Zomaar een willekeurige nacht, om een uur of half drie hoor ik wel eens kindervoetjes drentelen. Dan hoor ik een deur opengaan en komt een kind onze slaapkamer binnen. Altijd, dus niet “soms niet”, nemen ze de langste route naar mijn kant van het bed. Ik slaap aan de raamkant, zodat de inbrekers eerst langs Linda moeten voor ze bij mij zijn. En dan hoor ik: (papaaah?) Dit kan Hans of Tammar zijn, ze doen het alletwee zo. Dan volgt de reden van hun nachtelijke bezoek. Hans is meestal geschrokken en Tammar kan d’r lappie niet vinden, hoorde gebonk of er vloog een beest door haar kamer. Vannacht was het Tammar. Een keer of vijf. Elke keer als je net weer ligt, hoor je die voetstapjes weer, en een paar seconden later volgt de volgende smoes.
Dat ze bij mij komen en niet bij Linda heeft twee belangrijke oorzaken. Ten eerste hoor ik ze al aankomen voor ze er zijn, en ten tweede, als Linda dan toch wakker wordt nadat ik Tammar voor de vierde keer liefdevol heb teruggebracht, grijpt ze ook hardhandig in, slaat daarbij dreigende taal tegen Tammar en verwijtende tegen mij uit, en dan was het ook gelijk de laatste keer dat ze haar bed uit kwam. Die Linda van mij, die kan korte metten maken.

