Nies

Je hoort wel eens zeggen als iemand net bijna onhoorbaar heeft geniest, dat het niet goed is om je nies in te houden. Nee, prima, maar aan de andere kant is het uiterst storend om hem extra kracht bij te zetten en je hand niet voor je mond te houden. Ik zag er vandaag eentje zo in de nek van degene schuin voor mij vliegen. En niet alleen vanwege het fluimgevaar hoor, ik vind het ook onbeleefd om ongegeneerd meerdere malen op volle kracht te niesen. Er is toch ook een tussenweg? Dat je hem niet inhoudt, maar gewoon een beschaafd niesje in je zakdoek?

Ik had een collega die niesde elke dag een paar maal. Werd je niet door de fluim getroffen, dan wel door de echo. Ik keek hem dan kwaad aan en zei dat hij normaal moest doen. Maar hij kon er niks aan doen was zijn verweer. Onzin. Het is een kwestie van beschaving. Als ik een wind laat, dan doe ik dat expres. Nooit per ongeluk, want ik laat nooit ongecontroleerde winden. Zo is het met niesen en boeren ook. Alleen de hik, die gaat vrijuit.

Zelfvertrouwen

Morgen alweer de zesde examentraining. Tot nu toe haalde ik alle vakken in één keer, dinsdag het voorlaatste examen. Omzetbelasting is het onderwerp, als u het wilt weten. Ik heb de trainingen nodig voor het zelfvertrouwen. Zelfvertrouwen is iets dat ik van nature niet heb. Had ik veel zelfvertrouwen dan zou ik deze studie waarschijnlijk niet gedaan hebben. Want alles draait om twijfel. Ben ik goed genoeg, als vader, als mens, als echtgenoot, als werknemer? Ik kan niet achterover leunen en denken: ja, je bent goed genoeg. Als ik te lang achterover leun ga ik me slechter voelen. Ik ben serieus jaloers op mensen die wel achterover kunnen leunen, tevreden zijn met wat ze doen en met wat ze bereikt hebben. Dat vind ik een groter kunstje dan wat ik flik.

Ik zit nu twee weken in mijn nieuwe werk en het is een hele omschakeling. Van het veilige bureau van de accountant begeef ik me in de wereld van de snelle IT’ers, de marketing, en van de lach op commando. Dat is even omschakelen. Maar tot nu toe voelt het als een goede keus. Vandaag kreeg ik een uitnodiging voor een controllersmeeting in Zweden. Volgens mijn baas wordt dat de dufste meeting die er is. Ik vind het best spannend. Linda vindt dat ik een wereldbaan heb. Ik heb koudwatervrees. Maar ach, anderhalf jaar geleden toen ik naar mijn eerste examentraining in Utrecht moest, was ik ook zenuwachtig. Daar slaap ik nu al geen minuut minder meer om.

Anonimiteit

Een maand of tien geleden schreef ik een logje waarop erg veel gereageerd werd. Het ging over een jonge, mooie waterskiester die vlak na haar actieve carrière een dwarslaesie opliep en wiens leven nu lijkt uit te monden in een kluizenaarsbestaan in Amsterdam. Het was naar aanleiding van Andere Tijden sport, dat ik het logje schreef. Mijn logje werkte kennelijk als nazorg voor een aantal mensen die de documentaire hadden gezien.

Het hield me een tijdje bezig, het lot van Willy Stähle, maar na alles gezien te hebben wat er op internet over haar te vinden was, liet ik het maar verwateren. Het enige wat ik nog deed was een google-alert aanmaken op haar naam.

Vanochtend moest ik aan haar denken. Dat kwam omdat er in het nieuws was dat er een zeiler was verdronken op het Braassemermeer. Het Braassemermeer wordt door mijn hersenen direct met haar in verband gebracht. En nu, tien maanden na de uitzending van Andere Tijden, krijg ik de eerste Google-alert. Er was een zeiler verdronken op het Braassemermeer en ook Google bracht de Braassem in verband met Willy. Tien maanden niet genoemd worden op internet, en dat voor iemand die ooit bekend was, het lijkt mij een record.

Bankhangen waar je iets aan hebt.

Omdat ik de hele dag al bezig was geweest met de studie, trakteerde ik mezelf vanavond op een momentje bankhangen voor de televisie. Zappen ontaardt meestal in neerslachtigheid omdat je toch niks noemenswaardigs vindt. Nu was er een item over elektrische auto’s dat ik wel grappig vond, maar toen het afgelopen was moest ik door een hele hoop reclame en ellendige Amerikaanse shit heen voordat ik uitkwam bij dat voetbalprogramma met Johan Derksen. Geweldig! Ik mag graag in de krant lezen over voetbal, en ik weet ook wel de stand in de eredivisie, maar vraag mij niet wie de huidige spits van Ajax is. Dat vind ik ook totaal niet relevant, want ten eerste is het volgende maand weer iemand anders, en ten tweede, als hij heel goed was had ik zijn naam wel geweten.

Maar wat zo leuk is aan het programma met Derksen is dat hij zelf ook wel in de gaten heeft dat het niet echt relevant is wat daar allemaal besproken wordt. En dat hij zegt wat hij vindt. En dat hij niet gauw uit het veld is geslagen. En dat als je denkt dat je hem hebt, hij er uit schijnbaar kansloze positie toch nog overheen gaat. Nee, ik dacht vroeger dat hij een enorm arrogante zak was, die Derksen, maar ik heb me vergist. Hij is echt. Hij geeft degenen die daarom vragen hun vet. Verwende voetballertjes, gladde presentatoren, over het paard getilde trainers, BN’ers waarvan we niet weten hoe die bekend zijn geworden…prima. Daarmee werkt hij mee aan de bestrijding van de nablaatgeneratie die al praktisch over heel het land is uitgezaaid. Zijn er nog meer programma’s waarvan u zegt, dat moet Mack echt eens kijken, nu u dit zo gelezen heeft?

Tamar en Johannes.

Wat was Pasen ook alweer precies? Met Pasen vieren we, nou ja, sommige mensen vieren het nog maar, dat Christus is opgestaan uit de dood. God had zijn eniggeboren zoon gegeven om onze zonden te vergeven. Ik begrijp het allemaal niet zo goed, maar dat is de boodschap van Pasen. Veel mensen zien God intussen als een verzinsel van mensen, maar zoals Herman Finkers al eens opmerkte: ik heb dit gedicht verzonnen, toch bestaat het.

Het geloof is iets moeilijks en persoonlijks. Historici zijn het er over het algemeen wel eens over het hebben bestaan van Jezus, maar uiteraard niet over de verhalen uit de bijbel, die ook wel enigszins vreemd overkomen. Ik stel aan mezelf nooit vragen over de bijbel want wat is moelijk aan over water lopen als je tenminste gelooft dat God almachtig is? En wat heeft het voor zin om wel in Jezus te geloven maar niet in de wonderen die hij verrichtte? Wetenschappelijk zijn ze niet te verklaren en dat is de reden dat veel mensen het geloof maar laten voor wat het is. Ik geloof, maar ik twijfel over de stelligheid waarmee je dat zou moeten doen.

Uit onverwachte hoek wordt er druk op mij uitgeoefend. Linda vindt dat het tijd wordt dat ik mijn kinderen iets ga bijbrengen over het Christelijk geloof. En waarom vindt ze dat? Omdat het haar nooit is bijgebracht en ze er ook werkelijk niets over weet. Ze weet niet eens wie de hoofrol had in het verhaal. En dat vindt ze een gebrek aan haar opvoeding. Goed, als iemand het kan weten, is zij het wel. Het is ook maar net waar je wieg komt te staan of je er iets van meekrijgt of niet.

Je hoort wel eens het argument dat kinderen op latere leeftijd zelf maar moeten beslissen of ze willen geloven of niet. Nou, dat zal ook zeker gebeuren. Ook al ben je streng gelovig opgevoed, dan beslis je dat op latere leeftijd ook zelf. Maar als je ze niks bijbrengt, dan komt er natuurlijk nooit een beslissing.

Gelovigen zijn niet beter of slechter dan ongelovigen. Onder de gelovigen zitten aanwinsten voor de mensheid, net als onder de ongelovigen. En onder de gelovigen zitten enorme eikels, net als onder de ongelovigen. Je wordt er niet een beter mens door, denk ik. Maar om de keuze te kunnen maken, moet je wel weten wat er zich tweeduizend jaar geleden al dan niet heeft afgespeeld.

Dat Jezus is gestorven voor onze zonden vind ik lastig te begrijpen. Het klinkt als een vrijbrief, maar dat gaat lijnrecht in tegen wat ik geloof. Ik neem het voor kennisgeving aan, en dat gaat weer lijnrecht in tegen het geloof. Ik blijf erbij, het geloof is iets moeilijks en het is zelfs een grote verantwoording om er mee om te gaan. Maar dat er iets van kennisoverdracht moet gebeuren naar Tamar en Johannes, ja, dat lijkt mij ook. Het zal me niet in dank worden afgenomen als ik het niet overdraag. Hun wieg stond immers niet voor niks waar hij stond.

Het dorp

Ergens in 1970 zong Wim Sonneveld over het dorp. Een lied waarin hij zijn zorg kenbaar maakte over de nieuwe tijd, net wat u zegt. Ik vraag mij af wat hij van deze tijd gevonden zou hebben. Want soms verlang ik weer naar de tijd waarover Sonneveld bezorgd was. Het internetloze en gsm-loze tijdperk, waarvan ik me herinner dat het het een prima tijd was en waarin mensen in hun waarde werden gelaten. De wereld was nog wijd en emigreren stond gelijk aan een afscheid voor altijd. De zorgen waren kleiner en overzichtelijker. Mensen gingen nog niet massaal dood aan kanker, ze gingen gewoon als het hun tijd was. En de politiek werd nog bedreven door mensen tegen wie je opkeek.

Kortom, ik word oud en ik voel hetzelfde als Wim Sonneveld. De kans is groot dat over veertig jaar een klein jongetje van nu terugverlangt naar deze tijd, waarin je nog een vrije wil had, en als je dat wilde, je kon verstoppen zonder dat iemand wist waar je was. Naar de tijd toen het zelfmoordpercentage nog niet op 60% lag. De brainchip die iedereen bij zijn geboorte krijgt geimplanteerd vraagt wel veel van je stressbestendigheid. Goed, je kunt overal en altijd met iedereen over de hele wereld communiceren, er zijn geen vragen meer waarop je het antwoord niet weet, en iedereen krijgt dagelijks een afgemeten dosis dopamine en pijnstillers ingespoten, maar het voelt toch wel erg kunstmatig aan, dit leven.

Maar waar dit lied over ging…geen idee.

Le Pilote

U kent mij als een autoliefhebber. Ik hou van snelle, lichte, sober uitgeruste auto’s met licht rauw lopende motor en een strakke wegligging. Nu heb ik een auto van de zaak en het is een behoorlijk lelijke Peugeot met dieselaggregaat. Maar een auto van de zaak is gevoelsmatig heel anders dan een eigen auto. Deze auto brengt mij door de spits naar mijn werk, op uiterst comfortabele wijze, hij heeft een navigatiesysteem en een carkit, waardoor ik nu de laatste Nederlander ben die nog opgewonden wordt van handsfree bellen in de auto. Maar het allermooiste van de hele auto vind ik toch wel dat hij is uitgerust met een hoogtemeter. Je zou er haast een Peugeot voor nemen.

Misschien kent u de Amersfoortse weg tussen Nieuw-Milligen en Apeldoorn. Als je uit de richting Amersfoort komt ga je eerst twee kilometer lang naar beneden. Tenminste, met de fiets wel. Volgens de hoogtemeter klim ik echter 10 meter op dat stuk. Even verderop ga je een heuveltje op en ook daarna op de afdaling ging ik weer 10 meter omhoog. (Hij geeft elke 10 meter hoogteverschil aan). Bij de Aardhuisweg gaf de meter aan dat ik me op 110 meter boven zeeniveau bevond. Ik vind het fantastisch, zo’n meter. Niet vreemd, want ik wilde altijd al piloot worden. Ik hoop dat ik tijdens de zomervakantie in Frankrijk deze auto nog heb. Dan kan ik de bereikte hoogtes mededelen aan de passagiers. Die vinden dat vast leuk. De Fransen spreken toch al van “le pilote” als ze de coureur bedoelen. Nu snap ik waarom. Ze hebben hoogtemeters.

Voetbal

Het zal nu denk ik een jaar of twintig geleden zijn dat de eerste verwijfde voetballers besloten om hun stoere zwarte voetbalschoenen in te ruilen voor witte. Niet lang daarna volgden paarse, blauwe, gele, rode en zelfs roze. Geen voetballer die zich ervoor schaamt. Maar voetbal is ook geen echte mannensport meer. Het damesvoetbal wordt steeds populairder en de spelers die de top hebben bereikt zijn half voetballer en half modepop. Ik vraag me af hoelang het nog duurt voordat de eerste op het idee komt om voortaan op zwarte voetbalschoenen te spelen. Want je kunt je weer onderscheiden in de voetballerij. Stel, je speelt op zwarte voetbalschoenen, je hebt een alledaagse haardracht en je hebt geen tatoeages, dan val je toch wel heel erg op in het veld. Voor je het weet maakt men je voor verwijfd uit.

Voetballers blinken niet uit door originaliteit. Valt het u wel eens op dat als er een geinterviewd wordt en hij krijgt een kritische vraag, hij altijd in de tweede persoon enkelvoud praat? “Je bent een jonge speler, en je krijgt een aanbieding,” in plaats van “ik was een jonge speler en ik kreeg een aanbieding.” Of: “je probeert die tackle te maken” in plaats van “ik probeerde die tackle te maken.” Als er een geweldige actie is gemaakt, dan is het ineens wel de eerste persoon enkelvoud. “Ik nam die bal goed aan en scoorde.” Of ze halen het door elkaar: “Je koopt blauwe voetbalschoenen waarmee ik de bal goed aannam.”

Nou ja, dit gaat nergens heen verder. Je bent de hele dag druk geweest en je ergert je overdreven aan voetballers. Dan ga je dit soort logjes schrijven. Maar volgende keer lever ik weer uitmuntende kwaliteit. Alsikblief.

m/v/o

Ik zit daarnet eens even door het Groene boekje te bladeren en kom tot de ontdekking dat Nederlands een onmogelijke taal is. Want net als je denkt dat je het snapt, volgt er een uitzondering die de regel ontkent. Ik snap zelf wel hoe het ongeveer met de d en de t in werkwoorden werkt, en dat vind ik al heel wat. Maar wie verzint nu dat het woord “eierstok” (het is weer bijna Pasen) mannelijk is en “erectie” vrouwelijk? Dat “ei” onzijdig is kan ik nog begrijpen. Je weet immers niet of er uit een ei een hen of een haan komt. Maar een eierstok heeft toch weinig mannelijks in zich. Een erectie wel. Die zijn meestal mannelijk. Vrouwelijke erecties, daar heb ik helemaal niks mee. Net zo min als met mannelijke eierstokken, dat is vragen om problemen.
Orgasme is weer onzijdig. Het heeft dus geen geslacht. Terwijl je er toch echt minimaal één geslacht voor nodig hebt. Tenzij ik natuurlijk achterloop op de moderne technologie, wat ook weer niet geheel ondenkbaar is, maar ik heb nog nooit gehoord van een huis dat bij de dokter kwam vanwege storingen in de beleving.

Ik zat te denken om een nieuw vrouwelijk lidwoord in te voeren, zoals da. Maar een vrouwelijk lidwoord roept op zich ook gelijk weer vraagtekens op. Dus misschien is het wel beter om alle woorden voortaan onzijdig te maken en voor alle zelfstandige naamwoorden het woordje “het” te plaatsen. Of ontstaan er dan problemen met het voortplanting? Ik overzie ten slotte ook niet alles, maar daar heb ik u dan weer voor.

Imagoherstel van de leasebakrijder.

Vandaag werd een voorloopauto bij me afgeleverd, een voorlopige auto totdat de leasebak komt. Het is een Peugeot 308 geworden, in saai antreciet, zodat hij vooral niet opvalt. Tussen 10:00 en 12:00 was er gezegd, maar om half tien ging de bel al. Ik lag nog in bed, het was laat geworden, ik was bij mijn moeder en daar kom ik haast nooit. Een combinatie van druk en lapzwans, maar goed, het werd gelijk drie uur ’s nachts, dus we kunnen er weer even tegen. Ik schoot in de kleren, nam de auto in ontvangst en vroeg aan de jongeman die hem afgeleverd had hoe hij nu terug ging. Wat bleek? Met het openbaar vervoer en of ik een bushalte in de buurt wist. (student met een ov-chipkaart, lekker goedkoop voor de leasemaatschappij) Nou, die wist ik wel, stap maar in dan breng ik je even.

Dat sloeg hij niet af, en hij merkte op dat dat niet vaak voorkwam dat hij nog even een lift kreeg. En daar bevestigde hij weer precies even wat ik altijd riep over de hufterigheid van de leaserijder. Pochen met spullen die niet van jezelf zijn en blazen met die bak omdat overmatige slijtage toch niet door jezelf opgehoest hoeft te worden. Ik ga daar verandering in brengen mensen. Ik ga het imago van de leaserijder proberen te herstellen. In wat voor auto ik dat ga doen dat weet ik nog niet, maar eigenlijk zou ik het in een VW Golf moeten doen. Want die berokkenen toch wel de meeste schade aan het imago van de leaserijder. Maar nee, ik heb mijn grenzen. Ik zit alleen met het probleem dat men mij straks toch niet herkent als leasebakberijder. Want waarom zou ik de motor rustig opwarmen en waarom zou ik anders die verkeersdrempel zo voorzichtig nemen? Daarom denk ik dat maar moet vragen of ik op beide portieren grote stickers van de leasemaatschappij mag.