Niet vaak heb ik het moeilijk met een nieuwsbericht. Natuurlijk, er zijn dingen die indruk maakten zoals de Bijlmerramp of 9-11, en er zijn dingen die je raken omdat je de betrokkene kent, maar de vermissing van de twee jongetjes houdt me bezig. Om de zoveel tijd kijk ik op nu.nl of er al nieuws is. Het heeft niks met sensatie te maken, verre van dat. Dit doet me echt pijn, het zijn echte gevoelens. Misschien komt het omdat je zelf ouder bent. Misschien komt het door de leeftijd. Maar het beeld van twee jongetjes, ’s avonds laat op de achterbank van een blauwe Hyundai, dat ik zelf heb gecreëerd maakt me triest en boos. Natuurlijk, als buitenstaander moet ik buiten het gevoel blijven, maar kan dat wel? Ik ga straks slapen en kijk nog even bij mijn kinderen, dus ik heb geen probleem, zou je zeggen. Heb ik ook niet, straks worden de broertjes gevonden, het nieuws ebt weg en we gaan weer over tot de orde van de dag, want zo is het leven, en zo moet het ook. Anderen moeten door opdat jij straks verder kunt.
Meestal heb ik nog wel een grijntje begrip voor een dader, maar in dit geval is dat weg. Ik maak er ook niet teveel woorden aan vuil. Ik heb het ook al over een dader terwijl nog niet vaststaat dat er een dader is. Mochten deze jongens levend worden teruggevonden dan zou er een dag van nationale vreugde moeten worden uitgeroepen. Ik zou staan te juichen in elk geval, maar het is nauwelijks meer iets waar je nog op durft te hopen. Ik denk slechts aan de plek waar ze straks levenloos gevonden gaan worden. Dat ik wel eens iets geroepen heb over de bosjes in de lus van de af- of oprit van een snelweg, omdat daar immers nooit iemand komt. Dat vond ik destijds wel grappig, toen er nog geen twee kinderen vermist werden. Nu hoop ik dat de d(v)ader dat nooit heeft gelezen. Dit is voor het eerst dat ik wat voel voor het Pre-crime systeem uit Minority Report. Of dat we de tijd simpelweg een weekje konden terugdraaien.
Hopen op het onmogelijke, het is een vorm van medeleven, ijdele hoop op die kleine kans dat ze ergens vastzitten en dat ze nog leven. Het is naïef om zo te denken en ik geloof er zelf niet in, maar liever zou ik erin geloven. Nog beter zou het zijn als ik cynisch was en ze werden levend teruggevonden. Maar cynisch kan ik niet zijn. Maar ik zie de dader niet meer terug veranderen in een vader. Ik zie slechts de foto van twee lachende broertjes en voel het grote onrecht.






























































































































































































































































