Die Hans van mij, die is me er eentje. Je kunt er de oorlog niet mee winnen, maar hij gaat wel naar een opleiding die voorbereidend is voor defensie. Nou ja, dan maar hopen dat het geen oorlog wordt, al is het altijd wel ergens oorlog. Kwestie van zoeken. En misschien kun je de oorlog juist wel met hem winnen, hij is betrouwbaar en zet zich in voor dingen die hij belangrijk vindt, maar er zit toch een aangeboren onhandigheid in hem.
Kijk, afgezien van dat hij een fijne gozer is, die niemand buitensluit, zijn elftal aanspoort, keeperstrainer voor de kleintjes wordt en die vrijwel met iedereen kan opschieten is hij wel een oetlul. Ik geef maar geen voorbeelden, geloof me maar gewoon.
Vanavond, tijdens badminton sprak ik twee havisten, die allebei geslaagd waren en ik vroeg wat ze hierna gingen doen. Daarna gaf ik ze mijn complimenten voor het slagen en zei dat ik er ook eentje net geslaagd thuis heb. Dat wisten ze, want ze zeiden beiden lachend in koor: Haaans, de doerak van de school. En of ik vroeger ook zo was.
Doerak? Mijn Hans? Dat is toch een bijzondere status die hij daar heeft behaald. Het was niet zo dat leerlingen uit hogere klassen wisten wie ik was, vroeger. Nee, dat was niet zo, maar in mijn verdediging, ik had minder reden tot vrolijkheid dan hij. Maar toch, ik voelde me een beetje vereerd. Voor de zekerheid zocht ik het even na. Doerak is een leenwoord uit het Russisch; doerak (дурак) betekent in die taal ‘domkop, dwaas’. In het Nederlands betekende doerak in eerste instantie ‘gemeen, laaghartig mens’, maar later ontstond de afgezwakte of zelfs enigszins liefkozende betekenis ‘ondeugd, deugniet, bengel’.



