Visie

Tijden veranderen. In mijn huidige werk heb ik veel te maken met Engelse commerciële termen. Tien jaar geleden zou ik elke term vertaald hebben naar het Nederlands, maar nu is de overmacht te groot en het zit teveel in de cultuur van dit bedrijf. Zo weet ik nu een beetje van leads, opportunities, prospects, QBR’s en meer van die meuk. Ik heb nog een lange weg te gaan eer ik alles begrijp en op niveau mee kan praten. Maar ik hoor het glimlachend aan en als ik iets niet begrijp, vraag ik het. Tot nu toe zijn het allemaal kinderlijk eenvoudige begrippen. Als het al begrippen zijn, want toen die termen nog niet bestonden werd er ook gewoon winst gemaakt. Meetings, ook zoiets. Ik onderga ze gelaten, protesteer zelden, maar ik hang nog steeds dezelfde mening aan die ik altijd aanhing: overbodig tijdverdrijf en oeverloos gezwam. Laatst zei iemand in een meeting dat we allemaal wel wisten waarin wij ons als bedrijf onderscheidden. Eerlijk gezegd had ik het antwoord niet direct paraat, dus ik vroeg het nog maar even. Het antwoord was dat het onderscheid ten opzichte van de concurrentie steeds minder duidelijk werd. Waarmee volgens mij maar gezegd is dat het een nutteloze opmerking was. Geeft niks hoor, het is eenmaal zo, maar ik kan me in mijn ruim twintigjarige carrière geen vergadering herinneren waarvan ik achteraf dacht: zo, da’s maar goed dat ik die niet gemist heb.

Het enige positieve van meetings (vergadering is écht niet meer van deze tijd) is dat het de onderlinge sfeer ten goede kan komen. Maar, denk ik dan, stuur even een kort mailtje in het rond met twee hoofdpunten en ga een dagje survivallen op de Veluwe. Ook goed voor de werksfeer. De werksfeer is wel uiterst belangrijk, dat zie ik inmiddels wel in. Vroeger hing ik toch meer het idee aan dat je op een dag binnenkwam, veertig jaar achter hetzelfde bureau bleef zitten, op de dag van je pensionering zou je niet voor vijven stoppen om vervolgens je collega’s een hand te geven en tot ziens te zeggen. Dat werkte altijd prima, maar ja, tijden veranderen.

Nee, ik ben weer aan het studeren. Dit maal niet uit boeken maar uit de praktijk. Ik studeer Engelse commerciële termen. Op een gegeven moment zal ik weer precies begrijpen wat er tijdens een meeting gezegd wordt, en zal ik aan het eind alles even kort kunnen samenvatten in het Nederlands. Om het voor iedereen, maar vooral voor mij begrijpelijk te houden. En om geen mensen te laten ontsporen in hun spraakwaterval. Dat ze zelf ook geen termen door elkaar gaan halen, want het is natuurlijk allemaal al ingewikkeld genoeg. Soms krijg ik van de verkoper lachend een klap op mijn schouder. Dan zegt hij: je bent ook zo lekker gewoon gebleven hè?

Niet eerder lezen dan over zes dagen.

Als u dit leest is het 22 december en is de wereld niet vergaan. De Inca’s hebben het niet bij het rechte eind gehad en eigenlijk vermoedde u dat al wel. Maar toch, helemaal lekker zat het niet. Elk jaar is er wel een onheilsprofeet die de aandacht naar zich toe trekt met een einde van de wereld voorspelling. Des te vaker je het hoort, des te minder aandacht je eraan besteedt. Maar deze keer waren het wel de Inca’s en zonder dat we weten waarom moest daar toch wat meer geloof aan gehecht worden dan aan een nog levende sekteleider. Want een uitgestorven indianenstam, zo is ons ingeprent, had meer kennis dan wij voor mogelijk houden. Is absoluut niet zo hoor, het waren gewoon primitieve bijgelovigen, die Inca’s. Waren het de Maya’s geweest dan was het een heel ander verhaal.

Ik ben ook bijgelovig geweest. Best wel behoorlijk zelfs. Maar meer zoals een voetballer dat is. Zo had ik een ongeluksonderbroek. In plaats van hem weg te gooien liet ik hem altijd ongebruikt in de kast liggen. Ik had een gelukssteen die me ongelukkig maakte omdat ik afhankelijk van dat ding werd. Op een nuchtere dag heb ik hem 100 meter ver weg gekeild. Ik nam bepaalde routes om het gevaar te bezweren. Op vrijdag de dertiende durfde ik geen vrij te nemen uit angst dat ze mijn bijgeloof zouden doorzien, maar liefst had ik het wel gedaan. En verder had ik nog enkele “if then” constructies bedacht.

Overigens is bijgeloof maatschappelijk geaccepteerd. Het komt overal voor. Neem een thuisvoetballende ploeg. Iedereen gelooft, of weet eigenlijk zeker, dat thuis voetballen een voordeel oplevert. Niemand weet hoe het precies werkt, maar de statistieken tonen aan dat het werkt. De tegenstander is kennelijk geïntimideerd en komt niet tot zijn beste prestatie. Zo hebben de Duitsers ons in 1974 van de wereldtitel beroofd, en hebben ze in 1945 verloren, omdat ze uit speelden.

Als u denkt dat ik wartaal uitsla, dan kan dat kloppen. Ik heb vandaag morfine in lichte dosis voorgeschreven gekregen wegens rugpijn met uitstraling naar mijn linkerbeen. Al twee nachten slecht geslapen en nu hallucineer ik waarschijnlijk een beetje. Neemt u mij vooral niet kwalijk. Maar misschien merkt u geen enkel verschil, en ontbreekt de samenhang als altijd. Ook in dat geval heet ik u welkom in de nieuwe tijd.

12-12-12-12-12

Zo, en nu is het afgelopen met die datum flauwekul. Wat een geluk dat een jaar maar 12 maanden heeft, anders ging het nog een poosje door met stelletjes die trouwen op een datum die een mooi symetrisch getal geeft. 12-12-12, het is wel makkelijk te onthouden, dat wel. Ik ben zelf getrouwd op 27-01-05. Tel je dat bij elkaar op, dan krijg je 33. Deel 33 door mijn geboortedatum 22-09-69 (100) en je krijgt 0.33. Ha! Zo vergeet ik mijn trouwdatum nooit.

Het tijdstip van 12 over 12 is volledig langs mij heen gegaan vandaag. Ik zag later op facebook dat anderen er wel aan hadden gedacht, dus ik moet nu wachten tot 1 januari 2101 voordat ik weer zo’n magisch moment mee kan beleven. 131 hoef ik maar te worden. Voor iemand uit 1969 die elke dag appels gegeten heeft moet dat toch makkelijk te doen zijn. Vroeger kreeg ik vitamine c-pillen, fluorbehandelingen en ik heb mijn hele jeugd aan sport gedaan. Nu is het dus een kwestie van wachten en niet onder een auto komen.

Er stond in de krant dat een man van 103 zijn rijbewijs weer voor vijf jaar verlengd had. Reed al 80 jaar schadevrij en op zijn negentigste nog in zijn eentje naar Parijs. Een typische laatbloeier. Ik deed dat onlangs nog en toen was ik pas 43. En heeft u er iets over in de krant gelezen? Nee, dacht het niet. Maar 103 en je rijbewijs nog voor vijf jaar verlengd krijgen? Grote klasse, dan spreken we van Vitaal. Met een grote V. Wat zijn geheim was stond er helaas niet bij. Het is waarschijnlijk een kwestie van altijd op het juiste moment op de goede plaats zijn. Let maar op, Parijs is de goede plaats. Als u zorgt dat u daar bent op 01-01-01, dan zult u zien dat u ook zo oud wordt.

De nooduitgang

Ik las dat in 2011 215 mensen zich voor een aanstormende trein wierpen. Dat betekent dat het bijna elke dag ergens gebeurt. In totaal pleegden in dat jaar meer dan 1600 mensen zelfmoord. Iedereen kent wel iemand van ver of dichtbij die zelfmoord pleegde. Laatst liep ik tegen een schoolfoto aan van iemand die ik niet kende, maar waarvan ik wist dat hij zelfmoord had gepleegd. Ik bekeek de jongen extra goed om toen al een signaal te bespeuren van zijn latere daad. Maar dat is er natuurlijk niet op slechts een foto. Naïef als ik ben dacht ik het te kunnen zien. Ik vraag mij af of iemand die zelfmoord pleegde, zich in zijn vroege jeugd al iets kon voorstellen bij zo’n daad. Misschien konden zij zich net als ik helemaal niks voorstellen bij zelfdoding en kan zoiets toch omslaan.

Als jonge mensen besluiten niet verder te leven is dat triester dan als ouderen dat doen. De jongere ziet aan het eind van een lange weg het doolhof voor zich, stapt erin en geeft het zoeken op, terwijl de oudere zich, na lang dolen, realiseert dat hij de uitgang niet meer gaat vinden. Zoiets. Ik heb geen oordeel over het plegen van zelfmoord, behalve dat het triest is. Soms triest omdat niet op tijd hulp werd gevonden en soms omdat iemand niet meer geholpen kón worden en we ons erbij moeten neerleggen. Ik hoorde eens een filosoof zeggen dat zelfmoord geen oplossing was voor je probleem, omdat na de zelfmoord de opluchting niet komt. Je kunt niet meer zeggen of denken: “hè hè, daar ben ik vanaf!” Zit wat in, maar zeker is het niet. Bovendien makkelijk filosoferen. Vertel dat aan de krijgsgevangene in een concentratiekamp die zo mishandeld werd dat hij verkoos orders niet op te volgen om zo door een Duitse mitrailleur neergemaaid te worden.

Een aanstormende trein, ik kan me er niks bij voorstellen. Maar dat kan waarschijnlijk niemand die niet ondraaglijk lijdt. Tijdens of na een zelfdoding zullen er één of meerdere getuigen zijn die waarschijnlijk ook de schrik van hun leven krijgen. Waarschijnlijk heeft het slachtoffer wel iets anders aan zijn hoofd dan daar over na te denken. Het kenmerk van een nooduitgang: als je hem gebruikt, hoop je op redding, maar het is niet zo dat je er ongemerkt doorheen komt. Wat er aan de andere kant is weet je niet, maar het zal je een zorg zijn, als je maar weg kunt.

Sans famille

In het begin van de 80-jarige oorlog, ook wel de jaren ’80 genoemd, speelde er op televisie een tekenfilm die ik en velen niet licht zullen vergeten. “Alleen op de wereld” heette het, en het verhaal ging over een jongen genaamd Remi, die ongeveer iedereen van wie hij hield, verloor. Hij was een vondeling en hij werd opgevangen door Vitalis, een rondtrekkend artiest die hem aan zijn zorgen toevertrouwde. Vitalis was in het gezelschap van een paar honden en van Joli Coeur, het aapje. Alles ging goed en alles ging fout. Net als Remi dacht dat hij gelukkig was, ging er iemand dood. De honden werden verscheurd door de wolven, het aapje ging dood aan een longontsteking en uiteindelijk, tijdens een ijzig koude nacht konden Vitalis en Remi geen onderdak vinden en vielen ze in slaap in de sneeuw, waarbij Vitalis Remi beschermde tegen de kou door hem in stro te leggen en er zelf boven op te gaan liggen. Vitalis vroor dood, en Remi was weer alleen op de wereld.

De blinkende tranen in de serie, elke keer kwamen die terug. Ik moet een jaar of elf zijn geweest en ik vraag me af of het destijds wel zo verantwoord was zo’n verhaal op televisie te brengen. Het was echt verdriet wat je als kind had als er weer iets gebeurde waarvan een kind, als het het mee zou maken, grote psychische schade zou oplopen. Misschien was ik overgevoelig, maar het was een emotionele kernaanval. Ik wil het dan ook nooit meer zien.

Ja, daar dacht ik aan toen ik vanmiddag het konijnenhok stond schoon te maken. Ik had er gisteren al een dekbed en een stuk zeil overheen gelegd en er extra hooi en stro in gelegd, in de hoop dat het konijn zich warm kon houden. Nu ligt er zoveel stro en hooi in dat hij een gang moet graven om bij zijn voerbak te komen. Hij heeft het in elk geval warm nu. Er slaapt ook een zwerfkat bij ons in het klompenhok. Vind ik ook allemaal goed tijdens deze kou. Als een van onze eigen katten ’s nachts buiten is, ga ik er nog een keer uit om te kijken of hij al voor de deur zit. Waarschijnlijk allemaal omdat ik vroeger Remi heb gezien.
remi

Het zwarte gat

Ik ving een deel van een gesprek op de radio op over oud-schaatser Jan Ykema. Kenners weten wel dat hij zilver op de Olympische Spelen haalde in 1988, net achter de man met de mooie naam, Uwe Jens May. Ykema stond in de belangstelling en als je dat aankunt is dat goed. Maar nog veel beter is het als de roem vergankelijk blijkt en mensen je niet meer interessant vinden, dat je dan ook met beide benen op de grond blijft staan. Veel mensen die het gebeurt raken depressief, en Ykema ging zelfs aan de serieuze drugs. Cocaine, heroine en speed. Inmiddels is hij weer afgekickt en staat hij weer op het ijs als trainer. Het zijn sterke benen die de weelde kunnen dragen, zeggen ze dan ook wel.

Natuurlijk is het fijn om in de belangstelling te staan en zeker als sporter of artiest, want dan doe je iets goed. Maar als gewoon mensch heb ik toch mijn vraagtekens. Ik ben zo’n gewoon mensch, en ergens is het knap zielig dat ik facebookstatussen plaats. Want ik deel niks nuttigs mee, ik doe het uitsluitend voor de aandacht. Ik ben een aap op de ladder. En dat baart mij zorgen. Want ja, facebookaandacht…ik steek er mijn hand niet voor in het vuur. Ook collegiale aandacht niet. Het is niks waard. Vrienden? Wie meer dan vijf vrienden heeft, heeft geen vrienden, luidt een oud Chinees spreekwoord. Ik weet niet hoe letterlijk die vijf genomen moet worden, maar ik begrijp het wel. Uiteindelijk zijn er niet veel mensen die je uit de stront trekken als je er diep in zit. Mensen zijn bang dat ze er zelf ook invallen, maar als je jezelf goed zekert, gebeurt dat niet. En als een familielid in de stront zakt, ben je automatisch mede-besmeurde, en is de drempel lager om hem of haar eruit te trekken.

Kortom, wederom is het mij niet gelukt de zin van het leven te doorgronden. Daarbij, als het mij wel gelukt was, wie zou me geloven? Dus ga ik maar gewoon door waar ik mee bezig was. Aan de sporen achter mij kan ik zien dat ik ongeveer de goede kant op ga.

Lee Majors

Er was een tijd dat het leven simpel was. Op school was iedereen gelijk, je leerde wat je moest weten en regels waren regels. Bij overtreding van de regels volgde straf, en de straf werd geaccepteerd. Na de straf was het klaar en deed je weer mee met een schone lei. Ik was kind, de buurt was de wereld, mijn ouders wisten alles en de dood bleef ver weg. Op televisie kwam de man van zes miljoen, met zijn bionische lichaam. Ongekend spannend voor vader en zoon. De volgende dag op school was Lee Majors het gesprek van de dag. Wie had het gezien, en wie kon er het meest over vertellen? Hij kon hoog springen en hard rennen, met zijn bionische oog zag hij haarscherp in de verte, en zijn bionische arm had ongekende kracht. Ik vroeg me niet af of het kon, het was een gegeven.

Ik wist toen al dat ik bijzondere momenten meemaakte. Eind jaren zeventig, die jaren zouden niet meer terugkomen. Ik legde momenten vast in mijn geheugen, en die zou ik altijd kunnen oproepen. Mijn slaapkamer was opgeruimd, mijn bed was schoon, de gordijnen waren dicht en ik las Arendsoog en Witte Veder. Ik had lakens en dekens en ik lag er strak onder. Mijn moeder had me ingestopt. Niemand was ver weg en niks ontbrak. Ik probeerde de tijd stil te zetten, wat voor een klein deel lukte door het op te slaan in mijn geheugen. Later zou ik als Lee Majors worden.

Nu zijn de tijden anders, maar ik herbeleef oude tijden. Mijn kinderen hebben dekbedden, maar ze liggen er strak onder. Ze slapen als roosjes en voor hen is de buurt de wereld. De man van zes miljoen is er niet, maar ik hoop dat zij ook hun vroege jeugd onthouden. Nog steeds ken ik magische momenten. Een schoon bed, een warm huis en weekend. Veel meer is er niet nodig.

Skyfall

Alletwee de kinderen logeerden bij familie, waardoor het idee ontstond naar de film te gaan, maar niet voordat we uit gingen eten. De Chinees, daar houden wij van. Ik hou ervan om allerlei nieuwe dingen te proberen, vandaar. Dus ik pak de kaart, ga op zoek naar de meest ingewikkelde gerechten met inktvis uit de Marianentrog, geflambeerde kwal en gedroogde gifslang, en uiteindelijk bestel ik nummer 31, de combinatieschotel met Babi Pangang, Saté en Koe Loe Yuk.

Daarna reden we naar de bioscoop om daar met hooggespannen verwachting de nieuwe James Bond te gaan zien. James Bond is een briljante creatie die al meer dan vijftig jaar meegaat zonder dat het personage aan slijtage onderhevig is. De films gaan met hun tijd mee, maar altijd wordt teruggegrepen op dezelfde klassiekers. De woordspelingen, de Aston Martin, de gadgets, de Wodka Martini, Q en M. What the hell took you so long, 007?

Skyfall begint met een achtervolgingsscène die een van de betere uit de filmgeschiedenis is. De beste achtervolgingsscène zat volgens velen in “Ronin” met Robert de Niro, maar mijn persoonlijke favoriet zat in “Against all odds”, of anders in “Never say Never again”. De achtervolging in deze film moet je niet vanaf de voorste rijen volgen, daarvan word je wat onzeker over je oogreflexen. Uiteindelijk gaat Bond de strijd aan met een briljant neergezette, bijna nichterige boef die het op M heeft gemunt. Omdat de boef in het digitale tijdperk heer en meester is, keert Bond terug naar daar waar hij is geboren en waar de tijd heeft stilgestaan, Schotland. Werkelijk overweldigende beelden van een Aston Martin DB5 die rijdt door het onwaarschijnlijk mooie Schotse landschap, om uiteindelijk de boef uit te dagen in het landgoed waar hij geboren is, Skyfall.

Eindelijk weer een film met een heldhaftig personage. Ik heb dat een tijdje gemist, maar ik voel het als ik de bioscoop verlaat en James Bond bezit van mij heeft genomen. Ik merk het aan de vijanden die ik om me heen spot, aan de omgeving die ik analyseer en als ik denk aan het niet aanwezige pistool in mijn binnenzak. Ik race met mijn diesel de parkeergarage uit, wat natuurlijk al nergens op slaat, een held in een diesel, maar als ik dan ook netjes voor de slagbomen wacht in plaats van er dwars doorheen te beuken, neemt de werkelijkheid weer van mij bezit en fluister ik nog snel: Webber, Mack Webber.

Nu wil ik nog een landgoed in Schotland en een jachtgeweer.
castle

Mijn eerste “operatie”

Vlak voordat ik in 2004 begon met webloggen, kreeg ik angstaanvallen. Er zat waarschijnlijk al iets niet goed in mijn hoofd, maar het werd aangewakkerd door een verhaal over “awareness” in het programma Kopspijkers. Awareness is het verschijnsel dat je onder narcose alles voelt en meekrijgt, maar dat je niet bij machte bent om het aan te geven, en dat de doktoren niks in de gaten hebben. De drie weken na dat programma ging het malen in mijn hoofd, tot het er op een vrijdagavond uitkwam en ik volledig in paniek raakte. Uiteindelijk is de apotheker ’s nachts langs geweest om kalmerende middelen te brengen. Daarna volgde een aantal keren huisartsbezoek en ben ik een tijdje onder behandeling van een psycholoog geweest. Ik besefte vanaf dat moment ook pas voor het eerst dat ik ook ooit dood zou gaan, iets waar ik daarvoor nooit over nagedacht had. Tegelijkertijd met mijn angsten voor ziekenhuizen, narcose en de dood, schaamde ik mij voor mijn angst. Ik maakte immers een punt van iets wat niet aan de orde was, terwijl dagelijks mensen serieuze operaties moeten ondergaan die voor hen de enige kans op herstel of uitstel van de dood zijn. Ik schaamde mij omdat mijn vader in zijn leven twee hele zware operaties heeft moeten ondergaan, en uiteindelijk de beslissing voor “de zachte dood” heeft moeten maken. Ik werd zowat gek als ik eraan dacht wat hij doorgemaakt had.

Gisteren ging ik nietsvermoedend naar het ziekenhuis. Ik dacht aan een kleine ingreep met een spuitje in mijn vinger op de behandelkamer van de arts. Nu was het ook een kleine operatie, maar ik moest operatieklaar worden gemaakt, d.w.z. aan het infuus, operatieschort aan en in een bed naar de OK gebracht worden. Velen van u zullen hun hand er niet voor omdraaien, maar bij mij kwam de angst terug. Er werd zelfs gesproken over narcose en een nachtje blijven, waarop ik de zuster meldde dat als ik dit geweten had, ik helemaal niet gekomen was. Bovendien had ik nergens op gerekend, en had ik ook geen nachtkleding of tandenborstel bij me. Ik snap ook wel dat het een onzinopmerking was, maar ik wilde dat de zuster duidelijk werd hoe het met mijn angsten zat. De dokter werd erbij gehaald, die uiteindelijk weer ging overleggen met de anesthesist, en er werd me verzekerd dat de operatie onder plaatselijke verdoving plaats kon vinden, waardoor ik durfde.

Om een korte operatie lang te maken: uiteindelijk is het angst voor het onbekende. Ik wist altijd zeker dat ik een martelkamer ingereden zou worden waar beulen opereerden. Iedereen snapt precies hoe hij het moet aanpakken. De anesthesist had mijn verhaal gehoord, gezegd dat hij het serieus nam maar er wel luchtig over bleef doen omdat mijn angst anders groter zou worden, de assistentes snapten al helemaal hoe ze mij konden lijmen met een vriendelijke glimlach en wat vleiende opmerkingen (oh, wat ben ik toch makkelijk te beïnvloeden) en de dokter bemoeide zich niet veel met mij, maar straalde uit dat hij wist wat hij aan het doen was. Geen injectienaald deed me zeer, zelfs niet degene waarvan ze zeiden dat het een gemene was. Het enige wat niet prettig was, was toen het block in mijn arm ging werken. Alsof je schrikdraad vastpakt, maar dat was maar even. Daarna leidde mijn arm een eigen leven en ik kon hem urenlang niet meer bewegen. Toen ik er eenmaal lag, was het eigenlijk best een rustieke ervaring. Je voelt niks, je hoort de mensen in de OK met elkaar praten als collega’s in elk ander bedrijf, en je ligt een beetje te liggen en de anesthesieassistente aan te staren. Ik kreeg zelfs het gevoel dat als ze me op dat moment onder narcose hadden gebracht, ik dat had goed gevonden. Maar als het even kan raad ik iedereen aan: blijf er gewoon bij!

Kwetsuren II

Twee weken geleden bezeerde ik mijn pink toen ik een collega in een heupworp wilde nemen. Ik kon op dat moment niks laten merken, want dat zou afbreuk doen aan mijn heupworp. Mijn pink werd blauw, maar de pijn verdween redelijk snel. Een paar dagen daarna ging Tammar aan mijn pink hangen, en dat voelde niet goed. Daarna bleef mijn pink dik en zag hij er wat raar uit. Gisteren adviseerde een andere collega om er eens door een dokter naar te laten kijken, hetgeen ik vanochtend deed. Conclusie, gebroken en morgen word ik eraan geopereerd. Iets met een pinnetje erin of zo.

De huisarts stuurde me door voor een foto en had vast een spalk bij de apotheek besteld. Bij de röntgenafdeling zagen ze iets meer dan een scheurtje, wat voor hun reden was me door te sturen naar de spoedeisende hulp. Daar kon ik mijn auto al niet kwijt, daar begon het mee. Vervolgens meld je je aan en mag je plaatsnemen in de wachtruimte en word je verteld dat er zo een zuster komt. Die kwam na tien minuten, om te vertellen dat er zo een zuster kwam. Die liet op haar beurt een kwartiertje op zich wachten, en ik mocht meekomen naar een kamertje, alwaar mij verteld werd dat ik in een andere wachtruimte mocht plaatsnemen. Daar heb ik anderhalf uur gewacht, alvorens ik werd opgehaald door een verpleegkundige, die me vroeg plaats te nemen in de behandelruimte en even te wachten op een arts. Na een half uur kwam er een assistente, die de pink bekeek. Zij ging even overleggen met een ander, en vroeg me even te wachten. Twintig minuten later kwam ze terug met een andere assistent, en mijn pink werd weer onderzocht. De ene assistent legde de ander uit wat er aan de hand was, en men moest even overleggen met de arts. Ik werd weer een half uur alleen gelaten, en de assistent kwam terug. Ik moest geopereerd worden, anders zou ik last van die pink gaan krijgen. Dat ging hij even regelen, en weer zat ik zeker drie kwartier te wachten voordat hij terugkwam met de details. Ondertussen hoorde ik uit andere kamertjes allerlei onheilspellende gesprekken. Over of iemand gereanimeerd wilde worden als er bij de operatie is mis ging.

Uiteindelijk ben ik van half negen tot half drie in de weer geweest, en hebben er in totaal vier mensen naar mijn pink gekeken. Al met al heb ik met die vier mensen nog geen half uur gesproken. Toen ik wegging kreeg ik een verbandje (ik loop al twee weken zonder) en mocht ik vier uur afrekenen bij de parkeerplaats van het ziekenhuis. Ondertussen werd van mij verlangd begrip te hebben voor de lange wachttijden, terwijl de wachtruimte toen ik aankwam, leeg was. Je ziet wel honderd witjassen voorbij de wachtruimte lopen, en niemand wekt de indruk dat hij aan het werk is. Ik kreeg er niet echt het gevoel van een vlekkeloze efficiëntie bij. Maar je weet natuurlijk niet wat er achter de gesloten deuren gebeurt. Ik hoorde in elk geval geen pingpongtafels.