Als ik aan mijn vader, God hebbe zijn ziel, denk dan zie ik een knappe, bijna statige man voor me die alles onder controle had. Vooral zijn vrouw en kinderen. Heel anders dan ik dus. Dat werd me weer duidelijk toen we gisteren als gezin in de auto, zowel mijn vader’s als mijn sanctuarium, stapten.
In de jaren zeventig zaten wij achterin, heilig te wezen en naar buiten te kijken. Die twee van mij, eigenlijk de reden waarom ik zo’n grote slee gekocht heb, missen elk respect. Als het portier op slot zit wordt er niet gewacht totdat het open wordt gedaan, welnee, er wordt aan de hendel gehengst alsof dat het ontsluiten bespoedigt. Dan wordt er niet voorzichtig ingestapt, om vooral niks te beschadigen, welnee, met die lompe poten op de dorpel staan zodat er een Peugeot badge los komt. Daarna niet schuldbewust en vol berouw overgaan tot zelfkastijding, ben je gek? “Jack, hoort dit los te zitten?”
En dan achterin zitten klieren met elkaar, alsof ze in een isoleercel met zachte wanden zitten. Rammen, tegen elkaar maar ook tegen mijn zitting. Ik voel nog het knijpen in mijn bovenbeen, mijn vader’s verdediging vanuit de bestuurdersstoel tegen het slopen van zijn interieur. Hij had een Fiat, niet zo’n slee als ik, dus hij raakte ons ook makkelijk. Ik zit een beetje in het luchtledige te graaien.
Als ik er iets van zeg wordt er halverwege mijn zin een nieuwe zin gestart door één van mijn kinderen, alsof ik helemaal niet aan het praten was. Het is niet eens een gebrek aan respect, het is een volkomen onbewustheid van mijn aanwezigheid.
Dan schreeuw ik er ineens doorheen met een duidelijk hoorbare vloek om mijn woorden kracht bij te zetten. Dat er #}%>~%# normaal moet worden gedaan achter in mijn auto! Heel even is het dan stil en houdt het geklier op. Maar in mijn spiegel zie ik dat ze ingehouden zitten te lachen in plaats van dat ze zich trillend van angst onzichtbaar proberen te maken.
Daarnet rij ik even weg, en hoor tijdens het remmen en optrekken een geluid van iets dat schuift. Ik zie het niet in het donker en ik kan er ook niet bij. Het irriteert me. Ik stop en haal uit het opbergvak van het portier van de bijrijder een kunststof doosje van de AirPods van mijn dochter. Flikker daar maar neer, dan ben ik het kwijt. Maakt het uit dat dat alle kanten op schuift!
“Goh, wat lijk jij op je vader, “zeggen ze wel eens. Huhuh. Volledige controle.




