Schitterend.

Deze schitterende robijnrode topwijn heeft een fruitige geur met tonen van specerijen, zoethout, vanille en leer. Krachtig en vol van smaak met veel indrukken van rijp fruit zoals kersen, bramen en bessen met daarnaast kruiden, specerijen en duidelijke vanille tonen. De wijn heeft een perfecte balans met elegante tannines en een lange intense afdronk.”

Ongeveer zo werden gisteren in een restaurant de wijnen geserveerd. Daarna, volgt er een “alstublieft”, ten teken dat je mag proeven. Ik voel me altijd lichtelijk bezwaard als zo’n meisje haar verhaal staat te houden. Ik onthou niet wat ze zegt, dat interesseert me echt heel weinig, ik let uitsluitend op hoe ze het zegt. En daarna neem ik een slok en denk ik: gadverdamme! Of ik denk: gaat wel. Terwijl ik echt wel van wijn hou, maar gewoon van goedkope rode wijn zonder vreemde geuren en bijsmaken. Ik wil eenmaal geen Eucalyptus in mijn wijn. Zit het er toch in, dan kun je zo’n wijnaanbeveler en het gezelschap aan tafel eenvoudig de mond snoeren door te vragen: is dit Eucalyptus globulus of Eucalyptus odorata?

Dan moet het wel heel gek lopen wil de wijnkenner dat weten. In Frankrijk koop ik gewoon zo’n vijf liter jerrycan met een kraantje die je kunt ophangen en waar de wijn uit kiepert. Dat zal ze leren.

De erflaters

En zo ramden we er in drie weken tien afleveringen uit de serie Band of Brothers doorheen. Na de laatste aflevering bleef ik naar de televisie staren. De interviews met de echte hoofdrolspelers, oude mannen ten tijde van de opnames -eind jaren negentig- ongeveer 80 jaar oud en nu waarschijnlijk allemaal dood, maakten diepe indruk. Ze kwamen aan het begin van elke aflevering aan het woord, maar na de laatste werden hun namen in beeld gebracht en wist je wie de oude man was die zojuist gesproken had. Ze hebben elke gebeurtenis uit de serie meegemaakt. Mede dankzij hen leven wij nu in vrede, dat weten we allemaal wel en daar wil ik zeer zeker niks aan afdoen. Maar op één of andere manier wordt hun leven verfilmd, en het mijne niet. Zij waren niet uitbundig blij nadat het Duitse leger gecapituleerd had, want voor hen betekende het afscheid van hun intense leven en van hun broeders.

Door alle ellende die zij meemaakten, door hun gezamenlijke bloedvergieten werden zij broeders voor het leven. Als ze er over praatten, deden ze dat ontroerd, en ontroerd is intens. Hun levens waren intens door de oorlog, en onze levens zijn oppervlakkig door de vrede. Of ik dan soms wil dat het oorlog is? Nee geenszins. Net als de soldaten uit Band of Brothers dat niet wilden. Maar er viel niks te willen, ze moesten het ermee doen. Maar het vechten om de bezetter te verslaan, het speculeren over het einde van de oorlog, het bevrijden van steden en het optrekken met je makkers om een doel te bereiken, dat maakte het leven intens. Sommige nieuwe soldaten die er net bij kwamen, hadden nog geen actie meegemaakt en hoopten op een confrontatie met de Duitsers. Ze kwamen wel van een koude kermis thuis en waren daarna in één klap genezen, als ze het al overleefden. Ik kan me voorstellen dat als je onder vijandelijk mortiervuur waarbij veel van je kameraden omgekomen zijn, hebt gelegen, je intenser en respectvoller leeft.

En dat deed je dan allemaal voor jouw nazaten, de feestgeneratie die het bevrijde land intussen opnieuw heeft bezet, en van weekend naar weekend feest. Dan moet je toch het gevoel hebben dat ze je nalatenschap aan het verbrassen zijn. Je hoort de oude mannen er niet over. Zij zijn blij dat ze mochten dienen tussen hun heldenvrienden en ze zijn blij voor elke heldenvriend die het heeft overleefd. Zonder blij voor zichzelf te zijn en zonder zichzelf als held te zien.

Ollekebolleke

Nergens zag ik op sociale media, tenminste niet in de kringen waarin ik mij begeef, een melding over het overlijden van Drs P.
Doorgaans is er ook weinig dramatisch aan het overlijden van een vijfennegentigjarige, en zijn woordkunsten sloegen misschien niet bij het grote publiek aan, maar het verbaasde mij toch. En nu ga ik niet beweren dat ik zijn werk goed kende, maar zijn “De Veerpont” en en vooral “de Dodenrit” kon ik erg waarderen. Ik las wat over hem en kwam op de Ollekebolleke. Een dichtvorm die onbegrijpelijk lijkt als je leest wat erover wordt uitgelegd. Dubbele Dactylus, metrum, pointe, puntdicht. Het zal allemaal wel. Maar als je tot je door laat dringen wat er gebeurt dan zit ineens dat ritme in je hoofd. Het ritme waarmee het wordt uitgesproken is bijna hetzelfde als het kinderversje Olleke Bolleke. Alleen doe je niet: Olleke bolleke Rubisolleke Olleke bolleke Knol! Nee, je doet: Olleke Bolleke, Knolleke solleke, Olleke Bolleke, Bolleke Knol! Net iets anders.
Verder moet er op de zesde regel een zes-let-ter-gre-pen-woord komen te staan met de klemtoon op de vierde lettergreep. Lijkt misschien lastig, en dat is het ook, maar ram dat ritme in je hoofd en je hoort het vanzelf. Voor het ritme maakt het niet uit of het een woord is dat uit zes lettergrepen bestaat of juist uit twee van drie, maar in de Ollekebolleke is dat verplicht. Ik heb de regels niet verzonnen. Er zijn nog meer regels aan de Ollekebolleke, maar daar vermoei ik u verder niet mee.

Ik ging gisteren aan de slag en kwam er niet uit. En vandaag zie ik dat Drs P zijn eigen rouwadvertentie vanuit het hiernamaals heeft geregisseerd. Ik weet dat het woord briljant tegenwoordig te pas en te onpas wordt gebruikt, maar hier is een briljant op zijn plaats. Als volgt:
rouwadvertentie Drs. P
Mijn eerste Ollekebolleke ooit is een betuiging van eer aan deze actie. De Limerick is er kinderspel bij.

Lastige uitdaging
dusdanig te rijmen
op zo’n manier dat een
versje ontstaat

de doctorandus had
Ontegenzeggelijk
uit het hiernamaals een
topper paraat.

In de ban van de slang

Sinds ik ruim een jaar geleden ineens een gladde slang voor mijn voeten zag kruipen, ben ik wat in de ban van de slang geraakt. Ik denk niet dat ze echt zeldzaam zijn, maar ze laten zich niet snel zien. In Nederland komen vier verschillende soorten slangen in het wild voor. De gladde slang, de ringslang, de adder en de hazelworm, al is die laatste technisch gezien meer en hagedis dan een slang. De gladde slang is de meest bedreigde soort in Nederland, maar die zie ik dus het vaakst, als we de hazelworm niet meetellen. Vanochtend zag ik er nog eentje, al was die dood.

Vanmiddag fietste ik met mijn dochter en zag achter een hek een typisch vennetje waarvan ik dacht: dit is een slangenparadijs. We parkeerden onze fietsen en stapten over het hek. Terwijl ik het vennetje naderde, sprongen de kikkers van alle kanten de plomp in. Waar kikkers zijn, zijn slangen had ik wel eens gelezen. Pas geleden las ik in de krant dat je hazelwormen onder stukken hout kon vinden, maar dat je wel heel veel hout moest omdraaien wilde je er eentje vinden. Nou nee hoor, het eerste stuk hout wat ik omdraaide bleek onderdak te bieden aan een opgekrulde hazelworm die lag te slapen. Waardeloze krant.

hazelwormIk pakte het beest snel op en liet het aan mijn dochter zien. Die wilde het ook wel vasthouden, alleen was ik bang dat ze het slangetje zou laten vallen dus deden we dat maar niet. De paniek zou ineens kunnen toeslaan en dan vliegt een onschuldig beest ineens meters door de lucht.

Ringslang Toen was het mijn dochter die een groot stuk hout vond. Ik zei dat we daar al onder hadden gekeken, maar volgens haar niet, dus ze rolde het aan de kant. Een dikke zwarte ringslang lag opgerold te slapen en wij stoorden hem daarbij. Het beest had net gegeten kon ik zien aan de verdikking in het midden van zijn lichaam. Het beest realiseerde zich sneller dan dat ik mijn telefoon kon pakken dat het weg moest wezen, maar als een echte Steve Irwin pakte het één meter lange beest bij zijn staart en trok hem terug voor een foto. Een keer of vier moest ik hem pakken voordat ik zeker was dat ik hem op de foto had. Ik wist ook niet zeker of hij me zou bijten, maar dat schijnen ze niet te doen, ook niet als ze gevangen worden. Nou ja, hij staat erop, daarna mocht hij vluchten.

Nu is het alleen de adder nog die ik een keer op de foto moet zien te krijgen. Maar ook die schijnt hier voor te komen, al heb ik hem nooit gezien. Maar zodra ik hem zie, hoort u het.

Dingdom

Ik liet de hond uit en hoorde een ouderwetse dingdom. Een dingdom die ik al lang niet meer had gehoord. Ineens zat ik met mijn herinnering in de achtertuin van mijn opa en oma, op de IJsselsteinlaan in Utrecht. In het schuurtje stond een oude herenfiets met zo’n grote dingdom. Ik was er jaloers op want ik had slechts een “tringtring”. Mocht geen naam hebben. Hun achtertuin zal niet groter geweest zijn dan de achtertuin die ik nu heb, maar voor een kind is die kolossaal. Een terras, een pad naar de schuur, daarnaast een stukje gras met in het midden een boom met donkerrode bladeren, en van de schuur liep er een tegelpad naar de poort, die weer uitkwam op een soort brandgang. Je moet er geweest zijn, anders kom je er natuurlijk nooit. Met die “dingdom” werd onmiddellijk een statische herinnering met meerdere aspecten opgeroepen. Ten eerste hoe de tuin eruit zag maar ook welk weerbeeld bij die dingdom hoorde. Herfstig weer, maar niet regenachtig of winderig. Wel vochtig en fris. Wonderlijk eigenlijk hoe zo’n associatie werkt. En de snelheid waarmee je ineens ergens anders bent. Dat geuren het konden heb ik al meerdere malen ervaren, maar dat geluiden het ook doen weet ik mij zo een, twee, drie niet te herinneren. Waarschijnlijk zitten er nog duizenden latente herinneringen in mijn hoofd die wachten op een signaal dat ze mogen aantreden. Ik hoef mij voorlopig niet te vervelen.

Het ziet er zo makkelijk uit.

Ik was bepaald niet slecht met voetbal vroeger. Ik scoorde in mijn eerste wedstrijd drie keer, zoals grote voetballers dat ook doen. Nooit heb ik ervaren dat het spel moeilijk is. Door omstandigheden heb ik er maar twee jaar opgezeten, van mijn 10e tot mijn 12e ongeveer. Linksbuiten was mijn positie, terwijl ik rechts ben, maar waarschijnlijk zag de trainer in dat de rest het er op die positie helemaal niet vanaf zou brengen. Ik werd de topschutter in een kampioenselftal, al hebben we het hier slechts over de D-tjes. Ik grap wel eens dat als die omstandigheden er niet waren geweest en ik op voetbal was blijven zitten, ik misschien meegespeeld zou hebben in de finale op 25 juni 1988 tegen Rusland. Maar waarschijnlijk niet.

Vrijdagmiddag moest ik een conference call met een paar Amerikanen verlaten omdat ik mijn kinderen had beloofd dat ik mee zou spelen in het ouder-kind toernooi. En wat je belooft moet je doen, ook in dit soort situaties. De Amerikanen mogen ons dan mede bevrijd hebben, de loyaliteit houdt een keer op. Mijn eerste wedstrijd was tegen Tammar en nog 30 kinderen van haar leeftijd, die ons volwassenen volledig klem zetten elke keer als wij de bal hadden. Bovendien kon je geen beweging maken of je schoffelde een kind onderuit, wat mij een keer op een vrije trap tegen kwam te staan wegens een overtreding op mijn eigen dochter. Omdat remise dreigde, riep de trainer Hans, die langs de kant stond om de F-jes te helpen, te hulp. Toen hij de bal kreeg voelde ik iets van trots, er dreigde ineens gevaar. De kleintjes wonnen met 1-0, en ik lieg als ik zeg dat wij ons best niet deden, op het eind.

Door schade en schande wijs geworden gooiden we het tegen het team van Hans over een andere boeg. Vol erin, vanaf de eerste minuut. Ik stond weer op mijn linksbuitenpositie en maakte een rush langs de linkerkant van het veld. Toen moest die bal met links worden voorgegeven en dat ziet er op tv een stuk makkelijker uit dan het is. Tijdens de sprint, wat al lastig is als je alleen op kantoor traint, voelde ik al dat ik nooit een krachtige voorzet zou kunnen geven en vroeg me af wat ik moest doen. Een lullig schuivertje dan maar, leek nergens op. Zag er ook niet uit, dat weet ik zeker. Alles aan voetbal is moeilijker dan je denkt, springen, koppen, aannemen, passen, ook mijn lobje over de keeper verdween naast het doel. Toch maakte ik de 1-0. De ouders wonnen met 7-3. Gelijk het laatste jaar dat we nog van ze kunnen winnen.

Nu heb ik spierpijn. Maar mijn rug, waardoor ik vorig jaar niet mee durfde te doen, gaf geen krimp. Het is een wonder.

Waakhonden

Elke ochtend net na dag en dauw laat ik de hond uit. Een grote ronde van ruim een half uur door het buitengebied van Vaassen. Even na halverwege komen wij, hond en ik, langs een buitenhuis waar twee honden in een grote kooi zitten. Een St. Bernard die Senna heet aan het opschrift boven zijn hok af te lezen en een klein wit keeshondje, dat waarschijnlijk Kees heet. Ze bewaken de boel dat het een lieve lust is. Het Keeshondje springt minimaal drie keer zijn eigen schofthoogte, daarbij vervaarlijk zijn tanden ontblotend, en dat in een freqentie van één keer per twee seconden. De grote Bernard die waarschijnlijk Senna heet in plaats van Bernard, blaft ook om het geblaf van de kleine kracht bij te zetten. Hij springt niet, kijkt slechts boos en blaft. Zo gaat het elke ochtend en ze houden dit vol tot ik zeker vijftig meter verder ben.

Vanochtend was ik tien minuten later dan normaal en de honden hadden eten gekregen. Beiden stonden ze uit hun bak te schrokken. De kleine blafte nog een keer met volle bek, maar deed geen springpogingen. De grote keek even op, maar at door. Wij liepen langs zonder dat het territorium verdedigd werd. Bewaken is prima, maar niet tijdens de lunchpauze.

De zwevende kiezer

Ik ging naar het cafetaria en had de bestellingen voor het gezin opgenomen. Zelf wist ik het nog niet maar dat zou ik onderweg wel bedenken. Friet, dat gedeelte is makkelijk. Maar wat neem ik erbij? Een frikandel speciaal, een dolle mina met pindasaus, of toch een broodje hamburger? Altijd zit ik met hetzelfde probleem. Eenmaal aangekomen stond ik in de rij en ik bekeek de lijst met snacks. Zou ik eens een halve kip proberen, of een loempia? Ik heb zo weinig geprobeerd van het cafetaria. Er is meer wat ik nog nooit genomen heb, dan wat ik wel geprobeerd heb. Steeds korter wordt de rij en ik weet het nog steeds niet zeker. Ik stel een loempia vast veilig, voor als ik er nog niet uit ben als ik aan de beurt ben. Nog één wachtende voor me en ik zie ook behalve de gewone snacks, ook nog speciale dingen op een beeldscherm aangekondigd worden. Een Joppieburger, een portie hotwings, dat is misschien ook wel wat. En dan ben ik aan de beurt. Eerst noem ik de dingen op die de rest van het gezin wilde, en als laatste noem ik de loempia. Ben niet geheel tevreden met mijn keuze, maar dat is het lot van de zwevende kiezer.

Normvervagingsdementie

Vanochtend op de radio hoorde ik een hoogleraar forensische psychologie, als ik dat goed onthouden heb, over de dementie van de meneer die de familie de Mol afperste. Dementie had volgens hem, en ik geloof hem, niet per se met vergeetachtigheid te maken. Vergeetachtigheid onstaat in een dieper deel van het brein, had iets met slechte verbindingen te maken, veel te moeilijk voor een dinsdagavond. De vorm van dementie die zorgt voor normvervaging ontstaat achter je wenkbrauwen. Oude mannen leiden volgens de hoogleraar soms ook aan deze normvervagingsdementie en laten dan dingen zien aan verpleegsters die ze niet zouden hebben laten zien toen ze nog niet aan deze ziekte leden. De man die de familie de Mol afperste wist niet goed wat goed en slecht was volgens de hoogleraar. Waarom hij dan zo zijn best deed om anoniem te blijven is mij een raadsel, maar het zal wel. Ik vind het trouwens een verzachtende omstandigheid dat het hier de familie de Mol betrof, want die perst mij ook af. Kan geen Formule 1 meer zien zonder daarvoor te moeten betalen.

Ik vind het goed dat er naar verzachtende omstandigheden wordt gekeken. Maar kun je dan niet net zo goed stellen dat bij criminelen, pedofielen, pyromanen het deel van de hersenen dat voor normbesef zorgt, minder ontwikkeld is? En dat ze er eigenlijk niet zoveel aan kunnen doen? Of is dit een veel te vooruitstrevende gedachte waar we nog niet klaar voor zijn en zeker niet op zitten te wachten? Ik zit er namelijk niet op te wachten. Ik zie toch meer in het ouderwetse goed en kwaad, vrije wil en vieze oude mannetjes.

Ineens waren ze verdwenen

Ik vroeg mij wat af. Waar zijn de grote Franse en Italiaanse auto’s gebleven? Waar zijn de Alfa Romeo 166, de Fiat Croma, de Peugeot 607, de Citroen C6, waar is de Renault Safrane? Hoe moeten Italiaanse en Franse staatshoofden nu vervoerd worden? Waarom wil geen directeur ze meer hebben? Ik heb een directeur gehad die een Fiat Croma reed, een prachtexemplaar, 2 liter benzine, automaat, leren bekleding, wat wilde je nog meer? Tja, daarna probeerde hij nog even een Lancia Kappa, maar al snel had hij een bordeaux rode Audi A6, koning onderstuur met de motor voor de vooras. Ik had een baas die had een BMW 7-serie, een prachtexemplaar, 728i, 6-cilinder, handgeschakeld, maar hij ging over naar een vijf serie, en later naar een drie serie. Niet dat hij aan lager wal was geraakt, maar hij volgde precies de omgekeerde weg dan die een succesvol zakenman normaliter pleegde te volgen.

Nu er geen directeuren meer bestaan maar nog slechts MD’s, CEO’s en VP’s lijkt het ook afgelopen met de fantasie. Alleen nog Duits kwaliteitsspul komt erin, het liefst Audi of BMW. De Zuid-Europese auto-industrie ligt op zijn gat, produceert alleen nog kleine auto’s en een mega-opkoopconcern als VAG viert zijn hoogtijdagen met 10 miljoen stuks verkochte auto’s op jaarbasis. En 99% daarvan zijn saaie blokkendozen, bij voorkeur met lage bijtelling, in muisgrijze kleur, en met donkergrijs interieur. Welke afslag is er gemist? Ik ken een directeur die het laatste model Fiat Croma rijdt, en wanhopig wacht op een opvolger, die er waarschijnlijk niet gaat komen. Het F-segment (de 7 serie en de S-klasse) was altijd al voorbehouden aan de Duitsers, en dat was prima. Een verdwaalde Jaguar doet nog mee, maar in het E-segment, daar waar de 5-serie en de Audi A6 heersen, daar had je nog vroeger een riante keuze om een Frans of Italiaans alternatief te rijden. Een Alfa 164, een zeer succesvolle en sportieve grote Alfa, een prachtige Lancia Thema, een niet te versmaden Citroën CX of een Renault 25? Ik herinner mij een rit een in Peugeot 605 sri, ik was lyrisch over het comfort en de souplesse van de Fransman.

Nu is de wereld VAG geworden en ik zie het met lede ogen aan. De ene na de andere perfecte maar doodse auto komt je voorbij. Ik ben er van overtuigd dat het een wisselwerking heeft met de bestuurder. Een frivole Alfa, een overdadig comfortabele Citroën, een sportieve Lancia, een luxe Renault, het verdwijnt. En dat is jammer. De wereld is zakelijk geworden, alles moet gemeten worden in KPI’s en iedereen wil succes uitstralen. Een Volkswagen Golf, ooit bedoeld als comfortabele en ruime gezinshatchback is nu een statussymbool geworden. Als je een nieuwe hebt en je zet hem voor je deur dan weet de buurt dat je een goede baan hebt. Hoe het precies gebeurd is dat de grote Franse en Italiaanse auto langzaam uit het straatbeeld verdween is me niet helemaal duidelijk. Maar het viel me ineens op en ik maakte mij zorgen. Over de wereld.