Het zwarte gat

Ik ving een deel van een gesprek op de radio op over oud-schaatser Jan Ykema. Kenners weten wel dat hij zilver op de Olympische Spelen haalde in 1988, net achter de man met de mooie naam, Uwe Jens May. Ykema stond in de belangstelling en als je dat aankunt is dat goed. Maar nog veel beter is het als de roem vergankelijk blijkt en mensen je niet meer interessant vinden, dat je dan ook met beide benen op de grond blijft staan. Veel mensen die het gebeurt raken depressief, en Ykema ging zelfs aan de serieuze drugs. Cocaine, heroine en speed. Inmiddels is hij weer afgekickt en staat hij weer op het ijs als trainer. Het zijn sterke benen die de weelde kunnen dragen, zeggen ze dan ook wel.

Natuurlijk is het fijn om in de belangstelling te staan en zeker als sporter of artiest, want dan doe je iets goed. Maar als gewoon mensch heb ik toch mijn vraagtekens. Ik ben zo’n gewoon mensch, en ergens is het knap zielig dat ik facebookstatussen plaats. Want ik deel niks nuttigs mee, ik doe het uitsluitend voor de aandacht. Ik ben een aap op de ladder. En dat baart mij zorgen. Want ja, facebookaandacht…ik steek er mijn hand niet voor in het vuur. Ook collegiale aandacht niet. Het is niks waard. Vrienden? Wie meer dan vijf vrienden heeft, heeft geen vrienden, luidt een oud Chinees spreekwoord. Ik weet niet hoe letterlijk die vijf genomen moet worden, maar ik begrijp het wel. Uiteindelijk zijn er niet veel mensen die je uit de stront trekken als je er diep in zit. Mensen zijn bang dat ze er zelf ook invallen, maar als je jezelf goed zekert, gebeurt dat niet. En als een familielid in de stront zakt, ben je automatisch mede-besmeurde, en is de drempel lager om hem of haar eruit te trekken.

Kortom, wederom is het mij niet gelukt de zin van het leven te doorgronden. Daarbij, als het mij wel gelukt was, wie zou me geloven? Dus ga ik maar gewoon door waar ik mee bezig was. Aan de sporen achter mij kan ik zien dat ik ongeveer de goede kant op ga.

Lee Majors

Er was een tijd dat het leven simpel was. Op school was iedereen gelijk, je leerde wat je moest weten en regels waren regels. Bij overtreding van de regels volgde straf, en de straf werd geaccepteerd. Na de straf was het klaar en deed je weer mee met een schone lei. Ik was kind, de buurt was de wereld, mijn ouders wisten alles en de dood bleef ver weg. Op televisie kwam de man van zes miljoen, met zijn bionische lichaam. Ongekend spannend voor vader en zoon. De volgende dag op school was Lee Majors het gesprek van de dag. Wie had het gezien, en wie kon er het meest over vertellen? Hij kon hoog springen en hard rennen, met zijn bionische oog zag hij haarscherp in de verte, en zijn bionische arm had ongekende kracht. Ik vroeg me niet af of het kon, het was een gegeven.

Ik wist toen al dat ik bijzondere momenten meemaakte. Eind jaren zeventig, die jaren zouden niet meer terugkomen. Ik legde momenten vast in mijn geheugen, en die zou ik altijd kunnen oproepen. Mijn slaapkamer was opgeruimd, mijn bed was schoon, de gordijnen waren dicht en ik las Arendsoog en Witte Veder. Ik had lakens en dekens en ik lag er strak onder. Mijn moeder had me ingestopt. Niemand was ver weg en niks ontbrak. Ik probeerde de tijd stil te zetten, wat voor een klein deel lukte door het op te slaan in mijn geheugen. Later zou ik als Lee Majors worden.

Nu zijn de tijden anders, maar ik herbeleef oude tijden. Mijn kinderen hebben dekbedden, maar ze liggen er strak onder. Ze slapen als roosjes en voor hen is de buurt de wereld. De man van zes miljoen is er niet, maar ik hoop dat zij ook hun vroege jeugd onthouden. Nog steeds ken ik magische momenten. Een schoon bed, een warm huis en weekend. Veel meer is er niet nodig.

Skyfall

Alletwee de kinderen logeerden bij familie, waardoor het idee ontstond naar de film te gaan, maar niet voordat we uit gingen eten. De Chinees, daar houden wij van. Ik hou ervan om allerlei nieuwe dingen te proberen, vandaar. Dus ik pak de kaart, ga op zoek naar de meest ingewikkelde gerechten met inktvis uit de Marianentrog, geflambeerde kwal en gedroogde gifslang, en uiteindelijk bestel ik nummer 31, de combinatieschotel met Babi Pangang, Saté en Koe Loe Yuk.

Daarna reden we naar de bioscoop om daar met hooggespannen verwachting de nieuwe James Bond te gaan zien. James Bond is een briljante creatie die al meer dan vijftig jaar meegaat zonder dat het personage aan slijtage onderhevig is. De films gaan met hun tijd mee, maar altijd wordt teruggegrepen op dezelfde klassiekers. De woordspelingen, de Aston Martin, de gadgets, de Wodka Martini, Q en M. What the hell took you so long, 007?

Skyfall begint met een achtervolgingsscène die een van de betere uit de filmgeschiedenis is. De beste achtervolgingsscène zat volgens velen in “Ronin” met Robert de Niro, maar mijn persoonlijke favoriet zat in “Against all odds”, of anders in “Never say Never again”. De achtervolging in deze film moet je niet vanaf de voorste rijen volgen, daarvan word je wat onzeker over je oogreflexen. Uiteindelijk gaat Bond de strijd aan met een briljant neergezette, bijna nichterige boef die het op M heeft gemunt. Omdat de boef in het digitale tijdperk heer en meester is, keert Bond terug naar daar waar hij is geboren en waar de tijd heeft stilgestaan, Schotland. Werkelijk overweldigende beelden van een Aston Martin DB5 die rijdt door het onwaarschijnlijk mooie Schotse landschap, om uiteindelijk de boef uit te dagen in het landgoed waar hij geboren is, Skyfall.

Eindelijk weer een film met een heldhaftig personage. Ik heb dat een tijdje gemist, maar ik voel het als ik de bioscoop verlaat en James Bond bezit van mij heeft genomen. Ik merk het aan de vijanden die ik om me heen spot, aan de omgeving die ik analyseer en als ik denk aan het niet aanwezige pistool in mijn binnenzak. Ik race met mijn diesel de parkeergarage uit, wat natuurlijk al nergens op slaat, een held in een diesel, maar als ik dan ook netjes voor de slagbomen wacht in plaats van er dwars doorheen te beuken, neemt de werkelijkheid weer van mij bezit en fluister ik nog snel: Webber, Mack Webber.

Nu wil ik nog een landgoed in Schotland en een jachtgeweer.
castle

Mijn eerste “operatie”

Vlak voordat ik in 2004 begon met webloggen, kreeg ik angstaanvallen. Er zat waarschijnlijk al iets niet goed in mijn hoofd, maar het werd aangewakkerd door een verhaal over “awareness” in het programma Kopspijkers. Awareness is het verschijnsel dat je onder narcose alles voelt en meekrijgt, maar dat je niet bij machte bent om het aan te geven, en dat de doktoren niks in de gaten hebben. De drie weken na dat programma ging het malen in mijn hoofd, tot het er op een vrijdagavond uitkwam en ik volledig in paniek raakte. Uiteindelijk is de apotheker ’s nachts langs geweest om kalmerende middelen te brengen. Daarna volgde een aantal keren huisartsbezoek en ben ik een tijdje onder behandeling van een psycholoog geweest. Ik besefte vanaf dat moment ook pas voor het eerst dat ik ook ooit dood zou gaan, iets waar ik daarvoor nooit over nagedacht had. Tegelijkertijd met mijn angsten voor ziekenhuizen, narcose en de dood, schaamde ik mij voor mijn angst. Ik maakte immers een punt van iets wat niet aan de orde was, terwijl dagelijks mensen serieuze operaties moeten ondergaan die voor hen de enige kans op herstel of uitstel van de dood zijn. Ik schaamde mij omdat mijn vader in zijn leven twee hele zware operaties heeft moeten ondergaan, en uiteindelijk de beslissing voor “de zachte dood” heeft moeten maken. Ik werd zowat gek als ik eraan dacht wat hij doorgemaakt had.

Gisteren ging ik nietsvermoedend naar het ziekenhuis. Ik dacht aan een kleine ingreep met een spuitje in mijn vinger op de behandelkamer van de arts. Nu was het ook een kleine operatie, maar ik moest operatieklaar worden gemaakt, d.w.z. aan het infuus, operatieschort aan en in een bed naar de OK gebracht worden. Velen van u zullen hun hand er niet voor omdraaien, maar bij mij kwam de angst terug. Er werd zelfs gesproken over narcose en een nachtje blijven, waarop ik de zuster meldde dat als ik dit geweten had, ik helemaal niet gekomen was. Bovendien had ik nergens op gerekend, en had ik ook geen nachtkleding of tandenborstel bij me. Ik snap ook wel dat het een onzinopmerking was, maar ik wilde dat de zuster duidelijk werd hoe het met mijn angsten zat. De dokter werd erbij gehaald, die uiteindelijk weer ging overleggen met de anesthesist, en er werd me verzekerd dat de operatie onder plaatselijke verdoving plaats kon vinden, waardoor ik durfde.

Om een korte operatie lang te maken: uiteindelijk is het angst voor het onbekende. Ik wist altijd zeker dat ik een martelkamer ingereden zou worden waar beulen opereerden. Iedereen snapt precies hoe hij het moet aanpakken. De anesthesist had mijn verhaal gehoord, gezegd dat hij het serieus nam maar er wel luchtig over bleef doen omdat mijn angst anders groter zou worden, de assistentes snapten al helemaal hoe ze mij konden lijmen met een vriendelijke glimlach en wat vleiende opmerkingen (oh, wat ben ik toch makkelijk te beïnvloeden) en de dokter bemoeide zich niet veel met mij, maar straalde uit dat hij wist wat hij aan het doen was. Geen injectienaald deed me zeer, zelfs niet degene waarvan ze zeiden dat het een gemene was. Het enige wat niet prettig was, was toen het block in mijn arm ging werken. Alsof je schrikdraad vastpakt, maar dat was maar even. Daarna leidde mijn arm een eigen leven en ik kon hem urenlang niet meer bewegen. Toen ik er eenmaal lag, was het eigenlijk best een rustieke ervaring. Je voelt niks, je hoort de mensen in de OK met elkaar praten als collega’s in elk ander bedrijf, en je ligt een beetje te liggen en de anesthesieassistente aan te staren. Ik kreeg zelfs het gevoel dat als ze me op dat moment onder narcose hadden gebracht, ik dat had goed gevonden. Maar als het even kan raad ik iedereen aan: blijf er gewoon bij!

Kwetsuren II

Twee weken geleden bezeerde ik mijn pink toen ik een collega in een heupworp wilde nemen. Ik kon op dat moment niks laten merken, want dat zou afbreuk doen aan mijn heupworp. Mijn pink werd blauw, maar de pijn verdween redelijk snel. Een paar dagen daarna ging Tammar aan mijn pink hangen, en dat voelde niet goed. Daarna bleef mijn pink dik en zag hij er wat raar uit. Gisteren adviseerde een andere collega om er eens door een dokter naar te laten kijken, hetgeen ik vanochtend deed. Conclusie, gebroken en morgen word ik eraan geopereerd. Iets met een pinnetje erin of zo.

De huisarts stuurde me door voor een foto en had vast een spalk bij de apotheek besteld. Bij de röntgenafdeling zagen ze iets meer dan een scheurtje, wat voor hun reden was me door te sturen naar de spoedeisende hulp. Daar kon ik mijn auto al niet kwijt, daar begon het mee. Vervolgens meld je je aan en mag je plaatsnemen in de wachtruimte en word je verteld dat er zo een zuster komt. Die kwam na tien minuten, om te vertellen dat er zo een zuster kwam. Die liet op haar beurt een kwartiertje op zich wachten, en ik mocht meekomen naar een kamertje, alwaar mij verteld werd dat ik in een andere wachtruimte mocht plaatsnemen. Daar heb ik anderhalf uur gewacht, alvorens ik werd opgehaald door een verpleegkundige, die me vroeg plaats te nemen in de behandelruimte en even te wachten op een arts. Na een half uur kwam er een assistente, die de pink bekeek. Zij ging even overleggen met een ander, en vroeg me even te wachten. Twintig minuten later kwam ze terug met een andere assistent, en mijn pink werd weer onderzocht. De ene assistent legde de ander uit wat er aan de hand was, en men moest even overleggen met de arts. Ik werd weer een half uur alleen gelaten, en de assistent kwam terug. Ik moest geopereerd worden, anders zou ik last van die pink gaan krijgen. Dat ging hij even regelen, en weer zat ik zeker drie kwartier te wachten voordat hij terugkwam met de details. Ondertussen hoorde ik uit andere kamertjes allerlei onheilspellende gesprekken. Over of iemand gereanimeerd wilde worden als er bij de operatie is mis ging.

Uiteindelijk ben ik van half negen tot half drie in de weer geweest, en hebben er in totaal vier mensen naar mijn pink gekeken. Al met al heb ik met die vier mensen nog geen half uur gesproken. Toen ik wegging kreeg ik een verbandje (ik loop al twee weken zonder) en mocht ik vier uur afrekenen bij de parkeerplaats van het ziekenhuis. Ondertussen werd van mij verlangd begrip te hebben voor de lange wachttijden, terwijl de wachtruimte toen ik aankwam, leeg was. Je ziet wel honderd witjassen voorbij de wachtruimte lopen, en niemand wekt de indruk dat hij aan het werk is. Ik kreeg er niet echt het gevoel van een vlekkeloze efficiëntie bij. Maar je weet natuurlijk niet wat er achter de gesloten deuren gebeurt. Ik hoorde in elk geval geen pingpongtafels.

Kwetsuren

Op 6 oktober 2011 schreef ik een logje dat ik nooit plaatste. Daar had ik toen mijn redenen voor. Nu was er aanleiding voor zo’n zelfde logje en ik herschreef het min of meer. Het was een goed logje, maar die ene keiharde, kwetsende grap kwam er weer in voor. De grap betrof rampspoed waarvan de kans zo verwaarloosbaar klein was dat het je zou overkomen, dat het, mocht het je toch overkomen, haast uitlokking geweest moest zijn. Toen ik het klaar had vond ik het best grappig, en ik dacht ook dat de kans verwaarloosbaar klein was dat ik er iemand mee zou kwetsen, tot ik besefte dat vorige week in de krant stond dat zoiets juist gebeurd was. Dus ja, dan toch maar niet. Ik kan eenmaal niet goed overweg met kwetsuren. Over een jaar nog maar eens proberen.

Parijs

Ik ben dus terug van een retourtje Parijs. Nou ja, Parijs, een buitenwijk. Druk daar, niet normaal. De navigatie zei: hier afslaan, dus ik deed het. Daarna ging hij gelijk herberekenen en wist ik dat ik een verkeerde afslag had. Dat kan in Parijs gelijk staan aan nooit meer terug keren, en even had ik dat gevoel ook, toen de navigatie mij een straat wilde laten ingaan waar ik niet in mocht. Ik ben een stuk stressbestendiger dan vroeger, maar dit was toch wel een uitdaging. Gelukkig kon ik een rondje rijden en stond ik even later weer bij de afslag waar het fout was gegaan. Daarna ging ik twijfelen omdat de navigatie elke keer het tijdstip dat ik aan zou komen verlegde. Ik kwam op drie minuten, maar dichterbij lukte steeds niet. Dat bleek echter aan de file te liggen.

Apart hoor, zo’n B&B in een Parijse buitenwijk. Het had wel wat van Apeldoorn weg. Veel groen, dure huizen en een rustige buurt. € 110 voor een nachtje in een klein bed, en een ontbijtje met stokbrood en een croissantje. Voor dat geld ben ik twee keer in bad geweest en heb ik de badspullen ook gebruikt. Ja, komop zeg. Ik werd vanochtend vier uur wakker en heb geen oog meer dicht gedaan. Paris ‘s’éveille. Maar ik dacht aan wat mijn moeder altijd zei, als je ligt, rust je ook uit.

Na het werk joeg ik de parkeergarage uit en het noodlot sloeg toe; de navigatie was dood. Wat ik ook probeerde, geen leven meer in te krijgen. Moet u zich eens voorstellen, je bent in Parijs en je navigatie houdt er mee op. Ik stopte ergens aan de kant om het even op me in te laten werken. Zou ik hier voor altijd moeten blijven? Er was ook geen ster aan de hemel waar ik me op kon oriënteren. En al had de hemel vol gestaan met sterren, dan nog was er geen ster waar ik me op kon oriënteren. Om een lang verhaal kort te maken, ik reed gewoon de weg terug die ik de avond daarvoor had gereden. Ik herinnerde me de namen en al redelijk snel zag ik Lille. Lille, werd mij altijd geleerd, is een voorstad van Parijs. Ja ammehoela. Lille ligt bijna in België. In België ging het nog een keer mis, iets met Gand en Gent, maar verder ben ik zonder stoppen van Parijs naar een benzinestation even over de Rijn gekacheld. Het aantal resterende kilometers dat ik volgens de computer nog kon rijden, was de hele weg al gelijk aan de afstand die ik nog moest. Ik had ook geen zin om te tanken, maar ik zag al aankomen dat ik net voor Vaassen zou stranden. Zal je altijd zien. Maar goed, het navigatiesysteem is een wonder der techniek, maar tijdens het beleg van Alésia hadden we ook geen navigatie.

Minotaurus

Hans is een jongetje met over het algemeen een lief karakter, maar hij kan ook een etterbak zijn als hij zijn zusje pest. Die op haar beurt vaak weer een draak is, en als ze dat niet is is ze lomp en onbehouwen. En soms is ze een engeltje. Dat is hoe het is. In mijn gevoel zijn ze echter beiden uitsluitend engeltjes en heb ik geen voorkeur voor één van beiden. Zo gaat het overal, maar toen Tammar er nog niet was vond ik het lastig voor te stellen dat ik met zijn broertje of zusje net zo gek zou zijn als met Hans. Maar dat gaat vanzelf.

Met Hans deed ik vanavond het spelletje Minitaurus. Een spelletje van Lego waarvan ik in het begin na drie keer de spelregels gelezen te hebben nog steeds geen idee had hoe ik moest beginnen, maar gelukkig snapte Linda het wel. Linda snapt trouwens ook altijd alle films die ik niet snap en ik vraag me af hoe het mogelijk is dat ik diploma’s heb gehaald. Mijn IQ is in tests in orde, maar zelfs Tammar roept regelmatig dat ik dom ben. “Papa, jij bent dom!” Maar goed, Minotaurus. Als ik eenmaal iets snap, dan snap ik het ook. Ik kan dan stijgen tot ongekende hoogten. Vandaar dat ik Hans vanavond ook twee keer versloeg. Maar dat was eigenlijk helemaal niet de bedoeling. Hans kan heel geconcentreerd dat spelletje spelen. Na zijn eerste verlies riep hij hoopvol: “nog een potje”, terwijl het al bijna acht uur was. Maar vooruit dan maar. Toen ik het tweede ook won, en heel onsportief mijn beide handen in de lucht stak (ik ben een slechte winnaar en ik was vergeten dat ik de eerste ook al had gewonnen) zag ik de teleurstelling op zijn gezicht. Hij vatte het gelukkig wel goed op, en ik zei dat we woensdag weer een potje zouden doen. Eerder kan ik niet. Maar wat vond ik het lullig van me. Vind je dat nou leuk, grote lummel? Maar ook wel licht ontroerd door Hans, de goede verliezer.

The Pursuit of Happyness

Er gaan wel eens wat dingen mis in een mensenleven, dus ook in het mijne, maar meestal valt het erg mee. Kinderen luisteren niet en drijven je tot waanzin, je auto gaat kapot of je baalt een keer van je werk. Vanavond keken wij naar “The Pursuit of Happyness” met Will Smith in de hoofdrol. Het is het waargebeurde verhaal van een man die vecht om zijn hoofd boven water te houden. Zijn vrouw verlaat hem en hij blijft met zijn zoontje achter. Financiële problemen stapelen zich op en op een kwade dag kom je dakloos op straat te staan. Ondertussen werk je keihard om een baan te krijgen en slaap je met je zoontje in een openbaar toilet, terwijl je de volgende morgen weer op je stageplaats moet verschijnen in pak en stropdas. Het is rennen, vechten en opkomen voor jezelf en je kind. Het kind heeft al niks, verliest ook nog zijn enige speeltje maar er is geen tijd om het op te rapen want om vijf uur moet je in de rij staan voor een kamer voor de nacht.

Ik keek Linda halverwege aan en zei dat ik het op dit punt allang zou hebben opgegeven. Zij stemde daar volmondig mee in. Niet dat ík het zou hebben opgegeven, maar zij ook, bedoelde ze. De film greep me bij de strot. Dit was het verhaal van een man die ellende doormaakte terwijl hij het niet kon delen met anderen. Hij moest ’s avonds voor zijn zoontje zorgen en overdag tussen zijn collega’s de schijn ophouden. Uiteindelijk, na zes maanden werken voor niks, honger lijden, studeren, slapen bij daklozenopvang, wordt zijn ijzeren doorzettingsvermogen beloond en krijgt hij een betaalde baan. Uiteindelijk lukt het hem miljonair te worden. Het was niet het sprookje van de Amerikaanse droom, maar van de onmenselijke Amerikaanse werkelijkheid waaruit hij wist te ontsnappen door wilskracht. Het was niet het verhaal van de man die zich uit de armoede op wist te werken naar rijkdom, maar van de man die in ellende leefde, en louter door zijn vechtlust overleefde. Dat hij later miljonair werd deed niet ter zake. Dat was een logisch gevolg van de strijdkracht die eenmaal in hem zat. In nood hielp het hem overleven, toen hij eindelijk een stabiele basis had zal hij glimlachend de moeilijkheden die hij toen nog tegenkwam, tegemoet gelopen zijn.

Als een man.

Bij het minste of geringste ontstaat er tegenwoordig massale verontwaardiging, soms uitlopend op een opstand. Ik weet zo gauw geen voorbeeld, maar het is echt waar. Oh ja, toch. Een tekening van een Deense cartoonist in de krant kan zomaar je doodvonnis betekenen. Een film over het lijden van Christus werd door joden als beledigend ervaren omdat zij er wat negatief op zouden worden afgeschilderd. Als Sinterklaas weer in het land is ontstaat er geheid discussie over de kleur van de Pieten. Maakt er een SGP’er een opmerking over het verband tussen verkrachtingen en zwangerschappen is het land te klein. Blijken er niet genoeg vrouwen aan de top van het Nederlandse bedrijfsleven te opereren, wordt er een campagne van de rijksoverheid opgezet. Eigenlijk zijn er voorbeelden genoeg.

Er is slechts één groep die het onheil dat over hem komt gelaten aanvaardt als een man: rapapaa rapapaa…De Nederlandse man! Want sodeju, ik kijk al zeker dertig jaar reclames en altijd wordt hij afgeschilderd als een domme sul of als een spelend kind. En altijd heeft hij een verstandige vrouw, vele malen knapper dan hij, die hem uit de nesten redt. Hij racet met een afstandbestuurbare auto over de reet van zijn vrouw, of hij hangt een beetje de showpik uit maar botst dan met zijn Aston Martin op een tractor, hij wordt meegesleurd door een grote hond of hij doet een jammerlijke poging om Sinterklaasinkopen te doen. Punt Com. Ik krijg er het Claire Huxtable gevoel van. Die wist ook altijd op een subtiele manier alles beter. Met d’r irritante lach om d’r man! Nou, zonder Cliff was ze helemaal niks! Poeh! Maar verder aanvaard ik deze kleineringen als een man.