Vermoeid

Ik las een paar weken terug een boek van Jari Litmanen waarin hij schreef dat hij aan het einde van een bepaald seizoen doodmoe was. Dat hij zich pas na twee weken vakantie weer een beetje uitgerust voelde. Ik vond dat een beetje overdreven. Je krijgt tenslotte elke nacht rust. Maar nu, na al een aantal weken bezig te zijn in huis, weliswaar onderbroken door mijn werk, voelde ik vanochtend de vermoeidheid in mijn lijf.

Nu had ik gisteren 10 uur en 50 minuten nodig om een Ikea Pax kast in elkaar te zetten, dus dat hakte er wel in. Ik verlies vooral veel tijd met het constant zoeken naar mijn gereedschap, dat elke keer weg is. Het eindresultaat mag er gelukkig zijn, en mevrouw Mack is er helemaal blij mee. Maar vandaag moesten we weer verder met het gereed maken van de slaapkamers van de kinderen. Al maanden slapen ze bij elkaar, omdat we een kamer nodig hadden als opslagruimte. Nieuw behang, nieuw verfje, nieuwe vloerbedekking, nieuwe meubels, alles nieuw. Het was ook hoognodig, na 14 jaar in dit huis.

Nu ligt er boven vloerbedekking, en dat is wel zo fijn lopen als je net je bed uit komt. De kinderen hebben weer een eigen kamer, en langzaam begint het er weer op te lijken. Morgen even iets rustiger aan, want de vermoeidheid zit in me. Ik kan me niet herinneren dat ik dat ooit eerder heb gevoeld, maar ik ben dan al ook al bijna 47. Jari was pas achter in de twintig. Wat dat betreft zou ik profvoetballer moeten zijn geworden. Tot mijn 47e niet moe te krijgen.

 

Rio de Janeiro 2016

Het valt wat tegen, de Nederlandse medailleoogst op de Spelen. Gelukkig is meedoen belangrijker dan winnen, hoewel dat natuurlijk alleen voor de sporters geldt. Voor de toeschouwers moet er gewonnen worden, want na winst mag je feesten, en feesten is een manier om het kneuterige bestaan even te doen vergeten. De ene na de andere medaillekandidaat vliegt er momenteel uit. In het Holland Heineken House staan ze te wachten tot het los kan barsten. Een judoka met brons, wat maakt het uit, we doen net of we eerste zijn geworden.

Vandaag kreeg ik een pushbericht. Ik dacht dat er een ramp was gebeurd. Gelukkig was het een gouden medaille voor Nederland. Twee roeisters die we niet kenden waren de beste van het toernooi. Ook wel eens fijn, na al die decepties tot nu toe. Het zal toch gebeuren dat je met je sponsors in het HHH staat te wachten en er komt geen succes! Dat zou toch uitermate irritant zijn. Sta je daar met je biertje. Een verregende vakantie!

Iemand heeft het zelfs voor elkaar gekregen dat golf een Olympische sport is geworden. De toppers schitteren door afwezigheid. Zikavirus, zeggen ze. Schijnt alleen gevaarlijk te zijn voor golfers. Ondertussen staan zij ergens op een toernooi waar wel geldprijzen te verdienen zijn. Want meedoen is tenslotte belangrijker dan winnen.

Men zegt…

Men zegt dat je maar één keer leeft. Dat we zijn ontstaan uit een gaswolk en zwaartekracht. Dat we vroeger samenklonterden en zo de aarde vormden. En dat we begonnen als microben en uiteindelijk mensen zijn geworden. Dat we hier toevallig zijn en dat alles in chronologische vorm verloopt, van geboorte tot aan de dood. En na de dood, zegt men, zijn we weg, weten we niet meer, en kan niemand ons nog bereiken. Dat was het dan. We zijn hier toevallig en het dient geen enkel doel. Als de zwaartekracht ons niet gevormd had, had niemand geweten dat we er niet waren en was het heelal nu een plek waarvan niemand kon getuigen dat het er was.

Wij mensen kunnen ons afvragen waarom, alleen omdat we mensen zijn. Zou het niet verder gekomen zijn dan microben, dan zou dat zelfs niet gaan. Dan waren we gewoon. Dan had ik dit niet kunnen schrijven en niemand zou zich ooit over iets druk gemaakt hebben, want er was niemand. De aarde als eenzame planeet in een heelal dat niets om ons geeft. Jupiter, da’s de enige die om ons geeft en vangt voor ons veel klappen op. Daarom konden we uiteindelijk mensen worden, zo zegt men.

Het wordt nog erger. Uiteindelijk doven alle sterren uit en wordt het heelal één grote donkere leegte. Wij zijn er dan niet meer, alleen de leegte. Tja, en dat was het dan. In de tussentijd waren wij heel even hier, in een heel klein hoekje, om een foto te maken van wat er was. Die foto moeten we naar buiten zien te krijgen, opdat hij niet vergaat in dit heelal, waarin we hopeloos gevangen zitten. Zelfs onze gedachten, waarvan men zegt dat je ze nooit gevangen kunt zetten, weten er niet uit te komen. Het is een hopeloze en uitzichtloze situatie.

Je zou er haast gelovig van worden.

 

Milo

Dat leek me nu een leuk grapje, mijn vorige logje heet Millau, en deze heet dan Milo. Overigens spreek je Millau uit als Miejo,  dat wist u vast niet. Milo is onze logeerhond. Net zo groot als de onze, alleen met een wat breder lijf en een dikke doggenkop.
Milo

Een ontzettend lief beest, maar toch zal ik blij zijn als hij morgen weer wordt opgehaald. Het is best een opgave, als je ze alletwee uitlaat en ze beginnen te trekken. Dan moet je toch alle zeilen bijzetten om ze tegen te houden. En aangezien Milo een mannetje is en het niet accepteert als een ander mannetje iets te vrij met Randi omgaat, wil hij zich nog wel eens laten gelden. Verder is hij ongevaarlijk, behalve als je op de bank zit en hij komt je begroeten. Dan zet hij het liefst zijn poten op je schouders en begint je te likken. Zonder zwemdiploma’s overleef je dat niet. En je kunt een klap krijgen van zijn zwiepende staart als je niet uitkijkt.

De laatste tijd is het wat onrustig in de buurt en ik zag twee politiemotoren met zwaailicht achter twee rendende jongemannen aan zitten. De volgende dag hoorde ik de sirene van twee kanten komen. Gisteren was het weer raak met herriemakende jeugd en ik besloot er zelf heen te gaan. Uiteraard vergezeld van Randi en Milo. Ik trof twee jongens en twee meisjes aan, en vroeg of alles goed was. Dat was het, en of het met mij ook goed was. Ja, ook wel, en ik liep door. De honden trokken aan hun riemen, en wilden op de jongens af. Met kwispelende staarten, dat vond ik jammer. Maar dat zagen ze niet. Zometeen ga ik er weer even langs. Nobody fucks with Mack. Or Randi. Or Milo.

Millau

Tijdens zo’n terugreis waarbij je uren zit te sturen en die je nu eenmaal niet vol praat, gaan de gedachten nog wel eens met mij aan de haal. Weemoedig zijn ze vaak. Gedachten aan het warme land dat je achterliet, aan een vakantie die voorbij is, de regen waarin je weer terecht komt, het wordt er allemaal niet beter op. Ik weet niet wat ik met die gedachten moet. Vroeger, nog niet eens zo heel lang geleden, vond ik weemoedige gedachten fijn. Nog steeds wel, maar als de gedachten weg zijn, blijft het weemoedige gevoel.

Vroeger reed mijn vader ons naar Frankrijk. Zijn lichaamshouding, zijn blik en zijn manier van sturen hebben zich gekloond in mij, dat voel ik als ik rijd. We kwamen door Parijs en Lille, maar Lyon en Luxemburg zou korter zijn geweest. Dat kwam omdat ik graag over het viaduct van Millau wilde, en als je aan het begin een beetje anders rijdt, kom je op de Franse Autoroutes aan het eind heel anders uit. Vroeger gingen wij vaak op vakantie naar Millau. Het viaduct bestond nog niet eens. Ik heb het viaduct een keer gezien toen het nog in aanbouw was, en toen ik er een keer boven vloog, en nu ben ik er dus overheen geweest. En alle keren dacht ik aan mijn vader. De borden langs de weg met Lac de Pareloup, Salles Curan en Pont de Salars, ze doen me allemaal aan hem denken. Stiekem hoop ik dat achter die afslagen alles nog hetzelfde is gebleven.

Ik zat mij tijdens het rijden af te vragen welke dingen die ik onderweg tegenkwam, er vroeger ook al waren, zodat mijn vader ze ook gezien moet hebben.  Ik wist het niet. Ik wist niet eens zeker of de weg er al lag. Dingen die er vroeger ook al waren zijn dingen waaraan ik hecht, zodat 2016 en 1982 nog een beetje hetzelfde zijn. Ik besloot maar dat de bergen die ik zag er vroeger ook al lagen. Alleen stond er toen op elke top een kruis.

Ik hou te veel van het verleden en te weinig van het heden. Dat komt omdat mijn hersenen mij bedriegen en mij de mooie dingen uit het verleden voortdurend laten zien en me de lastige alleen voorspiegelen als ik in een soortgelijke situatie kom. Dat doen mijn hersenen toch nog goed, zo weet ik hoe ik met die lastige situatie om kan gaan. Desondanks is het natuurlijk een waardeloze uitvinding, dat een kind groot wordt.

Terugreis.

Zo’n terugreis vanuit Zuid-Frankrijk valt altijd weer een beetje tegen. Het is een eind, van de Middellandse zee naar Lille, maar ik red het nog redelijk makkelijk. Parijs was een ingecalculeerde vertraging, maar Lille niet. Er was daar een ongeluk gebeurd, zeiden ze, maar het enige wat ik zag waren drie burgerauto’s met zwaailicht die zich door de file heen wurmden. Ik verdacht ze ervan dat ze dat alleen maar doen om niet in die file te hoeven staan. Bij Parijs zag ik ook al een politieautootje rustig voortsukkelen totdat het een file in reed en ineens zijn zwaailamp en sirene aanzette. Waarschijnlijk omdat de diensttijd erop zat en de aardappels klaar stonden. Aangekomen bij de plek des onheils in Lille, -een uur later- zag ik ook geen spoor van de drie zwarte busjes die me met een hoop heisa voorbij kwamen en zogenaamd te hulp schoten. Sterker nog, ik zag helemaal niks behalve wat pionnen op de rijbaan en wat strooisel. Ja, dan creëer je wel een file als je bij Lille een rijstrook afsluit.

En als je bij Lille bent, dan ben je er nog niet. Dan moet je ook nog door dat gare België. En ik zeg dat liever niet over onze zuiderburen, maar ik kan er niks anders van maken. Het regende pijpenstelen, en het zicht was zo goed als nihil. Sommige Belgen ontsteken nog niet eens hun licht, maar het leek alsof ik ergens in een regenrace verzeild was geraakt, zoveel spray op mijn voorruit. En ondertussen voel je het bonken van de betonplaten en vlieg je half van de weg omdat je zojuist weer door een gat vol water reed. Dat dat mag in een EU-land! En vlak voor je het beloofde land in denkt te gaan, vindt de Tomtom dat je nog even een stuk van west naar oost moet rijden door België, omdat dat kennelijk korter is. En als je dan eindelijk Nederland binnenkomt via Turnhout, dan wordt het beter, maar Nederland zou daar een keiharde slag kunnen slaan door vanaf de grens hoogwaardig ZOAB neer te leggen. Zodat iedereen weet: België onderontwikkeld, Nederland ontwikkeld.

Het oranje stoeltje

Vias Plage, 1 augustus 2016

Och, ik had zo’n leuk idee. We hadden een opblaasbaar oranje stoeltje gekregen dat in het water kon drijven. Ik zou het stoeltje achter de opblaasboot binden en zo kozen de kinderen en ik het ruime sop. Tammar dobberde aan een touw, een meter of vier achter Hans en mij aan. Alles ging goed, totdat de kinderen een paar honderd meter uit de kust van positie wilden wisselen en het touw losschoot. Het stoeltje dreef snel weg en was binnen de kortste keren vijf meter weg. Toen ik er naartoe wilde roeien pakte de wind het op en gooide het nog eens 10 meter verder. 

Tammar wilde dat ik overboord zou springen om het te halen, maar ik hield het voor gezien en besloot terug te gaan, hetgeen al een behoorlijke opgave was, met twee kinderen in de boot tegen de wind en golven in. Al snel was het stoeltje op zijn weg naar Afrika en uit het zicht. 

Een uur of twee later, tijdens het zwemmen, zagen we het ineens weer drijven. De wind had het weer richting strand gedreven. Ik haalde snel de opblaasboot weer op bij de caravan, maar toen ik vijf minuten later terugkwam was het alweer opweg naar Algerije. We roeiden nog een stukje de zee op maar het was onbegonnen werk. Het stoeltje dobbert nu voor altijd op de zee. Soms zullen zeelieden het in de verte zien drijven, maar voornamelijk dobbert het vrolijk on het rond. Misschien dat een enkele zeemeermin het nog eens gebruikt om lekker uit te rusten. 

Spookhuis

Vias Plage 28-7-2016

Ik had een paar dagen gelden nog gezegd dat ik niet het spookhuis in zou gaan omdat ik Franse spookhuizen eenmaal niet vertrouw. Daar loopt altijd de plaatselijke dorpsgek wat bij te verdienen, en ik sta niet voor mezelf in als iemand mij plotseling aanraakt. Ik zat samen met mijn vrouw te wachten tot onze kinderen, die in het karretje vóór ons zaten, hun rondje hadden voltooid. Aan het einde van het rondje, kwamen de karretjes weer te voorschijn onder luid geknetter waarvan ik vermoedde dat het diende om de vervaarlijk uitziende karretjes een extra versnelling mee te geven zodat het zou lijken of ze op hun achterwielen naar buiten kwamen. Dat was wat ik dacht, maar ik zei tegen mijn vrouw dat het de kettingzaag was die ons in stukken zou zagen. Onze kinderen kwamen inmiddels heelhuids, maar wat witjes naar buiten, en dus ging ons karretje rijden. 

Een liefelijke dame veranderde in een krijsende demoon en alsof dat nog niet genoeg was, klonk er een luide knal vlak bij mijn gezicht. Scary shit en we hadden zonder erbij na te denken onze kinderen eerst laten gaan. We kwamen langs bewegende skeletten, mannen op de pijnbank en hangend aan een galg. Heel anders dan de Julianatoren. 

En toen was er ineens even niks en dan weet je dat het mis is. Daar sprong de dorpsgek met Freddy Kruger masker en kettingzaag te voorschijn. De zaag ging vlak langs mijn oor en ging vooral niet weg. Freddy zat niet vast, als de andere spoken, hij rende je achterna en was ook veel sneller dan het karretje. Ik dook weg om de benen van mijn vrouw te beschermen want ik heb wel eens gelezen dat ze het daar het eerst op gemunt hebben, dorpsgekken met kettingzagen. Goed, we leven nog, ik heb alleen Freddy niet kunnen uitschakelen. La prochaine fois. 

Carcassonne

Vias Plage 26-7-2016

Carcassonne is een mooi stadje aan de voet van de Pyreneeën. Mooi is een understatement, het is meer een wonder. Dat de stadsmuren en de torens er nog staan is een wonder, en dat ze dat vroeger hebben kunnen bouwen is een nog groter wonder. 

Een stadje, hooggelegen, omringd door muren en met uitzicht op een naderende vijand. Niet dat de vijand wist van het bestaan van het stadje, want zo groot is het nu ook weer niet. Nee, dan begrijp ik de muren rond Avignon beter, dat lijkt meer een stad van betekenis. Net als dat je onbekende politici hebt die hun vakantie afbreken vanwege een ongeregeldheidje in eigen land waar de premier niet voor terugkomt om zo wat publiciteit te vergaren, zo had je blijkbaar ook stadjes die zichzelf een muurtje cadeau deden. 

In Avignon heeft het middeleeuwse leven zich voortgezet, waar Carcasonne toch vooral een bezienswaardigheid is geworden. Avignon maakte op mij nog meer indruk. Niettemin is het stadje werelderfgoed volgens de lijst van Unesco, waar ook wel eens zaken op komen waarvan je denkt: het zal wel, maar in dit geval kan er weinig twijfel over bestaan, want indrukwekkend en zeldzaam is het zeker. 

Hypnose

Vias Plage, 24-7-2016

Philipe Morgan, de plaatselijke hypnotiseur , trad op voor de campinggasten. Voor het eerst zag ik live mensen onder hypnose en ik twijfel niet langer. Een klein jongetje in het publiek was niet meer te redden, hoe zijn ouders ook probeerden hem tot bedaren te brengen. Zijn lichaam was verstard, zijn vader lukte het niet om hem op een stoel te zetten. Philipe leek deze onbedoelde bijvangst niet in de gaten te hebben en concentreerde zich op de vrijwiligers op het podium. De ouders van het jongetje riepen de hulp van Philipe in, die even ter plekke poolshoogte kwam nemen. Het jongetje ontwaakte en stond verdwaasd te kijken. Uitgesloten dat hij in het complot zat. 

Tammar verstaat geen Frans, en kwam dus niet in de macht van Philipe. Maar omdat ze vooraan zat werd ze wel het podium op geroepen om plaats te nemen op een verstijfde jongedame die met hoofd en voeten op twee stoelen was gelegd. Ze vond het eng en wist niet hoe te weigeren in het Frans. Ze vertelde me hoe ze haar hart voelde bonken, zo’n klein meisje tegen duizend mensen, zo omschreef ze de situatie. Maar haar optreden was een groot succes.