Het gaat gevoelsmatig niet geweldig met me, ik ben bezorgd en ik lig wakker. Ik heb niet het gevoel dat ik nog meetel en van mij hoeft het allemaal niet meer. Een ex-collega is plotseling overleden, nog geen veertig jaar. Het grijpt me aan. Een hond is door zijn baas in de steek gelaten, en het grijpt me aan. Er liep een muis in huis, ik zette een muisvriendelijke val maar ik werd er wel van wakker om twee uur ‘s nachts. De wetenschap dat het beest gevangen zit een kleine ruimte zonder bewegingsvrijheid zorgt dat ik niet lekker slaap. En inderdaad, toen ik naar beneden ging midden in de nacht zat hij erin. Ik liet hem er in de tuin weer uit.
Door de overleden ex-collega moest ik aan een vriend van mijn vader denken die ook overleden is, maar wiens naam ik niet meer wist. Ook dat nog, dementie ligt ook op de loer. Hoe kon ik die naam vergeten zijn! Drie uur ‘s nachts en zijn voornaam schoot me weer te binnen. Een kwartier later, hoe weet ik niet meer, had ik zijn achternaam ook. Ik zocht hem op op internet en zag dat hij een roman geschreven had. Over een jongeman die niet tevreden was met z’n burgerlijke leven en zijn tegenpool ontmoette. Ik vroeg mij af of er iets in het boek terug te herleiden was naar mijn vader, die ik ook nog steeds mis. Ik las iets over de schrijver, dat hij Duits en filosofie had gestudeerd, en achter zijn naam stond: Utrecht, 1944. Magischer dan die tijd- en plaatsbepaling kan het voor mij niet. Daar kwam mijn vader ook ter wereld, in Utrecht, 1944. Hoe mooi moest het zijn als je dat achter je naam kon zetten? En je in de jaren vijftig opgroeide in die toen geweldige stad?
Ik viel weer in slaap en werd veel te laat wakker. Ik had al achter mijn bureau moeten zitten. Maar ook op mijn werk gaat het niet geweldig, voel ik me eenzaam en lijkt alles ingestort. Ik sloeg me door de dag heen en ik bestelde het boek. In de ijdele hoop op inspiratie.
