Onverschillig

2.8. De jeugd maakt de dienst uit op een camping en als 40-jarige doe je niet terzake. Het enige dat je kunt doen is observeren en glimlachen van herkenning.

Een Franse jongen van een jaar of 20, lid van het animatieteam, verzorgt een dansje om de aanwezige campinggasten van hun stramme spieren af te helpen. Tenminste, de spieren van hen die meedoen. Hij draagt een rood hemd zonder mouwen met daarop het woord Animation en hij heeft een donkere zonnebril uit de collectie 2010 op zijn neus. Ik heb er zelf een uit de collectie 2008, hopeloos achterhaald. Maar goed.

De jongen heeft een gebruind lichaam en kort donker haar. Hij is een vlotte verschijning en zijn dansje gaat goed. Tot zover. Een jongere en donkerdere Afro-Fransman met rastahaar heeft naast hem plaats genomen. Ik schat de jongen 17 jaar oud en hij draagt een slungelige lange, korte broek, in een kleur die eigenlijk alleen negers met rastahaar staat. Hij danst het dansje mee, maar hij is steeds een fractie te laat. Hij moet het voorbeeld immers afkijken. Maar zijn talent voor onverschilligheid is groter dan dat van de grote animator. Zijn lenige lichaam gaat scheef en hij draait rondjes met zijn handen. Zijn ritmegevoel is ontwikkeld, zoals bij de meeste negers.

Toen ik die leeftijd had zou ik jaloers geweest zijn op de beide dansers. Zij trokken immers de aandacht van de meisjes, met hun bruine lijven en hun onverschillige danspasjes. Waarschijnlijk zou ik de pasjes op een stille en verlaten plek hebben geoefend om ze vervolgens nooit in het openbaar in de praktijk te brengen. Wat mij een afgang bespaard heeft overigens. Ik was een meester in het tot ontplooiing proberen te brengen van talenten die ik niet bezat. En talenten die je niet bezit, laten zich lastig tot ontplooiing brengen. Nee, de mijne liggen op een ander vlak. Onverschilligheid is niet mijn beste. Verschilligheid, dat komt eerst.

Kamperen is vooruitzien.

1.8. Plotseling ging het regenen. Eerst nog druppel voor druppel, maar al spoedig werd het een flinke onweersbui. Hier zijn wij duidelijk niet op voorbereid. Regen, daar houden wij geen rekening mee tijdens vakanties in Zuid-Frankrijk. Anders zouden we wel naar Drenthe gaan, als wij regen wilden. We trekken de boel een beetje bij elkaar onder de luifel en ontvangen een telefoontje van mijn schoonzus dat het morgen pas echt noodweer wordt in de Ardèche.

Wij hebben nog niet eens een paraplu bij ons, in tegenstelling tot alle andere kampeerders die met paraplu naar het sanitair lopen. De kinderen liggen intussen op bed, tenminste, die van ons, en wij bespreken het naderend noodweer. We zullen tenslotte niet de eerste camping zijn die wegspoelt. "Wat kunnen we doen als de auto's en caravans langs komen drijven?", vraagt Linda. "Niet veel," antwoord ik. "We blijven in de tent en we hopen dat de auto's en caravans onze tent niet raken." Kijk, ik denk tenminste na. Onze tent staat met haringen verankerd in de grond, in tegenstelling tot caravans en auto's. Linda was gerustgesteld. Kamperen is vooruitzien. Noodweer, het mocht wat.

Ninja

1-8. Ik heb vandaag in de toekomst gekeken. Ik zag een gouden medaille op de Olympische spelen van 2028 op het onderdeel Freefight voor vrouwen. Tammar speelde met haar emmertje en gietertje in het pierenbadje toen een Frans leeftijdgenootje haar emmertje afpakte. In de internationale peutertaal vroeg Tammar het emmertje terug, maar dat tombait pas dans bonne terre. Het kind sloeg Tammar met het emmertje in haar gezicht. De moeder van het kindje kwam aangespoed en sprak haar nazaat bestraffend toe. Het kind droeg het emmertje over en de moeder liep weer weg. Tammar stond nog wat verongelijkt in haar oogjes te wrijven van de klap die ze zojuist gekregen had. En toen gebeurde het. Ze pakte het emmertje bij het handvat en zwiepte het in het gezicht van het kind, dat het meteen op een brullen zette. De Franse maman snelde toe en op mijn beurt moest ik Tammar nu bestraffend toespreken. Maar Tammar was niet onder de indruk. Ze gooide het emmertje en het gietertje in de richting van het kind en slaakte een kreet. Als een ninja met twee werpsterren. Ik zag het zich voor mijn ogen voltrekken. Alleen een zwart ninjapakje ontbrak.

Te mooi om waar te zijn.

31-7. Een zwembad op een warme dag geeft overal hetzelfde beeld. Het is de verscheidenheid aan mensen die ervoor zorgt dat het gemiddelde overal gelijk is. Net zoals gejuich in voetbalstadions altijd hetzelfde klinkt. Er zijn aantrekkelijke mensen, minder aantrekkelijke, nog minder aantrekkelijke, en er zijn ronduit afstotelijke. Hier loopt een gespierde Franse neger, een vadsige puber met lang haar, een mannetje met vreemde lichaamsverhoudingen een een jonge vrouw met grote borsten. Juist zij is de enige die topless zont, op een oudere Nederlandse vrouw met hangers na, maar die telt niet. Zij kijkt iets te blij in het rond alsof het een voorrecht is dat wij haar mogen aanschouwen. Bovendien, wie maalt om haar als even verderop de jonge Francaise ligt met de Supersize-me borsten? Wat later krijg ik argwaan als ze op haar rug ligt en de borsten niet aan de zwaartekracht onderhevig lijken. Hoe kan dit, vraag ik me af. Zouden ze nep zijn? Ik zoek naar littekens, al weet ik helemaal niet waar die zich dan bevinden. En het zoeken moet onopvallend gebeuren, want je kunt er moeilijk met een loep boven gaan staan. Maar laat dat maar aan mij over. Ik heb ze niet gevonden, want ik ben wat onervaren met plastic jetsers, maar ik denk wel dat ze er zaten. Dit was te mooi om waar te zijn.

Zorgelijk

31.7. Ik zit op deze zwarte zaterdag bij het zwembad een boekje te lezen van mijn favoriete schrijver, als de buurman met een ernstig gezicht naar me toe komt. “Heb je het al gezien, naast ons? Twee koepeltentjes en er staat al een fles drank op tafel!” Door zijn West-Friese accent lijkt de situatie bijzonder zorgelijk. Ton, zo heet de buurman, doelt op onze nieuwe buren. Vier Franse jongens komen hun vakantie naast ons doorbrengen. Tot vanochtend stond er een Frans stel naast ons dat ons voor de nodige raadsels stelde. Een dikke man met tatoeages en een slanke vrouw me -volgens ons- siliconen borsten. Wij dachten, allebei gescheiden en het geluk opnieuw gevonden. Dat leidden we dan weer af aan de eigenaarde samenstelling van hun kroost. Maar goed.


Ik antwoordde Ton met een “oh?” en zei dat we het maar even moesten afwachten. “Ja, en anders moeten we er morgen maar gelijk werk van maken,” sprak Ton. “Als ik niet kan slapen, word ik vanzelf chagrijnig,” grapte ik het gesprek naar het eind. Ik zelf hou wel van een beetje rebels bloed op de camping. Een camping met uitsluitend bejaarden daar is het mij nog te vroeg voor. En mocht het uit de klauwen lopen met die jongens, dan heb ik altijd Francine Oomen nog. Est-ce que je dois vous batser pour la becque?

Barrels.

30.7. Van alle Nederlanders hier, en dat zijn er veel, hebben wij de oudste auto. De gefortuneerden hebben een Volvo XC90 of een Audi Q5, en de minder welgestelden rijden een keurige middenklasser, veelal van een Koreaans merk. Wij hebben een Fiat Marea Weekend TD uit '98. Of '97, ik weet het niet eens. Het wordt waarschijnlijk het laatste jaar dat wij ermee op vakantie gaan. Bij de laatste APK kwam er een aantal gebreken aan het licht waarmee hij nu nog door de keuring kwam, maar volgend jaar niet meer. Tenminste niet zonder dure reparaties. Speling op de fuseekogel, roestschade aan de dorpels, nog maar 3 mm bandenprofiel, één van de remmen vertoont verregaande slijtage, een schokdemper lekt en er is een gloeibougie kapot. Daardoor rookt hij lekker tijdens een koude start. Twee maanden geleden stond Linda een keer met pech met een overhitte motor.

Vroeger zou er geen haar op mijn hoofd zijn geweest die er aan dacht om met zo'n auto naar Zuid-Frankrijk te gaan. We hebben niet eens ANWB buitenland hulp. Maar veel Fransen rijden ook in oude barrels. Bovendien, in Top Gear rijden ze met een bijna vergane Lancia door Botswana zonder al te veel pech. Ik denk dat wij Nederlanders onze auto's veel te snel vervangen.

Krekels

30.7. Om negen uur 's avonds zijn de meeste krekels wel uitgekrekeld. Plots hervat een eenzame en eigenwijze krekel zijn geknerp. Binnen de kortste keren sluit een buurkrekel zich bij hem aan. Één minuut later hebben alle krekels uit de omgeving zich bij hem aangesloten en is het een oorverdovend lawaai. Alsof het drie uur 's middags is. Het bewijs dat krekels oren hebben. De ene krekel steekt de volgende aan. Alleen een zee kan de kettingreactie stoppen. Ik vraag mij af hoe lang het geluid erover doet om Nederland te bereiken.

St. Alban de Auriolles

29.7. We komen aan op een camping die veel te groot is naar mijn zin. Deze heeft 500 plaatsen, de ideale camping heeft er tussen de 200 en 250. Als we bij de tent komen heb ik gelijk al spijt dat we geen stacaravan hebben genomen. We zitten in een straatje en ik heb geen bier. Gelukkig komt de Nederlandse buurman gelijk met een ijskoud biertje aanzetten. Ik wilde aanspraak, ik krijg aanspraak. Wie gaat er in deze tijd dan ook nog in een tent kamperen? Geen stromend water, geen eigen douche, geen eigen toilet, geen plek van stilte. Een jongetje valt op het grindpad en blijft huilend liggen. Ik loop naar hem toe en wil hem op de been helpen. "Kut op, vieze homo," roept hij en geeft zijn collega-vriendje een trap. Zijn agressie was weliswaar niet tegen mij gericht, maar ik besluit hem toch aan zijn lot over te laten. Nee, ik moet duidelijk nog even inkomen op deze camping. Gelukkig gaat om 10 uur de campingmuziek aan. Oubollige jaren 60 en 70 nummers. Ik vraag mij af of ik weer zal gaan roken.

De reis is ook vakantie.

28.7. De reis is óók vakantie, vinden wij altijd. Zodra je met de auto wegrijdt is de vakantie begonnen. Nou! Bij Oss reed ik al verkeerd doordat ik deed wat het navigatiesysteem aangaf. En verkeerd rijden is binnen ons huwelijk sinds het Mont-Ventoux avontuur van drie jaar terug, gevaarlijk spel spelen. Want ik ben een man, dus als ik verkeerd rij kan het overal aan liggen, behalve aan mij.

In België vierde de frustratie hoogtij doordat het brandstoflampje begon te branden en het tijd werd om te tanken. Maar het benzinestation bleef maar uit en de tank raakte leger en leger. Toen ik dacht dat we stil zouden vallen nam ik een afslag om in een dorpje een pompstation te zoeken. Maar Belgische dorpjes kennen geen pompstations. Een plaatselijke holbewoner beaamde die conclusie en zei dat we naar de volgende plaats moesten rijden, 12 kilometer verderop.

In de volgende plaats, Habay die ik nog net haalde door de airco uit te zetten en bergaf het gas los te laten, zagen we eindelijk een Q8. "Hans, we hebben het gehaald," zei Linda opgetogen. Maar helaas, het was alleen maar een Q8 bord dat er voor de sier stond, zoals ze in België wel meer benzinestations als kunstwerk bewaren.

Inmiddels had mijn kalmte het begeven. Scheldend op het ontwikkelingsgebied waar ik in reed en op elke passagier die mijn mening niet deelde. Zwaar geïrriteerd liep ik de auto uit op zoek naar een Belg die geen siësta hield. Toen ik hem had gevonden vroeg ik hem de weg naar het dichtsbijzijnde pompstation op een manier of het zijn schuld was. De man legde mij het uit en zei dat ik nog 6 kilometer moest. Ik geloof niet dat ik hem bedankt heb. Na 6 kilometer vond ik de pomp maar ik wilde pas juichen als bleek dat ze nog diesel hadden. Ik tankte 59,7 liter terwijl er 58 liter in kan.

Later miste ik nog een afslag richting Dijon, waar ik in de veronderstelling was dat het rechtdoor was, en na 35 kilometer had ik het in de gaten. De navigatie loodste ons terug. Om iets over zeven kwamen we bij ons overnachtingsadres in Dijon aan. Heerlijk ontspannen dagje.