Naarmate ik ouder word, word ik ook steeds knorriger. Was ik vroeger een vriendelijke man, nu is dat wel grotendeels weg. Ik merk het aan kleine dingetjes, zoals een inzamelingsactie op tv. Vroeger vond ik dat belangrijk, maar tegenwoordig kijk ik er niet eens meer naar.
Als ze me op mijn werk vragen hoe mijn weekend was, dan heb ik eigenlijk niet zo’n zin om dat te delen. Mijn weekend was mijn weekend, geen hoogtepunt in mijn leven, gewoon weekend. En waar ik het helemaal aan merk is dat ik ook niks meer kan hebben van een knappe vrouwelijke collega. Altijd moet ze wat van me, tenminste, zakelijk. En ik ben druk, dus ik denk als ze naar me chat:”ja ja, kom nu maar terzake,” maar zo gaat het niet. “Goedemorgen Mack, hoe was je weekend?” (op de chat) “Ja goed.” Moet je verdomme nog vragen hoe dat van haar was. Je bent al weer vijf minuten verder eer je weet wat ze van je wil. Meestal iets waarvan je al een paar keer gezegd hebt dat het niet kan. Ik maakte altijd voor twee collega’s cappuchino als ze ’s ochtends binnenkwamen. En nu staat me dat ook al tegen. Kortom, ik verander langzaam in een paardelul. Behalve in vakanties, dan heb ik dat niet. Dan vind ik alles om me heen mooi. En misschien valt het nog wel ietsje mee, want tegen vreemden ben ik meestal wel beleefd.
Nu heb ik ook wel de nodige stress de laatste tijd, daar zal het ook alles mee te maken hebben. Bovendien is mijn eigenwaarde eraan sinds ik geen boekhouder meer ben. En ik heb mijn door de dokter aanbevolen hoeveelheid medicijnen gehalveerd zonder te overleggen. En mevrouw Mack moet geopereerd worden maandag, en moet daarna minimaal zes weken revalideren. En ik ben opgehouden te geloven dat ik de wereld kan verbeteren. Ik dacht dat mijn verzet verschil zou maken. Maar dat is niet zo. Een teleurstelling. Een mislukking en een overschatting van mezelf. Nu heb nieuwe inzichten nodig om te voorkomen dat de tweede helft alleen nog uitspelen wordt.