Naïef

Ik had vanavond een afscheid van mijn werk. Er gebeurde iets opmerkelijks. Mijn baas is een man van weinig woorden, de speech laat hij graag aan iemand anders. En gelijk heeft hij. Maar die iemand anders is een betrekkelijk nieuwe medewerker van een ander bedrijf, dat bij ons in het pand is gevestigd. Hij is het commerciële type, en dat botst traditioneel een beetje met mij. De commerciëlen passen alle marketing tools toe, ik beweer dan rustig dat bepaalde dingen niet werken. Zo is er bij hem het heilige geloof dat hij meer kan verkopen in een non-foodwinkel als hij er een bepaalde kunstmatige geur laat hangen, ik vind dat onzin.

Goed, daarover werden we het nooit eens, maar dat geeft verder ook niet. Maar in de speech pakte hij me terug door te zeggen dat “ze” mijn naïviteit gaan missen. Normaal zou ik er direct opgevlogen zijn, maar ik dacht: ach, afscheidsspeech. Even verderop wist hij te melden dat ze wel hielden van mijn aanwezigheid, en dat ze me na verloop van tijd in hun midden hadden opgenomen. Waarop ik opmerkte dat wij hém in ons midden hadden opgenomen, hij werkt er tenslotte pas een half jaar, ik vijf.

Goed, het is zo’n voorbeeldje waaruit blijkt dat sommige mensen er een hele eigen waarheid op na houden. Ik vroeg na afloop even aan mijn baas of hij meegewerkt had aan de speech, maar dat was niet zo. Het was geheel voor rekening van de spreker. Mooi. Ik vind naïef prima, maar niet als bindende kwalificatie vanwege het feit dat iemand geen voet aan de grond krijgt. Maar goed. Voor één keer hield ik mijn mond.

Alstublieft

Gisteren had ik mijn laatste werkdag bij mijn huidige werkgever, en ’s avonds kon ik gelijk al aanzitten aan het diner bij mijn nieuwe werkgever. In Haarlem moest ik zijn, de PVV had er ook wat die avond. Het was een restaurant met Michelinster, dus dan weet je het wel. 9 gangen. Ik vind het allemaal wat overdreven, maar er zijn mensen die er graag komen. De mevrouw die het eten opdiende legde heel professioneel bij elk gerecht uit wat het was, hoe het bereid was en in welke volgorde je het moest eten. Elke uitleg sloot ze op een onverwacht moment af met een nederig “alstublieft.” Je verwachtte dat er nog iets kwam maar nee, “alstublieft.” Dat vond ik mooi. Bovendien maakte ze een mooi verhaal bij de wijnen. 2005 was een moeilijk Port-jaar, dat heb ik onthouden. Waarom kom je dan met Port uit 2005 aan, vroeg ik me af. Maar goed, ik was toch met de auto, bleef niet overnachten zoals de meesten, dus ik kon overslaan.

Dat overnachten daar heb ik trouwens een hekel aan. Het zal soms nog wel eens gebeuren in mijn nieuwe werk schat ik zo in, maar ik drink liever niet en rij nog anderhalf uur door de nacht, zodat ik thuis nog even een glimp van mijn slapende kinderen kan opvangen, om vervolgens in bed te stappen naast een zacht slapende Linda, dan te overnachten in zo’n kille hotelkamer waar je enige vriend de afstandsbediening van de televisie is. In Zweden vonden ze me een typische Finance man. Treft dat even.

Welja.

Dit is haar nu, juffrouw Kim, u kent haar wel. Zij wordt per direct en onvrijwillig overgeplaatst naar een andere school wegens mondigheid. Vanwege het voor jezelf opkomen. Natuurlijk, in de brief van de directie stond het heel anders, maar zo gaan die dingen. Nu wordt ze dus buiten mijn zicht en bereik geplaatst. Het is een grof schandaal. Hier is het laatste woord ook nog niet over gesproken.

Vandaag was haar afscheid, en ik had speciaal vrij genomen. Ik heb wel gezegd dat ik examen had, maar dat was helemaal niet waar. Dappere Kim duldde de directeur daarbij niet in haar klas -hoe haalt zo’n man het in z’n hoofd, gebrek aan sociale vaardigheden dat lijkt mij duidelijk- en dat vind ik standvastig.

Goed, nu gaat zij op een school in Apeldoorn werken, waar ze hopelijk in korte tijd weer met volle vreugde staat te onderwijzen. Ik heb Tammar daar al opgegeven, want ha, dan kennen ze mij nog niet. Dan maar elke ochtend een uur eerder mijn bed uit!

Nou ja, in elk geval, het draait hier niet om mij, maar toch….
dit gaat littekens achterlaten.

It was twenty years ago today.

Ik moet u iets vertellen. Ik kon er nooit eerder over praten, maar nu is de tijd rijp. Het is nu twintig jaar geleden dat het gebeurde. Ik lag in bed en werd plotseling wakker. Ik wist niet waarvan en ik voelde mij wat vreemd. Alsof een aardbeving mij had wakker geschud. Ik knipte het licht aan en keek naast me. Ze lag er niet meer. Waar was ze heen? Ik stond snel op en liep naar de slaapkamer van mijn oudste dochter. Leeg. In paniek deed ik de deur van de kamer van mijn andere dochter open. Ook leeg. Ik riep ze en spurtte de trap af. De hond lag nog wel gewoon in zijn mand te slapen. Radja, zei ik, waar is het vrouwtje? Radja keek even op en legde toen zijn kop weer op de rand van zijn mand. Ik pakte de telefoon en belde haar mobiele nummer. De telefoon ging over en ze nam op. In de verte hoorde ik haar stem “Mack? Waar zit jij nou? Je bent ineens weg?” “Ik weg? Jij bent weg! En Sandra en Kim!” “Mack? Mack! Mack! Nou ja, hij heeft opgehangen,” hoorde ik haar nog zeggen.

Toen ik haar terugbelde kreeg ik geen gehoor. Nooit meer. Dat was het laatste wat ik ooit van haar hoorde. Ik zette mijn I-pad aan maar kreeg geen verbinding met internet. Ik drukte de televisie aan en zag een oud journaal. Bolkestein in debat met Lubbers. “De VVD vindt dat al jaren,” zei Bolkestein. “PvdA en CDA vinden dat nu ook,” vervolgde hij onverstoorbaar. Ik zapte door. Testbeeld. Testbeeld? Ik zapte weer door. Sneeuw. Sneeuw? Ik keek naar buiten en er lag ook sneeuw. Alles zag er vreemd uit. Ik voelde me vreemd. Ik zapte terug naar het oude journaal. Harmen Siezen kondigde het nieuws af. Dit was het NOS journaal van maandag 27 januari 1992.

Het heeft een tijdje geduurd voordat ik het accepteerde. Ik kon niet anders. Iets was gruwelijk fout gegaan en had mij twintig jaar teruggeworpen in de tijd. Ik ben nu terug op de dag dat het destijds fout ging. Al die tijd kon ik er niet over praten omdat ik voorkennis had. Vanaf vandaag weet ik net zoveel over morgen als u. Natuurlijk, ik weet dat het ongeloofwaardig klinkt, maar als het niet waar is mogen ze mij twintig jaar terug in de tijd werpen.

Even lekker in de blote kont lopen.

Waar ik benieuwd naar ben is het hoe en waarom van het naaktstrand. Ik bedoel, hoe is het zover gekomen? Wat begrijp ik er niet aan en waarom voel ik gêne bij de gedachte dat ik daar zou zijn? Wat mis ik precies aan het in de blote kont lopen? Ik doe dat als ik uit de douche kom en zelfs daar voel ik me niet geweldig bij. Ik ben altijd weer blij als ik een onderbroek aan heb. Ik begrijp gewoon niet wat nu het geweldige aan naaktlopen is. Moet ik er gewoon doorheen, zoals je door roken, koffie drinken of olijven eten ook heen moest? Of is het koud watervrees? Zit er toch stiekem een seksueel element aan of is het de gedachte dat je bekeken wordt? Of niets van dat al en is het gewoon fijn je piemel te laten bungelen in de zon? Het is voor mij een mysterie. Net als de sauna trouwens. Maar goed, ik liep ooit hard en als ze me vroegen wat daar nou zo leuk aan was wist ik het ook niet. Er was geen bal aan! Het was afzien. Pas als je uitgerend en uitgehijgd was kreeg je wat voldoening. Het weten dat je een grens verlegd had, daar ging het om. De bezigheid zelf slaat nergens op. Massages, daar heb ik ook niks mee. Ik voel niet eens dat het lekker is en het voegt in mijn beleving ook niks toe aan mijn gevoel van fitheid. En de keren dat ik er wel iets bij voelde werd het gedaan door een meisje waar ik om andere redenen in geïnteresseerd was. Maar zo hebben we allemaal onze eigenaardigheden en interesses en dat houdt het wel levendig.

Waterdoop

Weinig dingen vind ik zo mooi als droog blijven terwijl het regent. Dat begon al in mijn vroegste jeugd; mijn opa had een afdak over zijn terras waardoor hij ’s zomers gewoon in de regen buiten bleef zitten. Dat gekletter boven je hoofd was geweldig. Een soortgelijk effect had ik hier van de zomer. Een zwembadje, een opblaasboot erin en toen het ging regenen een plastic afdekzeil over de boot zodat de kinderen droog zaten. Ik weet niet waardoor deze fascinatie veroorzaakt wordt, maar ik heb hem.

In de auto treedt het effect alleen op als het keihard regent. Zo hard dat de ruitenwissers op de snelste stand moeten, en dat je de radio niet meer hoort door het gekletter, dat is pas genieten. Maar goed, dat is een gevaren schip. Alhoewel de eerlijkheid mij gebiedt te zeggen dat Linda mij de auto meegeeft als ze hem niet per se nodig heeft. En ze heeft mij een gloednieuw regenpak cadeau gedaan. Een “ademend” regenpak dus ik mag wel zeggen dat ik luxe leef.

Dat regenpak wilde ik graag uittesten maar het regende steeds niet. En toen het van de week ’s ochtends hoosde moest ik met de auto! Het lijkt mij geweldig om in een stortbui droog te blijven op de fiets. Vanavond toen ik naar huis wilde, het was al aardedonker, bulderde de wind maar het regende niet. Of toch wel? Ik voelde één miezerig druppeltje op mijn gezicht. De Heer zij geloofd en geprezen, ik heb mij in mijn regenpak gehesen. Wat een trots. Had ik ook nog de wind mee. Ik ben maar een bofkont.

Ontoerekeningsvatbaar

Ik begin wat moeite te krijgen met het boek van professor Swaab dat ik aan het lezen ben over de werking van de hersenen. Allereerst wilde Swaab een hardnekkig misverstand uit de wereld helpen en dat is dat er vaak gezegd wordt dat we maar 10% van onze hersenen zouden gebruiken. Het grapje wat hierop moet volgen maakte hij zelf al in zijn boek. Maar het is dus een fabeltje van die 10%. Net als dat er elke dag miljoenen hersencellen zouden afsterven, ook nergens op gebaseerd. Dit wilde ik even meegeven, want misschien vertelt u dit ook altijd op feestjes en heeft u er een hekel aan dingen te vertellen die niet waar zijn. In dat geval, alstublieft.

Maar waar ik moeite mee heb, maar ik heb het boek nog niet uit, is dat de vrije wil langzaam verdwijnt. In de baarmoeder worden de hersenen gevormd. Dat luistert enorm nauw, en je hebt altijd foetussen die niet willen luisteren. En soms gaat er dan wel eens iets fout in meer of mindere mate. In één op de 20 (?) gevallen wordt er een verkeerd onderdeel geïnstalleerd en wordt er een homoseksueel geboren. Dat zit niet in de genen want dat kan niet. Want het gen zou allang uitgeschakeld zijn; het kan zich immers niet voortplanten. Dus draagt homoseksualiteit waarschijnlijk bij aan het behoud van de mensheid.

Soms gaat het serieuzer fout en komt er een transseksueel ter wereld. Heel vervelend, maar degenen die zich laten ombouwen schijnen er zelden spijt van te hebben. Maar ook in de hersenen van transseksuelen zijn weer onderdelen gevonden die eigenlijk bij iemand van het andere geslacht horen.

Ga zo maar door. Alle psychiatrische stoornissen, van depressie tot het willen amputeren van gezonde lichaamsdelen, het zit allemaal in de hersenen. Zelfs pedofilie is terug te vinden in de hersenen. Over misdadigers heb ik hem nog niet gehoord, maar ik ben er van overtuigd dat die verderop in het boek ook nog aan bod komen en dus in feite ook geheel ontoerekeningsvatbaar zijn.

Als we echt alles zouden weten van de hersenen zou het waarschijnlijk mogelijk zijn om webloggers en hun vreemde gedachtegangen te kunnen volgen. De vrije wil, en dus het goed en kwaad worden door de hersenen buitenspel gezet. Als ik de professor goed begrijp zitten we opgescheept met een wereld vol ontoerekeningsvatbaren.

De schepping van de verwoesting.

Soms wordt het in mijn hoofd even allemaal teveel. Dan begrijp ik ineens niks meer van kwantummechanica, relativiteitstheorie, psychologie, zwarte gaten en de laatste computertechnologie. Ik ga zelfs twijfelen aan de werking van de verbrandingsmotor en over de opzet van belastingwetboeken. Om van marketingtechniek nog maar te zwijgen. Ik word aan alle kanten ingehaald door kennis en techniek, en ik ben niet bij machte om het bij te benen. Het is één grote meteorietregen van technisch vernuft.

Ik heb daar een oplossing voor. In mijn hoofd stuur ik een allesverwoestende meteoriet naar de aarde, die echt alles, maar dan ook alles verwoest. Nou ja, niet de aarde zelf natuurlijk. En geen dieren. En geen bomen en planten. En de meeste mensen niet. Maar alle uitvinders en hun uitvindingen, die gaan eraan. Nou, dan zijn we weer bij de basis aanbeland en vanaf daar begrijp ik het. Dan zullen we als eerste vuur en kleding moeten maken. En dan gaan we het wiel uitvinden. Boekdrukkunst. Vervolgens de stoommachine. De verbrandingsmotor. Psychologie.

Als het goed is gaat het allemaal in een wat sneller tempo dan waarin het tot nu toe allemaal is uitgevonden, want we weten al dat het bestond. Ikzelf neem de fiets voor mijn rekening. Want ik snap hoe die werkt. Alleen hoe maak je van niets een fiets? Want er is niks. Geen rubber, geen plastic, geen ijzer, geen gereedschap.

Hier loop ik dus weer hartstikke vast in mijn ingebeelde vernietiging, en laat ik die meteoriet toch maar vlak langs de aarde scheren. Dan ga ik weer verder met de ondraaglijke last van de onwetendheid.

Gave

Ik heb bepaalde gaven. Net als iedereen trouwens, maar ik weet het ook van mezelf. Sommigen weten het ook van zichzelf, maar kunnen dan gelijk niet meer met de roem omgaan. Maar zelfs dat kan ik, al is dat niet de gave waar ik op doel. Nee, ik zal een voorbeeldje geven van wat ik kan. Stel, ik kom ergens en ze hebben daar een kat. De baas zegt dat de kat nog wel eens wil slaan als je hem aait. Ik aai hem en het beest komt spinnend op mijn schoot liggen. Het kan toeval zijn, maar ik had het ook met een valse dobermann. Het beest stond bekend als een onbetrouwbare angstbijter, maar toen ik hem voor het eerst zag lag hij al snel naast mij op de bank met zijn kop op mijn schoot. Een ander hondje beet zich in iedereen vast, en de enige die hem kon optillen was zijn bazin. En ik ook na een poosje. Hij verzette zich eerst wel, maar daarna liet hij het zich rustig welgevallen. En nu dan weer: een meisje uit de klas van Hans wil nergens spelen waar vaders thuis zijn. Kennelijk zijn vaders te wild of praten te hard. En wat denkt u: één grote glimlach bij het meisje als ik binnenkom. Ik bedoel maar. Dieren en kinderen voelen het feilloos aan, alleen volwassenen hè, die zien het niet.

Nou ja, je hebt er verder niks aan hoor, maar één logje mag er wel aan gewijd worden, dacht ik zo.

Een jongensdroom wordt waarheid

17 september vorig jaar en 16 juni 2008 schreef ik er al over, maar nu is het eindelijk werkelijkheid geworden. De wolf heeft zijn intrede gedaan in Nederland. Werd hij vorige week in het Geldersche Duiven gezien, afgelopen week werd hij gezien in Loenen. En dan heb ik het niet over de gebitsziekte, of over John de, maar over het gevreesde toproofdier, de meest effectieve jager van alle zoogdieren, de wolf. (Canis Lupus)

Ik kan u niet vertellen hoe opgewonden ik ben. Een wolf in ons kleine nietige Nederland dat tot voor kort alleen melding kon maken van de wesp als gevaarlijke dierlijke inwoner. Dat ik dit nog mag meemaken! Welkom, o machtige wolf op de nederige toendra’s van de Veluwe en ver daarbuiten. Momenteel wordt de Veluwe overspoeld door groepen natuurliefhebbers uit het hele land, om het geburl van het mannelijk edelhert, op zoek naar bronstige hindes, waar te nemen. Maar binnenkort klinkt het wolvengehuil! Het wordt weer levensgevaarlijk ’s winters in het bos. De wolf gaat Nederland redden van een roemloze ondergang. Wij tellen internationaal weer mee!

Ik kan niet wachten tot ik uit mijn dakraam in de verte het wolvengehuil kan horen. Tot Elspeet weer onbereikbaar en afgelegen wordt omdat de weg er naar toe niet langer pluis is. Nee, nooit heb ik een gevaar zo toegejuicht als dit. De grote boze wolf, de verslinder van roodkapje, de hoofdpersoon van vele fabels, hij is terug. Ik huil zelf alvast van geluk.