Kwetsuren

Op 6 oktober 2011 schreef ik een logje dat ik nooit plaatste. Daar had ik toen mijn redenen voor. Nu was er aanleiding voor zo’n zelfde logje en ik herschreef het min of meer. Het was een goed logje, maar die ene keiharde, kwetsende grap kwam er weer in voor. De grap betrof rampspoed waarvan de kans zo verwaarloosbaar klein was dat het je zou overkomen, dat het, mocht het je toch overkomen, haast uitlokking geweest moest zijn. Toen ik het klaar had vond ik het best grappig, en ik dacht ook dat de kans verwaarloosbaar klein was dat ik er iemand mee zou kwetsen, tot ik besefte dat vorige week in de krant stond dat zoiets juist gebeurd was. Dus ja, dan toch maar niet. Ik kan eenmaal niet goed overweg met kwetsuren. Over een jaar nog maar eens proberen.

Parijs

Ik ben dus terug van een retourtje Parijs. Nou ja, Parijs, een buitenwijk. Druk daar, niet normaal. De navigatie zei: hier afslaan, dus ik deed het. Daarna ging hij gelijk herberekenen en wist ik dat ik een verkeerde afslag had. Dat kan in Parijs gelijk staan aan nooit meer terug keren, en even had ik dat gevoel ook, toen de navigatie mij een straat wilde laten ingaan waar ik niet in mocht. Ik ben een stuk stressbestendiger dan vroeger, maar dit was toch wel een uitdaging. Gelukkig kon ik een rondje rijden en stond ik even later weer bij de afslag waar het fout was gegaan. Daarna ging ik twijfelen omdat de navigatie elke keer het tijdstip dat ik aan zou komen verlegde. Ik kwam op drie minuten, maar dichterbij lukte steeds niet. Dat bleek echter aan de file te liggen.

Apart hoor, zo’n B&B in een Parijse buitenwijk. Het had wel wat van Apeldoorn weg. Veel groen, dure huizen en een rustige buurt. € 110 voor een nachtje in een klein bed, en een ontbijtje met stokbrood en een croissantje. Voor dat geld ben ik twee keer in bad geweest en heb ik de badspullen ook gebruikt. Ja, komop zeg. Ik werd vanochtend vier uur wakker en heb geen oog meer dicht gedaan. Paris ‘s’éveille. Maar ik dacht aan wat mijn moeder altijd zei, als je ligt, rust je ook uit.

Na het werk joeg ik de parkeergarage uit en het noodlot sloeg toe; de navigatie was dood. Wat ik ook probeerde, geen leven meer in te krijgen. Moet u zich eens voorstellen, je bent in Parijs en je navigatie houdt er mee op. Ik stopte ergens aan de kant om het even op me in te laten werken. Zou ik hier voor altijd moeten blijven? Er was ook geen ster aan de hemel waar ik me op kon oriënteren. En al had de hemel vol gestaan met sterren, dan nog was er geen ster waar ik me op kon oriënteren. Om een lang verhaal kort te maken, ik reed gewoon de weg terug die ik de avond daarvoor had gereden. Ik herinnerde me de namen en al redelijk snel zag ik Lille. Lille, werd mij altijd geleerd, is een voorstad van Parijs. Ja ammehoela. Lille ligt bijna in België. In België ging het nog een keer mis, iets met Gand en Gent, maar verder ben ik zonder stoppen van Parijs naar een benzinestation even over de Rijn gekacheld. Het aantal resterende kilometers dat ik volgens de computer nog kon rijden, was de hele weg al gelijk aan de afstand die ik nog moest. Ik had ook geen zin om te tanken, maar ik zag al aankomen dat ik net voor Vaassen zou stranden. Zal je altijd zien. Maar goed, het navigatiesysteem is een wonder der techniek, maar tijdens het beleg van Alésia hadden we ook geen navigatie.

Minotaurus

Hans is een jongetje met over het algemeen een lief karakter, maar hij kan ook een etterbak zijn als hij zijn zusje pest. Die op haar beurt vaak weer een draak is, en als ze dat niet is is ze lomp en onbehouwen. En soms is ze een engeltje. Dat is hoe het is. In mijn gevoel zijn ze echter beiden uitsluitend engeltjes en heb ik geen voorkeur voor één van beiden. Zo gaat het overal, maar toen Tammar er nog niet was vond ik het lastig voor te stellen dat ik met zijn broertje of zusje net zo gek zou zijn als met Hans. Maar dat gaat vanzelf.

Met Hans deed ik vanavond het spelletje Minitaurus. Een spelletje van Lego waarvan ik in het begin na drie keer de spelregels gelezen te hebben nog steeds geen idee had hoe ik moest beginnen, maar gelukkig snapte Linda het wel. Linda snapt trouwens ook altijd alle films die ik niet snap en ik vraag me af hoe het mogelijk is dat ik diploma’s heb gehaald. Mijn IQ is in tests in orde, maar zelfs Tammar roept regelmatig dat ik dom ben. “Papa, jij bent dom!” Maar goed, Minotaurus. Als ik eenmaal iets snap, dan snap ik het ook. Ik kan dan stijgen tot ongekende hoogten. Vandaar dat ik Hans vanavond ook twee keer versloeg. Maar dat was eigenlijk helemaal niet de bedoeling. Hans kan heel geconcentreerd dat spelletje spelen. Na zijn eerste verlies riep hij hoopvol: “nog een potje”, terwijl het al bijna acht uur was. Maar vooruit dan maar. Toen ik het tweede ook won, en heel onsportief mijn beide handen in de lucht stak (ik ben een slechte winnaar en ik was vergeten dat ik de eerste ook al had gewonnen) zag ik de teleurstelling op zijn gezicht. Hij vatte het gelukkig wel goed op, en ik zei dat we woensdag weer een potje zouden doen. Eerder kan ik niet. Maar wat vond ik het lullig van me. Vind je dat nou leuk, grote lummel? Maar ook wel licht ontroerd door Hans, de goede verliezer.

The Pursuit of Happyness

Er gaan wel eens wat dingen mis in een mensenleven, dus ook in het mijne, maar meestal valt het erg mee. Kinderen luisteren niet en drijven je tot waanzin, je auto gaat kapot of je baalt een keer van je werk. Vanavond keken wij naar “The Pursuit of Happyness” met Will Smith in de hoofdrol. Het is het waargebeurde verhaal van een man die vecht om zijn hoofd boven water te houden. Zijn vrouw verlaat hem en hij blijft met zijn zoontje achter. Financiële problemen stapelen zich op en op een kwade dag kom je dakloos op straat te staan. Ondertussen werk je keihard om een baan te krijgen en slaap je met je zoontje in een openbaar toilet, terwijl je de volgende morgen weer op je stageplaats moet verschijnen in pak en stropdas. Het is rennen, vechten en opkomen voor jezelf en je kind. Het kind heeft al niks, verliest ook nog zijn enige speeltje maar er is geen tijd om het op te rapen want om vijf uur moet je in de rij staan voor een kamer voor de nacht.

Ik keek Linda halverwege aan en zei dat ik het op dit punt allang zou hebben opgegeven. Zij stemde daar volmondig mee in. Niet dat ík het zou hebben opgegeven, maar zij ook, bedoelde ze. De film greep me bij de strot. Dit was het verhaal van een man die ellende doormaakte terwijl hij het niet kon delen met anderen. Hij moest ’s avonds voor zijn zoontje zorgen en overdag tussen zijn collega’s de schijn ophouden. Uiteindelijk, na zes maanden werken voor niks, honger lijden, studeren, slapen bij daklozenopvang, wordt zijn ijzeren doorzettingsvermogen beloond en krijgt hij een betaalde baan. Uiteindelijk lukt het hem miljonair te worden. Het was niet het sprookje van de Amerikaanse droom, maar van de onmenselijke Amerikaanse werkelijkheid waaruit hij wist te ontsnappen door wilskracht. Het was niet het verhaal van de man die zich uit de armoede op wist te werken naar rijkdom, maar van de man die in ellende leefde, en louter door zijn vechtlust overleefde. Dat hij later miljonair werd deed niet ter zake. Dat was een logisch gevolg van de strijdkracht die eenmaal in hem zat. In nood hielp het hem overleven, toen hij eindelijk een stabiele basis had zal hij glimlachend de moeilijkheden die hij toen nog tegenkwam, tegemoet gelopen zijn.

Als een man.

Bij het minste of geringste ontstaat er tegenwoordig massale verontwaardiging, soms uitlopend op een opstand. Ik weet zo gauw geen voorbeeld, maar het is echt waar. Oh ja, toch. Een tekening van een Deense cartoonist in de krant kan zomaar je doodvonnis betekenen. Een film over het lijden van Christus werd door joden als beledigend ervaren omdat zij er wat negatief op zouden worden afgeschilderd. Als Sinterklaas weer in het land is ontstaat er geheid discussie over de kleur van de Pieten. Maakt er een SGP’er een opmerking over het verband tussen verkrachtingen en zwangerschappen is het land te klein. Blijken er niet genoeg vrouwen aan de top van het Nederlandse bedrijfsleven te opereren, wordt er een campagne van de rijksoverheid opgezet. Eigenlijk zijn er voorbeelden genoeg.

Er is slechts één groep die het onheil dat over hem komt gelaten aanvaardt als een man: rapapaa rapapaa…De Nederlandse man! Want sodeju, ik kijk al zeker dertig jaar reclames en altijd wordt hij afgeschilderd als een domme sul of als een spelend kind. En altijd heeft hij een verstandige vrouw, vele malen knapper dan hij, die hem uit de nesten redt. Hij racet met een afstandbestuurbare auto over de reet van zijn vrouw, of hij hangt een beetje de showpik uit maar botst dan met zijn Aston Martin op een tractor, hij wordt meegesleurd door een grote hond of hij doet een jammerlijke poging om Sinterklaasinkopen te doen. Punt Com. Ik krijg er het Claire Huxtable gevoel van. Die wist ook altijd op een subtiele manier alles beter. Met d’r irritante lach om d’r man! Nou, zonder Cliff was ze helemaal niks! Poeh! Maar verder aanvaard ik deze kleineringen als een man.

Punt.

Op de Mavo had iemand eens een blote vrouw op het raam getekend. Wij vonden dat grappig, maar de leraar niet. Het hoofd van de school werd er bij gehaald en niemand wilde de dader verlinken. Dus gebruikte het schoolhoofd een onorthodoxe opsporingsmethode en bestempelde alle jongens, niet de meisjes, tot verdachte. Iedereen werd aan een persoonlijk verhoor onderworpen en ik werd niet geloofd op mijn blauwe ogen toen ik zei dat ik het niet had gedaan. Dat ging enorm tegen mijn rechtsgevoel in. Uiteindelijk toen er collectieve straf voor alle jongens dreigde, gaf de dader zichzelf aan en werd hij een paar dagen geschorst.

Hoewel ik heel goed besef dat het voor de ouders van Marianne Vaatstra heel veel betekent dat de waarschijnlijke dader nu is gepakt, heb ik het toch wat moeilijk met de gebruikte opsporingsmethode. Zeker als Ivo Opstelten zich ermee gaat bemoeien en als er geluiden klinken als dat iedere Nederlander preventief DNA zou moeten afstaan om zo in het vervolg misdrijven te kunnen oplossen. Het meest gebruikte argument voor de aanleg van zo’n databank is dat als je niets te verbergen hebt, je er ook niet op tegen kunt zijn. En dat is dus niet waar, want ik heb niets te verbergen en ik ben er toch op tegen. Ik vind namelijk niet dat de overheid er bij voorbaat vanuit mag gaan dat elke inwoner ooit eens een misdrijf zou kunnen gaan plegen. Zolang er geen redelijke verdenking tegen je is, vind ik niet dat de overheid opsporingsmethodes mag toepassen op haar burgers. Andersom vind ik dat de burger vrij moet zijn in zijn beslissing of hij goed of kwaad gaat bedrijven, en niet dat hij bij voorbaat kansloos gelaten wordt in de keuze een misdadiger te worden. Tot in het uiterste door redenerend zou de overheid ook kunnen besluiten al haar burgers preventief gevangen te zetten om te voorkomen dat iemand het in zijn hoofd haalt om een misdrijf te plegen. Om deze reden ben ik ook tegen trajectcontroles. Het doet mij denken aan de voormalige DDR en tegen zo’n staatsvorm moet ik me verzetten. Ja, maar Mack, als het jouw dochter betrof dan? Ja, dan ook niet. Persoonlijk betrokken zijn kan niet betekenen dat het standpunt ineens wijzigt, anders was het eerste standpunt niet goed. Ik vind ook niet dat een verdachte van een misdrijf tegen een familielid van mij zwaarder gestraft zou moeten worden dan een verdachte van een misdrijf tegen een mij volslagen onbekende. Het rechtssysteem is het rechtssysteem en moet voor iedereen gelijk zijn.

Natuurlijk is dit een moeilijk punt. De vader van Marianne wil van de dader persoonlijk horen waarom hij tot zijn daad is gekomen en waarom hij zijn dochter dit heeft aangedaan. Dat vind ik een dapper standpunt en heel wat redelijker klinken dan het meteen eisen van de doodstraf op persoonlijke titel. Misschien is mijn redenering niet plausibel en maak ik geen goed punt. Dan kunt u mij daarvan proberen te overtuigen en zal ik mij neerleggen bij trajectcontroles, DNA-databanken en het preventief gevangen zetten van de hele bevolking. Misschien dat we dan ook een effectieve opsporingsmethode kunnen bedenken voor de wat lichtere vergrijpen, die door 80% van de bevolking gepleegd worden. Ik denk dan aan belasting- en sociale verzekeringsfraude, zwartwerken en verzekeringsfraude. Maar liever hoor ik natuurlijk dat ik wel een goed punt heb. Maar ik laat u daar volledig vrij in en ik kom niet met een knuppel bij u op bezoek. Dat u zich niet gehinderd voelt in het geven van uw mening.

Blanda.

Na 30 jaar in Vaassen te hebben gewoond lukte het mij vanavond voor het eerst om tot de Molukse gemeenschap door te dringen in de vorm van een uitnodiging voor een Indische rijsttafel. Veel te laat wat mij betreft, maar beter laat dan nooit. Vroeger had ik mij al voorgenomen met een Molukse te trouwen om rijsttafelredenen, en ik kwam er dichtbij met een schoonmoeder die in Indonesië geboren is. Vandaar kende ik al de gerechten Roedjak, Rendang, en hete eieren. Vanavond kregen we dit:

Het geheel kon je versieren met wat kruiden uit de toko, onder andere gedroogde guppies en hete pepers. Als toetje kregen we meloenijs met lychee. Hachee! Ik hou er wel van. Ik leerde vanavond nog iets over de Molukse geschiedenis, niet uit historisch perspectief maar uit eerste hand, en van korter geleden. Dat stoute Molukse kinderen vroeger voor straf de heetste pepers op hun lippen kregen gesmeerd om hun gedrag bij te sturen. En dat veel Molukse jongeren vroeger verteld werd niet met Blanda’s om te gaan. Blanda’s dat zijn wij, kaaskoppen, die bij de Chinees een combinatieschotel nemen en alles door elkaar heen buldozeren. Ik werd nu dus ook aangeraden om elk gerecht apart met een bolletje rijst op een bordje te doen, het op te eten en dan pas het volgende gerecht op te scheppen, anders was ik een Blanda. En dat wilde ik natuurlijk niet. En ik moest nog wel stilletjes lachen om de Molukse man die mij toefluisterde dat hij geen racist was, maar dat sinds er Polen en Roemenen in de wijk woonden, het er toch een stuk op achteruit was gegaan.

Bedgeheimen

Als kind droeg ik als ik naar bed ging, een pyjama. Geen ondergoed eronder om één of andere vage reden. Ik had nog lakens, dekens en een sprei. Blij dat ik dat nog heb meegemaakt en ik kan me niet herinneren dat ik het ooit koud had in bed. Toen ik een jaar of 18 was droeg ik alleen een boxershort. Later heb ik daar een T-shirt aan toegevoegd vanwege eventuele kou. Ook in de zomer is dit nog mijn nachtelijke outfit, tenzij het echt bloedheet is, dan kan het T-shirt achterwege blijven, maar met al die drukte in mijn slaapkamer de laatste jaren ga ik liever een beetje gekleed. Tegenwoordig heb ik een elektrische onderdeken, die ik uit principe nooit aanzet, tenzij ik het koud heb, dan wel. Maar liever laat ik één van mijn kinderen mijn bed even voorverwarmen. Dat de ergste kou eraf is, begrijpt u? Ik word een beetje een koukleum want in de winter gooi ik het raam ’s nachts dicht. Ik weet het wel, er zijn bikkels die het raam open willen hebben, al vriest het veertig graden, maar ik vind het prettiger als het overdag openstaat en ’s nachts dicht is. Waar dit naar toe gaat… Ik ben 43, maar ik zie toch wel aankomen dat ik over niet al te lange tijd weer een pyjama koop. Volgens mij slaapt dat prima. Misschien een slaapmuts erbij, want dat zie je werkelijk nooit meer, maar het zal toch zeker een functie hebben gehad. Sokken gaat me dan weer te ver, maar een pyjama (met knoopjes) en een slaapmuts, ja. En zo kom ik tot precies dezelfde conclusie als Rob Hamilton vandaag, dat je als je jong bent, je van het dorp naar de stad trekt, om vervolgens als je wat ouder bent, met gierende banden weer terug te keren. Welterusten!

Beschermengel

Nooit heb ik zo’n spannend boek gelezen als “weerlicht” van Dean Koontz. Het is alweer bijna twintig jaar geleden dat ik het las en ik was de naam van het boek allang weer vergeten. Maar ik wist nog waar het over ging dus ik googelde laatst even, gewoon omdat ik er aan dacht. Er zat iets in met nazi’s, met bliksem, een tijdmachine en een beschermengel, alle ingrediënten aanwezig voor een spannend boek. Het is mij een raadsel hoe je een boek schrijft dat blijft boeien. Een logje schrijven dat boeit gaat nog wel, maar daarin hoef je slechts in 400 woorden de aandacht van de lezer te houden. Maar een heel boek! En dat je het dan bij de laatste bladzijde nog jammer vindt dat het is afgelopen, dat is knap.

Weerlicht gaat over een onwaarschijnlijk maar niet onmogelijk verhaal. Voor zover ik nog weet kwamen de Nazi’s via een tijdmachine die ze in WO II hadden uitgevonden, naar deze tijd om hier het leven van een jonge vrouw in goede banen te leiden. Die vrouw zal dan wel weer het product van een Arisch project zijn geweest, en om haar te behoeden voor naderend onheil kwamen de Nazi’s via een bliksemschicht naar deze tijd en speelden haar beschermengel. Een mooie rol lijkt me dat, die van beschermengel. Eigenlijk nog beter dan die van degene die beschermd moet worden, en laten we eerlijk zijn, je kunt veel van de Nazi’s zeggen, maar iemand beschermen kon je wel aan ze overlaten.
Ik zou best iemands beschermengel willen zijn. Nog niet een echte Cherub natuurlijk, maar gewoon dat je iemand (moet wel een goed mens zijn, anders meld ik me ziek op een cruciaal moment) beschermt zonder dat diegene dat weet. Dat je steeds op cruciale momenten opduikt om de uitverkorene niet in zeven sloten tegelijk te laten lopen. Ja, dat lijkt me wel wat, zo’n anonieme heldendaad. Het mooiste is nog als alles in opdracht van een geheime organisatie gaat, dat maakt het wat professioneler. Bovendien kun je dan uitleggen op het moment dat je wordt betrapt, dat je niet gewoon aan het stalken bent, maar dat je een heldendaad aan het verrichten bent in opdracht van het genootschap van de oorspronkelijke oorsprong of iets dergelijks.

Mocht het verhaal niet geloofd worden en je krijgt de doodstraf wegens stalken, kun je natuurlijk als echte beschermengel in de herkansing. Maar dan zou ik een andere uitverkorene nemen in plaats van de ondankbare met wie je tijdens je leven het beste voor had. Voorlopig hou ik het allemaal maar op een briljant verhaal van Dean Koontz, maar misschien dat iemand van u toch aan het denken is gezet. Ik zou op bepaalde moeilijke momenten toch eens foto’s maken van de omgeving op dat moment. Misschien dat blijkt dat er steeds een in het zwart geklede man met een zwarte helm op staat.

Bewustwording

Hoewel pas 4% van het heelal begrepen wordt door de wetenschap, zijn er genoeg mensen die, niet gehinderd door kennis van wat zij niet weten, stellig zijn over hoe de kosmos in elkaar zit. Wetenschappers die begrijpen dat 96% volstrekt onbekend is, beperken zich dan ook vaak tot wat we wel weten. Het is de kennis die ze bescheiden maakt. Daar komt bij dat er niemand is die begrijpt wat er buiten ons heelal is, laat staan dat er iemand is die begrijpt wat er voor de oerknal was. Toch is het allemaal niet zo onbegrijpelijk als men soms denkt.

Ik begin dit college met uit te leggen wat er voor de oerknal was. Zoals u weet was dit heelal 13,7 miljard jaar geleden niet groter dan een flinke stuiterbal. Alles zat met een enorme kracht opeengepakt. Er was geen ruimte tussen het ene en het andere deeltje. Maar wat hield die stuiterbal nu bij elkaar, en hoe is die bal eigenlijk ontstaan? Daarvoor gaan we terug in de tijd tot 1 seconde voor de oerknal. Tenminste, dat is de fout die veel mensen maken bij het beredeneren van de oerknal. De tijd is een eigenschap die is ontstaan uit de oerknal, dus voor de oerknal was er geen tijd. We kunnen dus ook niet terug tot 1 seconde voor de oerknal. Vergelijk het met dat een deeltje niet sneller dan het licht kan, dat is dezelfde natuurkundige wet die ervoor zorgt dat je niet voor de oerknal kunt komen. In formulevorm: de wortel uit E = mc². We moeten dus aannemen dat de tijd niet verder terugkan dan 13,7 miljard jaar geleden.

Hoe omzeilen we dat nu? Stel nu dat er op dit moment buiten ons heelal, een nieuwe oerknal plaats vindt, dan kunnen we dus zeggen dat die knal plaatsvond op 13 november 2012. Zo is het met onze eigen knal ook, die vond plaats op 49-alenti-33-b. Dat is de tijdsaanduiding in het hiernaast gelegen heelal, genaamd haleel, op het moment dat onze oerknal plaatsvond. De waarnemers uit haleel konden dus wel precies aangeven wanneer onze knal plaatsvond en voor hen is het dan ook een koud kunstje om terug te gaan naar één seconde voor dat tijdstip. Echter, dat lost het probleem maar gedeeltelijk op, want hun haleel moet ook weer een begin hebben. En daar zit de grote denkfout. Het begin. Er bestaat geen begin. Het begin is door de mens uitgevonden, maar we moeten ons er bij neerleggen dat er eenmaal dingen zijn die er altijd al geweest zijn, en die er altijd zullen blijven, zolang ze maar waargenomen worden. Ze zijn niet ontstaan, geschapen, verwekt of opgericht, ze zijn er. Uw eigen bewustzijn bijvoorbeeld, dat is er. Het is de 4%. U heeft geen idee wanneer het ontstaan is, want het was er ineens, en toen het er nog niet was, wist u dat niet. Uw moeder (haleel) denkt wel dat ze u kan vertellen wanneer uw bewustzijn is geschapen, maar ze heeft geen flauw idee. Het was er plotseling, en niemand kan vertellen wanneer. Ja, ongeveer. 13,7 jaar geleden als u nu 14 bent. Uw onderbewustzijn, dat 96% van uw geest in beslag neemt was er altijd al. Niemand weet waar het is, alleen dat het er moet zijn, want u bent er immers niet altijd bij. Sterker nog, als we het onderbewustzijn gaan onderzoeken moeten we concluderen dat het ooit 100% was, maar dat het een klein stukje van zichzelf heeft prijsgegeven, namelijk vier procent.

Nu zijn we bijna bij de eindconclusie. Het heelal was er altijd al in de vorm van donkere materie, maar bij de oerknal ontstond gewone materie. Niemand weet precies wanneer, alleen ongeveer. Zelfs de waarnemers uit haleel weten het niet precies. Ze stonden er wel bij toen het gebeurde, maar ze konden er niet in kijken, zoals wij dat wel kunnen. Ineens waren wij ons bewust van ons eigen heelal, terwijl het er altijd al was, en het moment van bewustwording noemen wij het begin. Want anders begrijpen we het niet. Maar vanaf nu dus wel. Het was een kleine moeite.