Kismet

Gisterenavond, een prachtige zomeravond, liet ik de hond uit op de hei. Ik liep vrijwel alleen toen mijn aandacht ineens werd getrokken door een wegspringend konijn. Ik bleef even staan, Randi had niks in de gaten en ik keek of ik zag waar het beest gebleven was. Ineens viel mijn oog op een dood slangetje. Ik pakte het op want ik ben een soort van Steve Irwin, maar dan met dode, ongevaarlijke slangen, en constateerde met mijn kennis van de biologie dat het een hazelworm moest zijn. Geen echte slang dus, maar een hagedis zonder poten.
Ik vertelde het vanochtend tijdens het ontbijt aan de kinderen die mij enigszins wantrouwend aankeken. Ze wisten niet dat er slangen in Nederland voorkwamen. Hans wilde weten of de slang ook giftig was maar dat kon ik ontkrachten. Ik zei dat er wel adders in Nederland voorkwamen, maar dat ik die in 44 jaar nog nooit had gezien.

Even later liep ik weer op de hei met Randi, ditmaal was het ietsjes drukker maar nog steeds was er weinig volk. Ik liep naar de grond te kijken of ik nog een hazelworm kon spotten. Ik was alweer op de terugweg toen ineens vlak voor mij een echte slang het pad overstak. Een slang van een halve meter, bruin, zijn slangentong snel naar buiten bewegend. Het beest ging door een plas water naar de overkant en ik volgde hem. Aan zijn ruitvormige kop meende ik op te maken dat het een adder was. Maar ik twijfel nu toch omdat het ook een gladde slang geweest kon zijn. Ik tikte het beest even aan maar het reageerde niet. Adders nemen vaak de verdedigende houding aan. Ik moet het denk ik toch maar op een gladde slang houden, die minder spectaculair is, maar nog zeldzamer. Hoe dan ook, een gladde slang had ik ook nooit gezien. Het beest verschool zich onder de hei en ik liep weer verder.

Teruglopend bedacht ik me hoe groot dit toeval was. Ik heb daar vaak met mijn twee vorige honden gelopen en nog nooit zag ik een slang. En net op de dag dat ik aan de ontbijttafel zit te vertellen dat ik nooit een adder gezien had, en ik de hele weg op slangen zit te letten, zie ik een slang waarvan ik toen nog in de veronderstelling was dat het een adder was. Terwijl ik in Nederland, op wat hazelwormen na, nog nooit een slang in het wild gezien had. Het toeval was in elk geval zo groot dat ik het gevoel kreeg dat ik twijfelde aan het toeval. Met een glimlach liep ik terug naar de auto.

versje van mijn oma (1917-2013)

De adder is een gevaarlijke slang
hij wordt slechts een halve meter lang
al valt hij zelden mensen aan
toch moet je nooit met blote voeten door de heide gaan.

Gameverslaving.

Ik ging iets te laat naar bed gisteren. Kwart over één, gameverslaving. Ik wist het niet hoor, dat ik game verslaafd was, al was er vorig jaar al een duidelijke aanwijzing toen ik Wordfeud op mijn telefoon had. Ik kon het niet wegleggen. Als er denksport beoefend moet worden ben ik van de partij. Twee weken lang gaf ik me er aan over totdat ik in de gaten had dat het me in zijn greep had. Ik verwijderde het van mijn telefoon en ik heb het nooit meer gespeeld.

Nu betrof het schaken. Ik speelde in 1980 voor het laatst tegen een schaakcomputer, een Audi-Sonic die zes niveau’s had. Op niveau zes stond hij soms een dag te denken. Ik leerde overigens schaken van ome Joop. Die kent u niet, maar ik wel. Hij was geen oom, maar een collega van mijn vader die een straat verder op woonde. Hij was er heel goed in, maar dat was ook niet gek want hij heeft een ir. verwekt. Niet dat zijn zoon gelijk bij zijn geboorte ir. was, maar Oscar, zo heette hij, was wel lichtelijk briljant. Speelde ook irritant goed piano en mijn moeder vond het ook nog een hele beleefde jongen dus ja, om te kotsen. Kreeg ik ook nog zijn studiebroeken. En nee, die r is geen vergissing. Belachelijke broeken waar Oscar was uitgegroeid kreeg ik. En Oscar was een zogenaamde “studie” wat in het Brabant van de jaren ’70 een scheldwoord was. Brabant was nog niet zo ontwikkeld in die tijd. Soms schold je ook iemand uit voor miljonair of atleet. Wij hielden niet van opscheppen, en nog steeds niet.

Ome Joop was wel oké, trouwens. En Oscar ook wel maar voor het verhaal trap ik hem even de grond in. Maar Ome Joop kon dus goed schaken. Zat ook bij de schaakclub. Hij vertelde mij over herdersmat en dat soort grappen. Ik weet ook zeker dat hij me “en passant slaan” heeft geleerd, maar die bijzondere verrichting was ik compleet vergeten. Ik zag de computer het doen en dacht dat het ding in de war was, totdat Laurent mij erop wees dat dat wel degelijk een regel was. Toen ging het weer dagen.

Het afgelopen weekend schaakte ik erop los. Niveau 2 van 3. Computer dacht hooguit 1 seconde en niets ontging hem. Zeker zo sterk als niveau 6 op de Audio-Sonic. Als ik ergens een dekking vergat was ik het stuk onherroepelijk kwijt. En dat maakte me razend. Er zat een undo knop op, en een knop om de opnieuw te beginnen. En die heb ik wat gebruikt. Net zolang tot ik won. En het is gelukt, afgelopen nacht om 1 uur versloeg ik hem. Daarna waren mijn hersenen nog zo opgefokt dat het me nog een uur kostte om in slaap te komen. Ik was een beetje brak vandaag. Vanavond heb ik hem uitgezet om 10 uur. Zelfbescherming.

Hondenbelasting

We moesten Randi aangeven bij het digitale loket van de gemeente. Maar het kwam er maar niet van, het kwam er maar niet van. Dus had een Mussert aanhanger ons vast aangegeven want ineens ging de bel. Ik deed open en een verdacht heerschap met een Duits uniform en een snor stond in de voortuin. Randi besprong de man zoals een enthousiaste jonge hond dat doet. Toen ik haar weer onder controle had snauwde de man: “Haben sie ein hund? Sofort antworten!” Hij was Heino niet, want hij droeg geen zonnebril. “Bent u uw rood-wit gestreepte stok soms vergeten? Of dacht u dat dat beest wat u zojuist besprong een uit de hand gelopen konijn was? Sjonge, wat een stomme vraag, natuurlijk heb ik een hond, dat zie je toch!” riep ik verontwaardigd. “Dan zal ik even samen met u de aangifte invullen,” zei de man. “Wat is uw adres?” “Bekende weg 23,” antwoordde ik.

Ik had het al vrij snel gehad met deze man. Ik ging me ook vooral niet gedragen alsof hij me betrapt had. Het kost 56 euro per jaar en het wordt afgeschreven via de gemeentelijke belastingen, vertelde hij. “Oh, de gemeente, die geef ik elk jaar 100 euro fooi,” zei ik, om vooral de indruk te wekken dat het mij niet om die 56 euro te doen was. “En wat krijg ik precies voor die 56 euro?”, vroeg ik. “Nou, dat kan ik u vertellen, u krijgt er hondenuitlaatstroken voor!” “Ah, en waar zijn die uitlaatstroken?” “Dat weet ik niet want ik ben niet van deze gemeente, maar de hondenuitlaatstroken zijn volgens wettelijke bepalingen maximaal zes minuten lopen van uw huis. Daarnaast huurt de gemeente van de hondenbelasting een afzuigmachine om die hondenuitlaatstroken weer schoon te zuigen. De rest gaat naar de zwerfdieren.” “Dus als ik het goed begrijp,”ze ik, “krijgen we hondenuitlaatstroken en vervolgens huurt de gemeente een machine om die stroken weer schoon te maken. Is het dan niet handiger om die stroken niet beschikbaar te stellen? De mijne schijt hier toch altijd op de stoep. Dan hoeft er ook geen afzuiger te komen en kan er nog meer geld naar de zwerfdieren. Wat kopen die zwerfdieren er trouwens van,” vroeg ik. “Nee, u begrijpt het niet, wij vangen zwerfdieren op met dat geld.” “Ja maar wacht even,” zei ik. “Als u ze opvangt zijn het geen zwerfdieren meer. U bent niet tot antwoorden verplicht,” zei ik tegen de man, “maar vindt u ook niet dat het een uiterst dubieuze belasting is?” “Ehm, ja als u het zo stelt.” “Nou ja,” zei ik, “ik laat het deze keer bij een waarschuwing maar volgende keer krijgt u echt een bekeuring. Ik wens u nog een prettige dag,” en ik deed de deur weer dicht.

De man bonkte weer op de deur. “Aufmachen!” riep hij. Ik deed open en vroeg wat hij kwam doen. “Controle hondenbelasting, u had een hond toch?” “Klopt,” zei ik, “ik had een hond, maar nu niet meer. Het beest is spoorloos. Waarschijnlijk ondergedoken.” “Ach so,” zei de man. Hij gaf me een kaartje. “Mocht de hond zich weer melden neem dan sofort contact met mij op. Er moet hondenbelasting betaald worden. Orders. Zou ik trouwens even van uw toilet gebruik mogen maken?” “Maar natuurlijk, moet u wel even boven gaan want beneden zit de hond er net op. En ik moet u er op wijzen dat boven een opruimplicht bestaat. Heeft u misschien een zakje bij u? Anders moet u even naar zo’n uitlaatstrook lopen. Ik weet niet waar de dichtstbijzijnde is, maar het kan hooguit zes minuten lopen zijn.”

Je komt jezelf altijd weer tegen

Laat ik beginnen met te stellen dat ik mij geen betere zoon kan wensen dan Hans. En vervolgens met even iets over mezelf te vertellen. Als kind was ik iets te gevoelig. Ik kwam net iets te vaak huilend thuis volgens mijn vader die daar geïrriteerd door raakte. Hij deed me op judo, en het hielp want tegenwoordig kom ik nog hoogstzelden huilend thuis. Wij hebben Hans preventief op judo gedaan en het helpt want hij komt tegenwoordig vaak huilend thuis. Vanavond voetbalde hij buiten en volgens zijn twee medespelers was het hands, maar volgens Hans niet. Dat loopt dan zo uit de hand dat meneer zijn bal pakt en kwaad wegloopt. Omdat hij dat al vaker heeft gedaan riep ik hem terug. Hij mocht van mij kiezen, of weer normaal meespelen, of douchen en naar bed. Hij koos eieren voor zijn geld.

Tot drie keer toe kwam hij daarna huilend binnenlopen. Bij de derde keer was ik het zo zat dat ik hem naar binnen trok en hem naar boven joeg. Dat maakte het niet beter maar hij had pijn aan zijn been, ze hadden hem geschopt. Ik ga dan bijna door het lint. Ik knalde hem onder de douche en beet hem toe dat hij nu negen is en niet elke keer als hij pijn heeft huilend naar binnen kan komen want de anderen lachen hem uit. Hij huilde nog harder, want in zijn ogen was hem groot onrecht aangedaan en zijn vader koos juist partij voor degenen die het hem hadden aangedaan.

En ik zie die tragiek ook wel, maar ik kan het niet helpen. Nee, mijn aanpak werkt waarschijnlijk niet, maar oh, wat ben je het als vader zat als het elke keer jouw kind is dat huilend wegloopt. Liefst zou je hem nog een hengst geven, uit pure onmacht. Hij jammerde dat ze hem expres schopten op een plek die hij toch al had geschaafd. Ik antwoordde boos dat hij dan niet meer mocht spelen met jongens die hem expres schoppen, want dat zijn geen vrienden. Na een half uurtje heb ik met hem gepraat en het hem uitgelegd. Dat ik vroeger ook vaak huilde en dat opa Hans dan ook boos op mij werd terwijl anderen mij iets hadden gedaan. Dat ik gewoon niet wil dat ze hem straks uitlachen. Dat ik ook liever niet boos word. Maar ik zou beter moeten weten. Volgende keer moet ik het anders aanpakken. Want je komt jezelf altijd weer tegen.

Een diepe slaap

Een buurman stond aan de deur. Hij had afgelopen nacht een verdacht persoon aan onze deur zien staan friemelen. Tevens had hij de politie gewaarschuwd die gelijk was gekomen. De verdachte werd niet aangetroffen en wij zijn niet wakker geworden. En dat laatste irriteert me nog het meest. Was hij een nacht eerder gekomen, dan had ik hem gehoord, want toen sliep ik pas tegen vieren in. Maar nee, hij kiest een nacht dat ik slaap moest inhalen, wat betekent dat hij getipt is. Ik heb slechts weinigen laten weten dat ik die nacht ervoor slecht had geslapen en dat maakt Linda tot hoofdverdachte. Maar het kunnen ook de buren geweest zijn die mij boven de wc hebben horen hangen.

De politie heeft hier naar binnen staan schijnen volgens de buurman, maar dat kan helemaal niet want alle gordijnen zaten dicht. De hond heeft ook niks gehoord, echt een waardeloze waakhond, hoewel ik het haar niet echt aanreken want ze is pas drie maanden. Hans heeft nog aan mijn bed gestaan omdat hij een nachtmerrie had. Dus ik ben even wakker geweest. Ik ben niet echt bang voor inbrekers, het irriteert me alleen dat ik ze kennelijk niet hoor. Ik hoor licht te slapen, liefst met één oog open. Diep slapen past niet bij de held. Arendsoog was niet te verrassen door in zijn slaap op hem af te sluipen, en hetzelfde geldt voor Bruce Willis. De held hoort licht te slapen en ook geen tijd nodig te hebben om te ontwaken. Ik moet gedrogeerd zijn geweest. Zoals BA Baracus als hij een vliegtuig in moest.

Full Pull

Op de radio hoorde ik dat de man die 31 jaar geleden in Delfts café zes mensen doodschoot, geen recht heeft op onbegeleid verlof. Eerst flitste die 31 jaar door mijn hoofd en vervolgens realiseerde ik me dat ik nog precies wist dat het gebeurde. Tenminste, mijn aardrijkskundeleraar destijds had het over schuttersbier en kogelbiefstuk, ook in het pré-facebooktijdperk had met al behoefte aan het afwentelen van ellende. Maar het is 31 jaar geleden en ik weet het nog! Een eeuwigheid. Ik was dertien en zat op de Mavo. Wat ik leerde met Aardrijkskunde is overigens volledig weg.

Toen ik geboren werd in 1969, toen was 31 jaar geleden 1938. Ik bedoel maar. WO II moest nog beginnen in dat perspectief. Het is onvoorstelbaar hoe oud ik dus al ben en hoe dichtbij de geschiedenis is. Het had niet veel gescheeld of ik had die hele ellende kunnen voorkomen, zo dichtbij was ik. Dichter dan vandaag was ik nooit bij de oorlog. Toen ik klein was, was ik er ver van verwijderd. Het was al lang geleden en als kind had je dat niet aan je hoofd. Wist jij veel dat het om je heen nog barstte van de loslopende nazi’s? Nu ja, nu zijn ze weg en vrijwel uitgestorven.

Nee, het leven vliegt voorbij als een tractorpull. Je start voortvarend en vol energie, maar langzaam wordt de last zwaarder en kom je met dezelfde energie minder hard vooruit om uiteindelijk te bezwijken onder de gewichtsverplaatsing. Slechts enkelen halen een full pull. Ik denk nog vaak aan mijn start. En kijk eens hoe ver ik al ben! Al zeker 44 meter en nog steeds gaande. Misschien kan ik wat vals spelen met het gewicht? Of de motor wat opvoeren? Feit is wel dat de start en finish ver weg zijn en dat je niet weet of je tussentijds stil zult vallen. Midlife crisis is pure heimwee. Je bent het verst verwijderd van zowel start als finish. Ergens in het midden, daar ploeter je voort. Niks om je zorgen over te maken. Maar 31 jaar geleden, da’s toch wel even schrikken.

Hinderlaag

Op de heenweg naar de camping waar Tammar een nachtje ging logeren, ging het al mis. De auto gaf een alarm achter me hoorde ik een kind geschrokken reageren. Tammar had aan aan de deurhendel gezeten, in de veronderstelling dat die wel op slot zou zijn. Ik remde en reed naar de vluchtstrook. Ik deed wat zogenaamd bozig en Tammar was de eerste vijf minuten daarna stil. Toen hoorde ik: “sorry papa.” Ik legde haar uit dat het levensgevaarlijk was en dat ze er nooit meer aan moest komen. Ik begrijp zulke nieuwsgierigheid wel, ik had dat ook als kind, alleen had mijn vader de kindersloten er wel op zitten. Bij mij is het een knopje voorin en ik weet nooit of de deuren nu dicht of juist open zijn.

Toen we er bijna waren begon de navigatie wat vreemd te doen. Hij vond dat ik linksaf moest terwijl er geen weg links was op dat moment. Links van me was een ventweg en daar reed een motoragent. Iets verderop ging ik links en de navigatie stuurde me een heel verkeerde richting op, en toen ik dat door had keerde ik om. Nu gaf de navi aan dat ik de weg moest oversteken en rechtdoor gaan, al zou dat in eerste instantie, komende vanuit de oorspronkelijke richting, rechts geweest zijn. Geen idee waarom hij dat niet gelijk aangaf. Oversteken en rechtdoor dus, als stond daar duidelijk een bord dat ik er niet in mocht, tenzij ik op één van de huisnummers 1 t/m 4 moest zijn. Nou ja, boeien.

Uit een hinderlaag sprong de motoragent die ik zojuist nog zag rijden en hij gaf me het stopteken. Ik stopte en vroeg waar ik naar toeging. Ik legde hem uit naar een camping en dat de navigatie aangaf dat ik hier in moest. Hij zei dat de weg hier afgesloten was i.v.m. een gevaarlijke oversteek en dat ik een bekeuring kreeg. Dat er even daarvoor een bord had gestaan waarop stond dat de navigatie uit moest. Had ik niet gezien. Of ik het bord met de afsluiting wel gezien had, vroeg hij. Ik bevestigde, maar ik gaf aan dat het nooit serieus kon zijn als sommige mensen er wel doorheen mochten. Hij typte mijn gegevens over en keek naar mijn nummerplaat. Tammar was onder de indruk en vroeg of we nu geld moesten betalen. De agent stuurde me niet terug i.v.m. de gevaarlijke kruising maar liet me de weg vervolgen en wees de weg naar de camping, wat op zich goede service is voor 90 euro. Tammar zei dat ik het wel uit haar spaarpot mocht halen.

Op de terugweg, ik had Tammar inmiddels afgezet, reed ik even langs Yukiko, die daar in de buurt woont. Ik vertelde de verhalen en uiteraard moest ze lachen, want ze moet altijd lachen. Maar dat met die deur open, dat had ze vroeger ook wel eens meegemaakt met iemand. Dat kind vloog in een bocht uit de auto. Ongedeerd gelukkig, maar dat kon gebeuren in die tijd zonder autogordels. Ik gaf aan dat het natuurlijk niet echt kwaad kon met Tammar, want ze zat in de gordel en de deur kreeg ze niet open door de rijwind. Waarop Yukiko me verbeterde en zei dat het door de voorwaartse beweging kwam. Ik geloofde haar niet, maar liet het maar zo. Ze weet niet dat ik afgestudeerd ben in de aerodynamica. Nou ja, ben ik ook niet. Maar die bekeuring, daar ga ik nog eens even over nadenken. Of dat zomaar wel kan, dat sommige mensen die weg wel in mogen en ik niet.

Betere tijden

Ik ben maar even naar boven gelopen want beneden dreigde een programma te beginnen wat ik niet wilde zien. Op zich geen slecht programma, “Over De Streep”, het programma waardoor Johnny de Mol op het idee is gekomen voor zijn eigen antipestentertainmentshow. Maar ik zag een meisje dat vertelde dat een jongen met haar naar bed wilde, maar zij niet met hem. Dat was voor de jongen aanleiding om een mes op haar keel te zetten. Wat heb ik het toch verkeerd aangepakt vroeger. Ik had ze alle 362 een mes op hun keel moeten zetten. Nu konden ze het ook niet weten, die 362 meisjes want ik vroeg het niet. Maar ik wilde het wel. Maar ik vroeg het niet! En als ik al eens een afwijzing kreeg was het niet omdat ik vroeg of ze met me naar bed wilden, maar omdat ik aan lichaamstaal merkte dat ik niet verder moest aandringen. Dat was het moment voor het mes geweest. Maar nee, ik droop af, nam mijn verlies in stilte en hoopte dat de schande zou overgaan. Ik zou het liefst het bos in zijn gegaan om er nooit meer uit te komen, maar ja, Nederland hè? Te klein.

Neen, helemaal fout. Het lag niet aan mij maar aan de meisjes. En als die niet wilden dienden ze met een mes op andere gedachten te worden gebracht. Want zo zit het toevallig in elkaar. Afwijzingen komen in het woordenboek van de moderne jongeman niet meer voor. En zeker geen afwijzingen van het andere geslacht. Hoe halen die snollen het in hun verwaande hoofden? Weten ze eigenlijk wel met wie ze van doen hebben? Je moet ze mores leren, als ze maar wisten wat mores betekent. Nobody fucks with me! Klopt helemaal.

De tijden worden steeds beter en makkelijker, dat beaamt elke vorige generatie. Ik vertel Hans nu al wel eens over het internetloze tijdperk, en dat er overdag helemaal geen tv was. Dat leek hem niet zo’n leuke tijd. Over tien jaar moet ik hem voorzichtig vertellen dat we vroeger wel eens nee moesten accepteren, of zelfs een afwijzing van een meisje. Hij kijkt me dan niet begrijpend aan, knipt zijn knipmes open en vraagt of ze in die tijd meisjes daar gewoon mee weg lieten komen. Waarop ik beschamend bevestigend moet antwoorden. Maar we wisten niet beter in die tijd, Hans. Iedereen deed dat nu eenmaal zo. “Echt fokking maf,” zegt hij dan.

Een moment van zwakte

In een moment van zwakte bleef ik hangen op de real life soaps van Andy en dinges, en daarna nog een deel van Wesley en Yolanthe. Ik weet niet of het gepast is om te zeggen, maar ik had medelijden met ze. Wij, gewone deelnemers aan het leven op aarde, kunnen kijken naar ijdele apen. En de aapjes vinden zichzelf zo enorm interessant dat ze er geen moeite mee hebben om een camera toe te laten in hun miserabele bestaan. Andy schijnt een voetballer bij Ajax geweest te zijn, maar dat weet eigenlijk geen mens. Voor Wesley geldt hetzelfde, echter kent men hem voornamelijk van Yolanthe. Met de hele familie van Wesley werd kerst gevierd in Turkije, en naar goed Nederlands gebruik, horen daar cadeautjes en sinterklaasgedichten bij. Yolanthe kreeg een dildo en daar had de gever haar even mooi te pakken. De hele familie gierde het uit. Wesley’s vader verklaarde later dat dat echt Utrechts is, om iemand iets te geven waar hij of zij het schaamrood van op te kaken krijgt.

Er was een tijd dat ik trots was op mijn Utrechtse afkomst, maar die ligt al ver achter me. Zoals Freek de Jonge ooit al zei: Domstad. De Sinterkerst gedichten logen er ook niet om. Wesley werd misschien wel een echte dekstier, moest Yolanthe voorlezen, waarop zij verontwaardigd uitriep dat hij dat al was. Nu kunt u natuurlijk denken dat ik wat last heb van jaloezie. Op het geld van Wesley en zijn mooie vrouw. En dat ik het daarom maar wat zit af te zeiken. In dat geval heeft u gelijk. Maar ik keek mijn vrouw aan was toch onmundig blij met haar. Goed, ze heeft niet het figuur van Yolanthe, maar ze zal mij niet publiekelijk vernederen door een goed woordje te doen over mijn dekstiergehalte. Want, zo zegt het spreekwoord, goede wijn behoeft geen krans, maar Wesley wel. Wesley ging er uiteraard niet tegen in, en ging een beetje trots zitten kijken alsof hij het zelf geloofde.

Nee, tegen de tijd dat ik zo rijk ben, bedienden in mijn eigen huis aanneem om de drankjes te verzorgen, pikante passages uit gedichten niveau: -ABC, Henk nam Hilda mee- uitkraam en er dan hilariteit in de familie uitbreekt en ik dit ook nog vol trots op tv breng, nee, dan is er sprake van ondraaglijk en uitzichtloos lijden. Volgende week kijk ik weer.

Verdriet om Sambu

Ik zat met Tammar naar een film te kijken over twee Cheeta welpjes wier moeder gedood was door een leeuw, en die grootgebracht werden door een man. Een blanke man welteverstaan, want blanken doen nu eenmaal het ontwikkelingswerk in Afrika. De Cheeta welpen moesten leren om op eigen poten te staan, te kunnen jagen en voor zichzelf te zorgen. Eentje heette Tocki, de ander Sambu. De man leerde ze jagen, leerde ze welke dieren gevaarlijk waren en zelfs dat mensen gevaarlijk waren. Soms ging het bijna mis als ze op een te grote prooi joegen en ze nog niet door hadden hoe gevaarlijk dat was. Tocki werd op een dag zwaargewond aangetroffen omdat hij was opengereten door een wrattenzwijn. Maar hij werd opgelapt en overleefde het. Twee jaar duurde het voordat de twee jonge cheeta’s, die overigens prachtige dieren zijn, voor zichzelf konden zorgen. Alleen Sambu was wel eens overmoedig doordat hij zich bewust was van zijn snelheid en gevaarlijke dieren tartte.

Het was een prachtige film. Maar geheel onverwacht ging het mis en werden Sambu en Tocki ’s nachts aangevallen door een leeuw, of meerdere leeuwen, dat weten we niet. Tocki wist te ontsnappen maar Sambu werd levenloos aangetroffen. De man die ze had opgevoed was er kapot van en vroeg zich af of het zijn schuld was; had hij de welpen niet voor altijd in gevangenschap moet laten opgroeien? Hij troostte zich met de gedachte dat Sambu toch nog twee mooie jaren in de vrijheid van de Afrikaanse natuur had gehad.

Toen was het bedtijd. Ik bracht Tammar naar bed en ze deed haar gebruikelijke niet-meewerk dansje. Niet uitkleden, steeds met iets anders bezig zijn zolang het maar iets is wat het naar bed gaan vertraagt. Ik was even in de badkamer en liep terug naar haar kamer. Ze lag onder de dekens met haar kleren nog aan en ietwat geïrriteerd maande ik haar tot opschieten. Ineens begon ze te huilen. Ik dacht eerst dat het bij het dansje hoorde en liet haar even, maar vroeg toen of ze soms moe was. Maar nee, ze snikte dat ze heel erg geschrokken was van dat Sambu dood was gemaakt door de leeuw. Dat ze het heel zielig vond. Dat vond ik ook ja. Als ik het had zien aankomen zou ik Tammar niet hebben laten kijken. Nu kon ik er niet veel meer mee dan haar vasthouden en zeggen dat het ook zielig was. Want wat kun je hier nog aan recht praten? Dat het bij de natuur hoort? Dat hij toch nog een mooi leven heeft gehad? Het is gewoon een waardeloze situatie als een prachtig beest dat je een uur gevolgd hebt ineens zo aan zijn einde komt. Dat schat zo’n meisje goed in. Ik wist het niet recht te breien in elk geval. Tien minuten later, toen ze zich min of meer herpakt had zei ze: ik mag nóóit meer zo’n film zien hoor, behalve als ik groter ben. En daar hielp ze mij, want toen pas kon ik iets concreets bieden, al was het slechts het beamen van haar idee. Je vijf-jarige dochter moet jou helpen om de situatie naar een aanvaardbaar eind te brengen. Ik schoot ernstig tekort.