Het dorp

Ergens in 1970 zong Wim Sonneveld over het dorp. Een lied waarin hij zijn zorg kenbaar maakte over de nieuwe tijd, net wat u zegt. Ik vraag mij af wat hij van deze tijd gevonden zou hebben. Want soms verlang ik weer naar de tijd waarover Sonneveld bezorgd was. Het internetloze en gsm-loze tijdperk, waarvan ik me herinner dat het het een prima tijd was en waarin mensen in hun waarde werden gelaten. De wereld was nog wijd en emigreren stond gelijk aan een afscheid voor altijd. De zorgen waren kleiner en overzichtelijker. Mensen gingen nog niet massaal dood aan kanker, ze gingen gewoon als het hun tijd was. En de politiek werd nog bedreven door mensen tegen wie je opkeek.

Kortom, ik word oud en ik voel hetzelfde als Wim Sonneveld. De kans is groot dat over veertig jaar een klein jongetje van nu terugverlangt naar deze tijd, waarin je nog een vrije wil had, en als je dat wilde, je kon verstoppen zonder dat iemand wist waar je was. Naar de tijd toen het zelfmoordpercentage nog niet op 60% lag. De brainchip die iedereen bij zijn geboorte krijgt geimplanteerd vraagt wel veel van je stressbestendigheid. Goed, je kunt overal en altijd met iedereen over de hele wereld communiceren, er zijn geen vragen meer waarop je het antwoord niet weet, en iedereen krijgt dagelijks een afgemeten dosis dopamine en pijnstillers ingespoten, maar het voelt toch wel erg kunstmatig aan, dit leven.

Maar waar dit lied over ging…geen idee.

Le Pilote

U kent mij als een autoliefhebber. Ik hou van snelle, lichte, sober uitgeruste auto’s met licht rauw lopende motor en een strakke wegligging. Nu heb ik een auto van de zaak en het is een behoorlijk lelijke Peugeot met dieselaggregaat. Maar een auto van de zaak is gevoelsmatig heel anders dan een eigen auto. Deze auto brengt mij door de spits naar mijn werk, op uiterst comfortabele wijze, hij heeft een navigatiesysteem en een carkit, waardoor ik nu de laatste Nederlander ben die nog opgewonden wordt van handsfree bellen in de auto. Maar het allermooiste van de hele auto vind ik toch wel dat hij is uitgerust met een hoogtemeter. Je zou er haast een Peugeot voor nemen.

Misschien kent u de Amersfoortse weg tussen Nieuw-Milligen en Apeldoorn. Als je uit de richting Amersfoort komt ga je eerst twee kilometer lang naar beneden. Tenminste, met de fiets wel. Volgens de hoogtemeter klim ik echter 10 meter op dat stuk. Even verderop ga je een heuveltje op en ook daarna op de afdaling ging ik weer 10 meter omhoog. (Hij geeft elke 10 meter hoogteverschil aan). Bij de Aardhuisweg gaf de meter aan dat ik me op 110 meter boven zeeniveau bevond. Ik vind het fantastisch, zo’n meter. Niet vreemd, want ik wilde altijd al piloot worden. Ik hoop dat ik tijdens de zomervakantie in Frankrijk deze auto nog heb. Dan kan ik de bereikte hoogtes mededelen aan de passagiers. Die vinden dat vast leuk. De Fransen spreken toch al van “le pilote” als ze de coureur bedoelen. Nu snap ik waarom. Ze hebben hoogtemeters.

Voetbal

Het zal nu denk ik een jaar of twintig geleden zijn dat de eerste verwijfde voetballers besloten om hun stoere zwarte voetbalschoenen in te ruilen voor witte. Niet lang daarna volgden paarse, blauwe, gele, rode en zelfs roze. Geen voetballer die zich ervoor schaamt. Maar voetbal is ook geen echte mannensport meer. Het damesvoetbal wordt steeds populairder en de spelers die de top hebben bereikt zijn half voetballer en half modepop. Ik vraag me af hoelang het nog duurt voordat de eerste op het idee komt om voortaan op zwarte voetbalschoenen te spelen. Want je kunt je weer onderscheiden in de voetballerij. Stel, je speelt op zwarte voetbalschoenen, je hebt een alledaagse haardracht en je hebt geen tatoeages, dan val je toch wel heel erg op in het veld. Voor je het weet maakt men je voor verwijfd uit.

Voetballers blinken niet uit door originaliteit. Valt het u wel eens op dat als er een geinterviewd wordt en hij krijgt een kritische vraag, hij altijd in de tweede persoon enkelvoud praat? “Je bent een jonge speler, en je krijgt een aanbieding,” in plaats van “ik was een jonge speler en ik kreeg een aanbieding.” Of: “je probeert die tackle te maken” in plaats van “ik probeerde die tackle te maken.” Als er een geweldige actie is gemaakt, dan is het ineens wel de eerste persoon enkelvoud. “Ik nam die bal goed aan en scoorde.” Of ze halen het door elkaar: “Je koopt blauwe voetbalschoenen waarmee ik de bal goed aannam.”

Nou ja, dit gaat nergens heen verder. Je bent de hele dag druk geweest en je ergert je overdreven aan voetballers. Dan ga je dit soort logjes schrijven. Maar volgende keer lever ik weer uitmuntende kwaliteit. Alsikblief.

m/v/o

Ik zit daarnet eens even door het Groene boekje te bladeren en kom tot de ontdekking dat Nederlands een onmogelijke taal is. Want net als je denkt dat je het snapt, volgt er een uitzondering die de regel ontkent. Ik snap zelf wel hoe het ongeveer met de d en de t in werkwoorden werkt, en dat vind ik al heel wat. Maar wie verzint nu dat het woord “eierstok” (het is weer bijna Pasen) mannelijk is en “erectie” vrouwelijk? Dat “ei” onzijdig is kan ik nog begrijpen. Je weet immers niet of er uit een ei een hen of een haan komt. Maar een eierstok heeft toch weinig mannelijks in zich. Een erectie wel. Die zijn meestal mannelijk. Vrouwelijke erecties, daar heb ik helemaal niks mee. Net zo min als met mannelijke eierstokken, dat is vragen om problemen.
Orgasme is weer onzijdig. Het heeft dus geen geslacht. Terwijl je er toch echt minimaal één geslacht voor nodig hebt. Tenzij ik natuurlijk achterloop op de moderne technologie, wat ook weer niet geheel ondenkbaar is, maar ik heb nog nooit gehoord van een huis dat bij de dokter kwam vanwege storingen in de beleving.

Ik zat te denken om een nieuw vrouwelijk lidwoord in te voeren, zoals da. Maar een vrouwelijk lidwoord roept op zich ook gelijk weer vraagtekens op. Dus misschien is het wel beter om alle woorden voortaan onzijdig te maken en voor alle zelfstandige naamwoorden het woordje “het” te plaatsen. Of ontstaan er dan problemen met het voortplanting? Ik overzie ten slotte ook niet alles, maar daar heb ik u dan weer voor.

Imagoherstel van de leasebakrijder.

Vandaag werd een voorloopauto bij me afgeleverd, een voorlopige auto totdat de leasebak komt. Het is een Peugeot 308 geworden, in saai antreciet, zodat hij vooral niet opvalt. Tussen 10:00 en 12:00 was er gezegd, maar om half tien ging de bel al. Ik lag nog in bed, het was laat geworden, ik was bij mijn moeder en daar kom ik haast nooit. Een combinatie van druk en lapzwans, maar goed, het werd gelijk drie uur ’s nachts, dus we kunnen er weer even tegen. Ik schoot in de kleren, nam de auto in ontvangst en vroeg aan de jongeman die hem afgeleverd had hoe hij nu terug ging. Wat bleek? Met het openbaar vervoer en of ik een bushalte in de buurt wist. (student met een ov-chipkaart, lekker goedkoop voor de leasemaatschappij) Nou, die wist ik wel, stap maar in dan breng ik je even.

Dat sloeg hij niet af, en hij merkte op dat dat niet vaak voorkwam dat hij nog even een lift kreeg. En daar bevestigde hij weer precies even wat ik altijd riep over de hufterigheid van de leaserijder. Pochen met spullen die niet van jezelf zijn en blazen met die bak omdat overmatige slijtage toch niet door jezelf opgehoest hoeft te worden. Ik ga daar verandering in brengen mensen. Ik ga het imago van de leaserijder proberen te herstellen. In wat voor auto ik dat ga doen dat weet ik nog niet, maar eigenlijk zou ik het in een VW Golf moeten doen. Want die berokkenen toch wel de meeste schade aan het imago van de leaserijder. Maar nee, ik heb mijn grenzen. Ik zit alleen met het probleem dat men mij straks toch niet herkent als leasebakberijder. Want waarom zou ik de motor rustig opwarmen en waarom zou ik anders die verkeersdrempel zo voorzichtig nemen? Daarom denk ik dat maar moet vragen of ik op beide portieren grote stickers van de leasemaatschappij mag.

Cursus zelfverdediging voor vrouwen.

Goedenavond, welkom op de cursus zelfverdediging voor vrouwen. Vrouwen worden het zwakke geslacht genoemd, maar dat slaat nergens op. Aan domme kracht heb je niks als de tegenstander het slim aanpakt. Statistisch gezien zitten er meer vrouwen in een blijf-van-mijn-lijfhuis dan mannen, maar dat komt omdat mannen van nature wat minder aan huis gekluisterd zijn dan vrouwen. Mannen die slachtoffer zijn geworden van huwelijksgeweld gaan eerder naar het blijf-van-mijn-lijfcafé of naar het kom-aan-mijn-kruishuis.

Na deze korte introductie gaan we over tot de praktijk. Voor mijn eerste demonstratie heb ik een vrijwilligster nodig. U daar, met dat zwaar opgemaakte rechteroog, komt u maar even naar voren. Stel, u loopt naakt door het bos. Bijvoorbeeld om de hond uit te laten. Het kan immers voorkomen dat de hond zo ontzettend nodig moest, dat u geen tijd meer had om u aan te kleden. In de verte komt een man met zijn hond wat ongemakkelijk op u af lopen. Wat moet zo’n man dan daar precies op het moment dat u daar loopt? Dat is al natuurlijk al verdacht. U bent dus op uw hoede. En ja hoor, op het moment dat u elkaar kruist ziet u de man beschaamd wegkijken. De lafaard durft u niet eens in de ogen te kijken. Een groet kan er niet meer vanaf en u weet eigenlijk al dat, als hij u voorbij is, hij zich zal omdraaien om uw gat te bekijken. Kijk, ik speel even de man, ik loop langs, ik kijk u niet aan, ik ben u voorbij en ik kijk naar uw gat. Wat doet u dan op zo’n moment? Iemand een idee? U daar, met die zonnebril. “Ik zou een stok zoeken, en hem een klap in de ballen geven.”
Heel goed mevrouw, maar het kan simpeler. U heeft namelijk voorkennis. U weet al dat de man zich gaat omdraaien, dus precies op dat moment, draait u zich ook om, wijst in de lucht en zegt: kijk, een lijster!” De man kijkt omhoog en ziet uiteraard niets, maar u houdt vol. Kijk nou goed! Daar zit-ie. Hoor hem toch eens prachtig fluiten! De man zal zich concentreren op de lijster en eigenlijk is op dat moment de dreiging al weg. Sterker nog, het kan zelfs nog gezellig worden en als de man een vogelliefhebber is, kan het zo maar uitmonden in een lang gesprek en misschien nodigt hij u wel uit om met hem verder te wandelen en daarna even naar het café te gaan voor een gezellig kopje koffie. Ik bedoel maar. U wendt het gevaar volledig af en weet de bedreigende situatie nog om te zetten in uw voordeel.

Dit was het einde van de les. Volgende week behandelen we bedreigende situaties met naakte vrouwen in een café. Wel thuis allemaal, en bedenk vanavond als u in uw blijf-uit-mijn-bed ligt: het gevaar is pas bedwongen, als de lijster heeft gezongen. Weltrusten en tot volgende week.

Molen.

Kijk, dit is ook Vaassen. 30 jaar geleden stond er een molen zonder wieken. Er hing toen een groot spandoek aan met de tekst: “kom over een poar joar ‘ns kiek’n, dan he’k weer wiek’n.” Dat was niet alleen een dijenkletser, het klopte ook nog, de molen had weer wieken. Weer een paar jaar later kwam er naast de molen een sporthal met de toepasselijke naam: De Wieken. Ook een klein grapje. We hebben er nog één, die heet “De Koekoek” maar dat slaat nergens op. Nog nooit is er een koekoek gesignaleerd in deze omgeving.

Maar nu dan! Razendknap wat hier gebeurt. De molen wordt een meter of vier verhoogd omdat hij anders uit het zicht verdwijnt en geen wind meer vangt door de skyline die ze hier aan het bouwen zijn. Vaassen, mensen, Vaassen. Parel van de Veluwe, al gebiedt de eerlijkheid mij te zeggen dat elk dorp op de Veluwe die bijnaam voert. Hoe doe je dat dan, een molen ophogen? Nou, het principe is heel simpel. Je zaagt gewoon onderin een gat en plaatst daar een krik met wielen. Vervolgens doe je aan de andere kant hetzelfde, en zo vort en zo vort. Deze truuk herhaal je net zolang totdat je de hele molen los hebt van de fundering en hij compleet op de krikken rust. Dan sleep je de molen een eind opzij en metselt een mooi rond muurtje van vier meter hoog op de funderingen. Vervolgens rij je hem terug, krik je hem op, een beetje secondenlijm ertussen en klaar. Het is een simpel principe, en zoals ik het uitleg, stort-ie onherroepelijk in. Ik vind dit knapper dan het bouwen van de piramides van Gizeh, of dat van de Chinese muur, want die zijn constructief toch stukken simpeler. En dan dat bord erbij…briljant.

Naïef

Ik had vanavond een afscheid van mijn werk. Er gebeurde iets opmerkelijks. Mijn baas is een man van weinig woorden, de speech laat hij graag aan iemand anders. En gelijk heeft hij. Maar die iemand anders is een betrekkelijk nieuwe medewerker van een ander bedrijf, dat bij ons in het pand is gevestigd. Hij is het commerciële type, en dat botst traditioneel een beetje met mij. De commerciëlen passen alle marketing tools toe, ik beweer dan rustig dat bepaalde dingen niet werken. Zo is er bij hem het heilige geloof dat hij meer kan verkopen in een non-foodwinkel als hij er een bepaalde kunstmatige geur laat hangen, ik vind dat onzin.

Goed, daarover werden we het nooit eens, maar dat geeft verder ook niet. Maar in de speech pakte hij me terug door te zeggen dat “ze” mijn naïviteit gaan missen. Normaal zou ik er direct opgevlogen zijn, maar ik dacht: ach, afscheidsspeech. Even verderop wist hij te melden dat ze wel hielden van mijn aanwezigheid, en dat ze me na verloop van tijd in hun midden hadden opgenomen. Waarop ik opmerkte dat wij hém in ons midden hadden opgenomen, hij werkt er tenslotte pas een half jaar, ik vijf.

Goed, het is zo’n voorbeeldje waaruit blijkt dat sommige mensen er een hele eigen waarheid op na houden. Ik vroeg na afloop even aan mijn baas of hij meegewerkt had aan de speech, maar dat was niet zo. Het was geheel voor rekening van de spreker. Mooi. Ik vind naïef prima, maar niet als bindende kwalificatie vanwege het feit dat iemand geen voet aan de grond krijgt. Maar goed. Voor één keer hield ik mijn mond.

Het concert dat eruit sprong.

Yukiko schreef een logje over haar, laat ik zeggen, aparte muzieksmaak. En dat ze wel wist dat haar muzieklogjes niet gewaardeerd worden door haar trouwe aanhang. (Bedoelt ze mij mee.) Ze meldt dat ik geen muzieksmaak heb, maar voor het geval dat de andere lezer van haar blog thuis is, laat ze een hele kleine mogelijkheid open dat het aan haar zou kunnen liggen.

Nu is met muzieksmaak iets vreemds aan de hand. Over smaak valt prima te twisten, je moet het alleen niet willen opdringen aan een ander. Ik zou dat ook nooit doen, sterker nog, ik zal u eens een geheim vertellen. Ik ben Elvisfan. Daar hoort u van op hè? Muzieksmaak is al net als een politieke keuze. Je moet en zal je overtuiging delen met een ander in plaats van er zelf van te genieten. En natuurlijk, ik vraag me ook wel eens af of sommigen op hun gehoor af gaan of op hun muzikale omgeving. Maar ja.

Het was denk ik in 2004 dat ik naar een concert van Gé Reinders ben geweest. Nou ja, concert, een theateroptreden. Gé Reinders hoorde ik midden jaren negentig voor het eerst en hij is altijd blijven hangen. Ik liet zijn naam hier en daar vallen en niet veel later stond hij op nummer 67 in de top 2000. Om weer niet veel later nog door te stoten naar de 27e plaats. Maar ook in mijn omgeving bleef mijn bewondering voor Gé niet onopgemerkt. Voor mijn verjaardag kreeg ik twee kaarten voor zijn theatertoer. Linda natuurlijk hartstikke blij, totdat ze zich realiseerde dat Gé wel eens niet goed zou kunnen vallen in haar concertreeks van Guns n’ Roses, AC/DC, Metallica, Dreamtheater, Nickelback, David Gilmour, Deep Purple en welke harde rockers ik allemaal vergeten ben. Dus liet ze op het laatste moment verstek gaan. Gelukkig was daar mijn zwager en mede-Elvisfan die met mij mee ging naar Gé. En hij vond het geweldig. Natuurlijk waren wij de enige fans die het concert zonder rollator betraden, maar dat mocht de pret niet drukken. De advocaat met slagroom vloeide rijkelijk en er werd stevig gelachen om Gé’s grapjes tussendoor. Ook backstage ging het er wild aan toe. Gé deed nog een handtekeningensessie maar veel fans moesten teruggeduwd worden naar hun bustocht, dus heel erg laat werd het niet. Maar ik heb zelden zo ontspannen kunnen genieten van muziek als bij Gé. Een aanrader. Ik zou bijna zeggen, een must!