Ik roep wel eens dat ik iets nog nooit heb gezien. Zo riep ik een keer dat ik nog nooit een slang had gezien, prompt kroop er een slang over het pad. Een poosje terug zei ik dat ik nog nooit een das had gezien, en hoppa, ik zag een das. En gisteren zei ik dat ik op het hondenlosloopgebied nog nooit een zwijn had gezien, wat zie ik vanavond? Twee zwijnen. De hond hoorde er eentje en rende het bos in, achter het zwijn aan. Ik riep haar terug, en ze kwam vrijwel gelijk, wat ook puur toeval is. Misschien vond ze het zwijn ook wat groot en was mijn roep een goed excuus om de jacht af te blazen. Maar ik moet eens wat doen met deze gave. Heeft u een bepaald beest nog nooit gezien, laat het me dan weten in de reacties, dan zal ik het hardop uitspreken en de volgende dag een foto voor u maken. Deze dienst is nu nog gratis.
Alsof Trump niet aan de macht is
En zo is het alweer september. Je kunt wel halsstarrig vast houden aan het feit dat het officieel nog zomer is, maar het is al koud vroeg in de ochtend, en de herfst komt eraan. Ik liep in het bos vanochtend en zag geen enkel wild dier. Een bron die ’s zomers een walhalla voor kikkers is stond bijna droog. De droogte lijkt een slachting te hebben aangericht. En nu moeten de dieren die het hebben overleefd nog snel hun reserves aanvullen voor het winter wordt. Er komt een strenge winter aan. Alles wijst erop, vooral mijn nek. Als die gaat kletsen, dan weet je dat er een Elfstedentocht zit aan te komen. Het wordt vandaag dan wel weer mooi en warm, en er zal heus nog wel een zwaluw te zien zijn, maar een zwaluw in september is anders dan een zwaluw in juni. In juni weet je dat je de koude seizoenen achter je hebt gelaten en dat de zomer nog moet komen. Dat groene seizoen vol van warmte waarin je je amper kunt voorstellen hoe de winter in hemelsnaam een kans kan krijgen. En toch gebeurt het. Binnenkort wordt de mais geoogst en valt die druilerige, koude regen weer op de modderige akkers. Het is weer voorbij die mooie zomer. Hoe we het elke winter toch weer overleven, het lijkt nu een raadsel.
Maar ik weet hoe het komt. Hebben we nu een heerlijke zomer gehad, straks komen de journaals, de social media en de politici weer met allerlei leuke en zinvolle vraagstukken waar wij dan weer een mening over mogen hebben. Over Zwarte Piet, dodenherdenkingen waarbij we de nazi’s herdenken, straatnamen van zeehelden die boevenstreken uithaalden, Trump die weer iets roept waar we geen last van hebben maar waardoor we toch in opstand komen, en natuurlijk de klimaatverandering. Zo kunnen we ons de hele winter bezighouden, om dan ergens in de zomer op een ver vakantieadres tot rust te komen en je af te vragen wat je je toch in godsnaam druk maakt over Trump. Hier, een liedje. Luister en voel de zomer. Als je het luistert is het alsof Trump helemaal niet aan de macht is.
Onbeantwoorde liefde
Ik was vroeger kortstondig maar hevig verliefd op een jonge vrouw. Ze was donker, knap, en sprak vloeiend Italiaans. Als ze over het strand liep met haar pups, haar wollen trui, haar dikke donkere haar dansend in de wind, werd ze onweerstaanbaar. Soms keek ze peinzend voor zich uit, en soms glimlachte ze naar me. Ik wilde al haar zorgen wegnemen, de eenzaamheid die ze uitstraalde laten verdwijnen, maar dan moest ze eerst snappen hoeveel ik voor haar voelde. Daarvoor moest ze mijn gedachten kunnen lezen, mijn gelaatsuitdrukking herkennen, maar dat kon ze niet. Ik vroeg me af of die glimlach van haar wel gemeend was, of dat ze die soms tegen iedereen opzette.
Het bleef alleen van mijn kant komen. Ik begreep later dat zij meer bezig was met ene Marco, een Italiaan natuurlijk, die ze van school kende. Ze had eens moeten weten wat Marco voor een gladjakker was, maar net als alle mooie vrouwen voelde zij zich meer aangetrokken tot een gladjakker. Laura, zo heette ze. Pausini volgens mij met haar achternaam. Het bleef bij een cd die ik van haar kocht, en die een tijdje op mijn nachtkastje heeft gestaan.
Kwal
Ik keek gisteren een Netflix serie, iets met gevaarlijke dieren van Azië. Het waren er 72 die streden om de titel “het gevaarlijkste dier van Azië” Nou, dan duurt de avond lang hoor! Ik moest behoorlijk veel doorspoelen omdat ik ook nog ergens naar bed moest, maar om half één had ik uitsluitsel, een verrekte kwal had gewonnen. Als je in zijn tentakels terecht komt, sterf je binnen twee minuten, volgens een overlevende.
Het was nogal Amerikaans aangedikt, maar ik wilde het einde weten. Dus ik maar spoelen door al die reptielen, weekdieren, insecten, geleedpotigen, vogels, zoogdieren en amfibieën. En aan het eind wint dan zo’n miezerig kwalletje. Daar zit je dan drie uur naar te kijken. Ik voelde mezelf knikkebollen, zo lang duurde het. Maar wat nu als een grote haai tegen de kwal aanzwemt? Of als een zoutwaterkrokodil wordt aangevallen door een nest hornaars? Of als een tijgermug een tijger steekt? En waarom heeft zo’n fucking kwal zoveel gif nodig als hij toch maar kleine visjes vangt? Je maakt mij trouwens niet wijs dat zo’n kwal beseft wat hij aan het doen is. En al helemaal niet dat hij zojuist uitgeroepen werd tot Azië’s gevaarlijkste.
Jack
Vanochtend in bed moest ik er ineens aan denken, aan die arts die me 13 jaar geleden vroeg of ze filmbeelden van Hans mochten maken en gebruiken om te laten zien tijdens colleges. Ik heb toen nee gezegd. Ze mochten wel zijn medische gegevens gebruiken, maar die beelden van dat jochie dat moest vechten om te overleven, dat ging me te ver. Hij had een erg slechte start destijds, en natuurlijk had het allemaal voorkomen kunnen worden als er sneller was ingegrepen. Hij had het al te lang benauwd en het duurde ook veel te lang voor men besloot om tot een keizersnee over te gaan. Toen hij geboren werd moest hij aan het ademen gebracht worden, maar ons was niet duidelijk hoe serieus de situatie op dat moment was. De arts vertelde ons doodleuk dat we moesten afwachten wat hij zou overhouden aan deze start. Pas anderhalf jaar later werd er vastgesteld dat alles goed met hem was. Hij had geen schade opgelopen en hij had geen aangeboren longafwijking.
Op mijn weblog plaatste ik de eerste foto’s van Hans en na een paar dagen begonnen ervaren moeders al te roepen dat het kind niks mankeerde. Dat vond ik fijn om te horen, maar ik vond het ook wel een gewaagde uitspraak. Maar ze hadden gelijk, hun moederinstinct vertelde ze kennelijk de waarheid.
Nu is hij dertien en noemt hij me “Jack.” Zoiets sluipt erin en waarom dat precies is weet ik niet, maar het heeft met Jack van Gelder te maken. “Papa, weet je dat je op Jack lijkt,” hoor ik meerdere malen per dag. “Je bent kaal papa, net als Jack.” Soms vraag ik me hardop af of hij echt geen schade heeft opgelopen. Veel meer geluk dan wij kun je niet hebben. Hij is geen uitblinker op school, en ook niet in sport, al schijnt hij het als keeper goed te doen, maar hij is wel super sociaal en veel mensen lopen met hem weg. Met de kennis van nu hadden ze de beelden mogen laten zien in de collegezaal, maar toen kon ik het niet over mijn hart verkrijgen. Jack.
18 Augustus
Het is 18 Augustus, de beste datum van het jaar. Omdat Augustus nu eenmaal de sterkste maand is en de 18e de sterkste dag. Waarom dat zo is, is wat lastig te zeggen. Augustus is sterk verbonden met de zon en met de leeuw. Allebei symbolen van enorme kracht. De zon is van goud en de moedige leeuw heerst als een koning. Hij luiert, maar pas na gedane arbeid. De 18e ligt in het midden in de maand verscholen. 18 is groots. Voor een kind is 18 oud, onbereikbaar ver weg. Een 18-jarige is sterk, hij kan met de volwassenen mee. In 18 augustus zit alle krachten van de aarde opgesloten. Vraag me niet waarom, het is zo. Sterker dan 18 augustus kan het niet worden. Als je vandaag jarig bent, mag je van geluk spreken.
Predator
Ik heb het gewoon gedaan. Ik heb de IJssel overgezwommen vandaag. Aan het einde van de kanotocht van Deventer naar Olst dacht ik, het is nu of nooit. Eerst heb ik mij met de donkergrijze klei die aan de oever ligt ingesmeerd. Niet dat dat ergens voor nodig was, maar ik heb dat ooit in de film Predator gezien, en zo was ik onzichtbaar voor warmtecamera’s. Daarna ben ik het water ingedoken, en naar de overkant gezwommen. In het midden is de stroming zo sterk dat je denkt dat je niet meer vooruit komt, maar dat is niet zo. Je drijft alleen af. Uiteindelijk kwam ik maar vijftig meter verderop aan de overkant terecht. Ik was blij. Een lang gekoesterde wens is afgestreept.
De kanotocht was zwaar. Het bleek een opblaasbare kano te zijn, en vooral voorin was het niet te doen. Je rug heeft daar geen steun, en dus raak je snel uitgeput. Op mijn knieën peddelen hield ik ook niet echt lang vol, en uiteindelijk wisselden we van plek. Achterin gaat het stukken beter. In het begin leek het bootje erg instabiel, maar later voeren we vol tussen de boeggolven van de grootste rijnaak. Geen probleem. Ik vond 15 kilometer in dit bootje wel genoeg. Met een betere boot, het dubbele. Tegen de stroming in. 
Aan het eind van de dag, nog voor ik gedronken had, viel ik na het douchen van de trap. Niet ver, vier treden, maar
Een kolkende IJssel
Vijf jaar geleden maakte ik een afspraak met iemand die vandaag ingelost gaat worden. We zouden gaan kanovaren op een ‘kolkende’ IJssel. Ik heb geen idee meer hoe ik hierop kwam, waarschijnlijk had het te maken met mijn hang naar avontuur in de achtertuin. De wolven zijn er inmiddels, en een rivier overzwemmen is een van die andere dingen die ik avontuurlijk vind. Nu mag je tegenwoordig geen rivier meer overzwemmen, dat is gevaarlijk, en dat is natuurlijk jammer, maar het is te druk met schepen.
Maar varen mag wel, en nu zullen we dus het kolkende water van de IJssel trotseren. Watervallen, stroomversnellingen, draaikolken, keerwateren, en natuurlijk de watermonsters die zich in de IJssel schuilhouden, aan al deze gevaren zullen wij niet blootgesteld worden. Nee, dit wordt natuurlijk roeien en na een kilometer hebben we spijt. Hopelijk gaan we stroomafwaarts.
Een droge overdenking.
Mijn laatste vrije dag breng ik bier drinkend door in de achtertuin. Ik weet even niets beters. Vroeger vond ik de verhalen van kleine Hiawatha die de regendans danste erg grappig. Nu begrijp ik pas dat het bittere ernst moet zijn geweest, de droogte. Een plas in het bos die er het hele jaar is, staat kurkdroog. Dit is Nederland, dus het zal wel loslopen, maar ik kan me dit niet herinneren, zo’n lange periode van droogte. Straks gaat het regenen, en hard ook, en dan zult u ongetwijfeld aanlopen tegen een landbouwer die zegt dat de natuur niets heeft aan een stortbui. Ik zou er voor kiezen om er niet op in te gaan. In Afrika stortregent het altijd na een lange periode van droogte, en ineens ontkiemen de zaden die daar al maanden lagen te wachten. Er ontstaan rivieren en meren en de olifanten geven het startsein voor het regenfeest.
Desalniettemin is het de bedoeling dat ik morgen op zolder werk terwijl de koperen ploert vol op m’n dak schijnt. Je snapt niet wat mensen zichzelf aandoen met werken. Ik weet wel dat ik morgenavond uit deze luie stemming ben en dat de samenleving mij er alweer van heeft overtuigd dat het erg nuttig is wat ik doe. En dat ik dan weer gehersenspoeld een jaar verder werk, tot aan de volgende vakantie. En zo verder tot aan mijn pensioen, als dat ooit komt, en zo verder tot de dood, die ooit komt. En wat je hier dan in de tussentijd hebt gedaan, dat zal toch altijd het grootste raadsel uit de geschiedenis van de raadsels blijven.
Het meisje met de vlinder
In Frankrijk aan het meer, zonden een moeder en haar twee dochters. De moeder was grijs, maar was geen oude vrouw, de dochters waren een jaar of vijftien. Het trio in bikini maakte geen geluid. Ze liepen met z’n drieën het koude meer in, en waren er sneller door dan ik. Een dochter deed iets wat op schoonzwemmen leek, de andere en de moeder keerden snel terug naar hun ligstoelen. Ze hadden alle drie iets moois, iets sierlijks. Toen de schoonzwemmende dochter terugkwam, landde er een vlinder op haar hand. Ze maakte gebaren met haar vrije hand naar de andere twee, en ging verderop in het gras zitten, nog altijd met de vlinder. En toen had ik het pas door. Iemand van dit trio was doof. Of twee, of alledrie, dat heb ik niet kunnen ontdekken. Ze beheersten de gebarentaal, en spraken die met elkaar. Ik kon mijn ogen er moeilijk vanaf houden. Het mooist vond ik het meisje met de vlinder, die met één hand gebaarde naar de anderen. Het zag er niet uit als een beperking, het zag eruit als een gave.