In 1984, toen mijn vader maag-darmkanker kreeg was je niet best af met een dergelijke diagnose. Op meerdere vlakken niet. Niet op het medische, en niet op het vlak van nazorg. Je was ten dode opgeschreven en negen maanden later, de tijd die nodig is vanaf verwekking tot geboorte, was het afgelopen. En al die tijd was er nauwelijks hoop. Zo was dat in die tijd. Nu is de medische wetenschap een stuk verder en is er meer mogelijk. En inderdaad, ik heb meegemaakt dat mensen die dezelfde diagnose kregen een stuk langer leefden. Sommigen spreken al van een chronische ziekte.
Ondanks dat ik geen arts ben, er geen verstand van heb, zou ik dat toch ernstig willen tegenspreken. Mensen die de diagnose krijgen leven inderdaad langer. Maar ik zou het haast oneerbiedig “rekken” willen noemen. Het klinkt aanlokkelijk natuurlijk als je vijf jaar extra krijgt in plaats van negen maanden. En dat is het ook. Maar vaak is het niet zo dat je vijf gezonde jaren krijgt en dan ineens weg bent. Het aftakelingsproces wat eerder negen weken of maanden duurde, duurt nu vijf jaar. Vijf jaren met beperkingen. En het lijken mij angstige jaren. Jaren waarin je in de gaten wordt gehouden, waarop op scans niks te zien is, maar waarin je je grote zorgen maakt als je ook maar het minste of geringste voelt. Bestralingen en chemotherapie, het bestond toen ook al, alleen nu slaat het vaker en beter aan. Dat heeft vooral te maken met het feit dat men is in gaan zien dat niet twee soorten kanker hetzelfde zijn, en dat je elke vorm anders aan moet pakken. Maar het neemt niet weg dat het helaas nog vaak gebeurt dat er een tijd lang goede resultaten te zien zijn met afnemende tumoren en dan ineens op een kwade dag, als je bijna weer vertrouwen hebt opgebouwd, bam, uitgezaaid en niks meer aan te doen. En de dokter weet weinig anders uit te brengen dan: dit hadden we niet zien aankomen.
Natuurlijk is er grote vooruitgang geboekt, daar wil ik helemaal niks aan afdoen, maar veilig ben je allerminst met de diagnose kanker. En je hoort zo weinig verhalen van mensen die wel genezen zijn. Een vriendelijk en kundig arts, daar ben je het beste mee af. Die had mijn vader. Ik heb hem nooit ontmoet, maar de verhalen waren altijd lovend. Ik gok dat dit hem is, maar ik kan er faliekant naast zitten. De naam klopt, de tijd dat hij aan de VU werkte ook. Het is voor het eerst dat ik hem zie op een foto. Dit moet haast de man zijn die mijn vader zo goed heeft begeleid in die tijd. De man over wie ik vroeger altijd de lovende verhalen hoorde heeft ineens een gezicht. Een goed gezicht. Een aansprekend gezicht. Dit moet haast de man zijn die mijn vader voor verder ondraaglijk lijden heeft behoed. Eindelijk heeft hij een gezicht.