel verwacht gezien haar onberispelijke staat van dienst, dan zal ze ook wel kritiek hebben op het reilen en zeilen daar ter plaatse. Wie zonder zonden is, werpe de eerste steen, krijgt zij dan wellicht te horen, maar ik ben bang dat ze het opvat als aanmoediging om de eerste steen te werpen.

Bakkes oep ne kaai.

In quarantainetijd deden we een spelletje. Ik pakte een Spotify playlist met jaren ‘80 muziek en Linda moest raden welk lied. Als ze het lied herkent, dan komt ook het nummer en/of artiest uit haar geheugen naar voren. Ik hoefde alleen maar te op het volgende nummer te klikken. Zo hielden we ons twee uur bezig.

Een nummer of tweehonderd verder kwam Hans naar beneden, die wordt het hardst getroffen door de quarantaine, want die is vaak bij vrienden. Op twee staat Linda, dan Tammar en mij kan die quarantaine niet lang genoeg duren. Lekker niemand over de vloer, alleen Albert Heyn zelf. In elk geval, Hans komt beneden, en voegt zich verveeld bij ons. Hij kent de muziek uit onze tijd niet en ik voel mij een beetje bezwaard. Dus ik maak af en toe een zijsprong naar wat Nederlandse muziek, daar houdt hij van.

Nederlandse muziek is trouwens veel te breed, het moet feestmuziek zijn. Guus Meeuwis, Kraantje Pappie, Snollebollekes, maar het liefst Brabantse feesthits. Die jongen houdt om een of andere reden van Brabant, of het nu New Kids is of Frank Lammers, om een of andere reden is Brabant en vooral Eindhoven the Bomb. Nou ja, laat er nu ook een playlist zijn met Brabantse feestmuziek! Gewoon op de muziek van Brian Adams, those were the best years of my life, ik viel toen mee me bakkes op ne kaai. Geweldig. Ik moet zeggen, ik heb ook wel iets met Brabant. Is het niet bijna carnaval?

Boswachter

Als je in quarantaine zit moet je goed nadenken over waar je de hond gaat uitlaten. Dat deed ik dus niet in het losloopgebied maar daar waar ik in het weekend vaak loop, omdat het daar rustiger is en de hond er even lekker kan rennen. Ik zou niet het bos ingaan, maar op de zandweg over de heide blijven.

Er kwam een groen autootje aan. Staatsbosbeheer. De boswachter draaide zijn raampje open (Duitse auto, dus handslinger) en zei tegen mij dat het niet de bedoeling was dat ik de hond hier liet loslopen. Ik heb de man uitgelegd hoe het hier werkt. Dat ik de baas van het bos ben en dat ik hier elk weekend met de hond loop. Dat er nergens een bord staat dat dat niet mag. De hond sprong enthousiast tegen de autodeur op en probeerde de boswachter te begroeten. Kras op zijn wagen en geen anderhalve meter afstand gehouden. Hij probeerde nog dat mensen wel eens een bord weghalen, maar ik wees hem erop dat dit een doorgaande weg was, en dat op de zijpaden de honden aangelijnd moeten zijn. Omgekeerde wereld dat ik hem moet uitleggen hoe het werkt.

Toen waarschuwde hij me dat ik goed in de gaten moest houden dat er geen zwijnen liepen, want die zijn momenteel heel kribbig en hongerig. “Ik heb honden gezien met flinke verwondingen door de slagtanden,” zei hij. Ik zei dat de vlakte hier open was en dat ik het goed in de gaten zou houden. Dat de hond twee weken geleden nog oog in oog stond met een kribbige beer, vertelde ik maar niet.