Vanavond wilde Linda de documentaire Nachtvlinder zien, over een jonge vrouw die ongeneeslijk ziek was en zichzelf op haar verjaardag op euthanasie trakteerde. Ik voel nooit zoveel voor dat soort dingen om twee redenen. De eerste is dat ik vind dat je eigen leven al emotionele momenten genoeg heeft dus waarom zou je het leed van vreemden op je schouders nemen, en ten tweede ben ik nooit zo kapot van mensen die van hun uitvaart een feestje maken. Maar ik stemde in. Het begon al goed, met Amsterdammers die toeterend in de rouwstoet reden omdat Priscilla, de nachtvlinder, dat zo had gewild. Ik denk altijd dat Amsterdammers allemaal hetzelfde zijn: alleen geïnteresseerd in de naaste omgeving, een grote bek en een hart van goud, hetgeen zich uit in types als tante Leen, André Hazes, Koos Alberts die allemaal driehoog achter geboren zijn, schat.
Priscilla leek me geen schatje maar ook weer wel. Op jeugdige leeftijd was ze haar moeder verloren aan een slopende erfelijke ziekte, die zij zelf ook bleek te hebben. Ze was duidelijk een sloerie geweest, maar vertelde in het hospice dat ze nooit kinderen had gewild omdat zij haar ziekte zou kunnen doorgeven, en zou ze dat niet doen zou het kind hetzelfde moeten doormaken als zij, het al vroeg moeten missen van je moeder. Daarom zag ze niks in langdurige relaties en ruilde ze dat gemis om voor het nachtleven van Amsterdam. Op de avond voor haar geplande dood werd er in haar stamkroeg een afscheids- en verjaardagsfeest gegeven, waar ze nog bij kon zijn en waar ze zelfs zenuwachtig voor was. Het werd een spetterend einde, met huilende meisjes door het feestgedruis heen.
De volgende ochtend, op haar verjaardag kwamen haar naaste vrienden en familie afscheid nemen. Ze wist het nog steeds zeker. Een paar uur later kwamen drie huisartsen binnen. De euthanasie werd voorbereid. Ze ging naar haar moeder, daarvan leek ze overtuigd. Het volgende moment in de documentaire was ze gestorven, ze lag in een prachtige paarse jurk op haar bed, haar leven en dood zelf geregisseerd. Ze had in de interviews al iets liefs over zich, nu ze dood was deed ze me aan Doornroosje denken. Ze was gelijk geworden aan elke andere dode en kon zich niet meer onderscheiden. Ik kon het niet meer zonder tranen aanzien. Normaal doet alleen mijn keel zeer, maar dit was me te veel. Ik had respect gekregen voor deze vrouw. Respect voor iets waar ik helemaal niks mee heb, namelijk het vieren van de dood omdat het leven een feest was. En nog steeds heb ik daar niks mee. Ik kan er ook niks mee. Als ik verdriet heb vier ik geen feest, klaar. Dan ben ik ernstig of huil ik, maar dat is slechts mijn manier.