Quatorze Juillet

We zitten in een warmtefront zo las ik in de Telegraaf, die zelfs in de vakantie onrust weet te stoken, voornamelijk door ingezonden brieven van lezers te plaatsen. De Grieken dit, dit kabinet dat.., mensen voelen de behoefte om hun mening te verspreiden, iedereen mag weten met welk een groot visionair men te maken heeft. Ondertussen zitten wij in 35+ graden. De koelste dag van onze vakantie wordt 31 graden volgens het weerbericht. ’s Avonds koelt het nauwelijks af, we zitten buiten in korte broek en t-shirt. Ik kan me niet herinneren dat ik dit eerder meemaakte. 

De hitte trotseer ik, met dank aan kapitein Dick Winters van Easy Company. Ik lees het waargebeurde verhaal “Band of Brothers” en ben een groot deel van mijn verloren respect voor Amerikanen aan het terugvinden.  Een relatief kleine company die een aantal beslissende slagen heeft toegebracht aan de Duitsers, en die mij doet beseffen dat we onnoemlijk veel aan haar te danken hebben. 

Door de hitte doen we weinig noemenswaardigs, luieren, zwemmen, eten en drinken. Morgen staat er een trip naar Nimes gepland, alwaar de best bewaarde Romeinse arena ter wereld schijnt te staan. Arena’s waren verschrikkelijke plekken waar gladiatoren onvrijwillig een wrede dood stierven, maar omdat het zo lang geleden is en er geen gedupeerde nabestaanden zijn die strijden voor gerechtigheid, kunnen we de dag met enthousiasme tegemoet zien. We kunnen zelfs de gids een fooi geven, en dat zie ik bij Dachau nog niet gebeuren. Er is ook geen voetbalclub die haar stadion “het concentratiekamp” noemt. 

Frankrijk echter, blijft mij boeien. De magie die ik er vroeger omheen hing is eraf, het is nu slechts een land dat ik mooi vind en waar ik mij thuis voel. Ik heb vanmiddag in kaart gebracht hoevaak ik hier op vakantie ben geweest en kwam op 24 keer. Ik heb hier meer dan een jaar van mijn leven doorgebracht en het land heeft een speciale betekenis voor mij. 

Kapitein Winters is er niet meer, ik lees over zijn leiderschap, zijn bescheidenheid, zijn vermogen om onder druk de juiste beslissing te nemen, en over zijn zorg voor zijn mannen die hem zonder uitzondering de beste gevechtscommandant vonden die ze ooit hadden gezien. Op dit moment barst het vuurwerk van quatorze Juillet los, dat schijnt ook iets met de Franse geschiedenis te maken te hebben. Het is waarschijnlijk lang geleden en er zijn geen gedupeerde nabestaanden dus het feest kan beginnen. Ik eer Dick Winters en Easy-Company vandaag. Ze vocht onder andere in Frankrijk en Nederland. In de oorlog maakte Winters zichzelf een belofte. Als hij zou overleven zou hij zich terugtrekken in een boerderij in Amerika en een rustig leven in vrede leiden. En zo geschiedde.  Hij heeft nooit een brief naar de Telegraaf geschreven. 

13 Juillet 2015

Le Thor-Vaucluse-Frankrijk.

We zijn voor twee weken neergestreken in de Vaucluse, Frankrijk. De heenreis heeft erg meegezeten. Een overnachting in Dijon, de volgende dag nog maar vier uurtjes rijden en we waren er al. De Tomtom omzeilde op briljante wijze een flinke file, iets dat wat mij betreft de krant mag halen. Waarom Fransen massaal in een file gaan staan terwijl  wij op een parallelweg vrij baan hadden, is mij een raadsel. De komende tijd worden hier uitsluitend maximumtemperaturen verwacht van ruim boven de dertig graden. De krekels voeren de boventoon maar krekelgeluiden storen in het geheel niet. Je kunt er zelfs prima bij wegdutten. De eerste nacht in een opgewarmde caravan heeft iedereen prima geslapen.

Verder heb ik de douche al gesloopt; dat wil zeggen, verder naar z’n grootje geholpen. Het ding hing slap als de plasser van een oude man op het naaktstrand en was met geen viagra te verleiden tot een ferme opstand. Ook niet met een kruiskopschroevendraaier trouwens. Ik draaide de schroef dol en rapporteerde een kapotte douche. Niet veel later verscheen een donkerverbrande, onverstaanbare Fransman gewapend met een waterpomptang ten tonele. Guillaume, zo moet hij geheten hebben. Maar als het euvel met een waterpomptang opgelost kon worden, had ik het zelf wel gedaan. Na een minuut kwam hij onverrichter zake weer naar buiten en mompelde wat. Op zijn campingmobiel scheurde hij weg om vijf minuten later terug te komen met een nieuw onderdeel. Ook weer gefikst. Het enige nadeel van deze camping lijkt het feit dat hij praktisch aan de voet van de Mont-Ventoux ligt. Eigenlijk ervaart alleen mijn vrouw dat als een nadeel. De zeer ervaren lezer weet waarom.

  
  

Klakkeloos gevolg

Gisterenavond op de radio waren Mart Smeets en Maarten van Rossem te gast in de studio over het onderwerp Tour de France in Utrecht. Mart Smeets is één van de weinige Nederlanders die bij elke van de zes tourstarts in Nederland is geweest, maar Maarten was minder enthousiast over het spektakel in zijn woonplaats, en hoe mooi ik de tour ook vind, ik kon het alleen maar hartgrondig met Maarten eens zijn. Want, zo vroeg hij zich af, waarom veranderde zijn stad in een krankzinnigeninrichting op deze dag van de tour? Dan kun je nog denken :” Nou ja Maarten, die mensen zijn gewoon enthousiast, dat mag toch wel?” Natuurlijk, maar Maarten begreep niet dat er geen rechtszaak werd aangespannen tegen het gemeentebestuur vanwege vrijheidsberoving van de inwoners van de gemeente Utrecht. Maarten wilde namelijk met zijn niet mobiele vrouw naar de verjaardag van zijn kleinkind in Haarlem, maar kon de stad niet uit met zijn auto. Ook reed er geen bus of taxi, dus hij klaagde over het feit dat het gemeentebestuur de taak had om te zorgen dat de burgers ongehinderd hun dagelijkse beslommeringen konden uitvoeren, en niet dat ze haar burgers van hun vrijheid moest beroven.

“Maar Maarten,” zei de presentator, “het is toch in elk geval een prima manier om Utrecht op de kaart te zetten? Utrecht is de hele wereld overgegaan, dat moet jou als Utrechter ook tevreden stemmen?” Grotere flauwekul had Maarten in zijn leven niet gehoord. Ten eerste was Utrecht een van de in economisch opzicht hardst groeiende steden en hoefde helemaal niet op de kaart gezet te worden, en ten tweede geloofde hij niet dat als mensen in Congo nu Utrecht gezien hadden, dat ze tegen elkaar zeiden: “Heb jij die toren gezien? Daar moeten we heen voor drie weken.”

Met een glimlach zat ik te luisteren. Ik vond het spektakel mooi, maar ik werd dan ook niet van mijn vrijheid beroofd. Ik heb me ook altijd verzet tegen Amerikanen die de dienst uitmaken buiten hun eigen landsgrenzen, bijvoorbeeld als de Amerikaanse president op bezoek komt, en in dit geval tegen de Fransen die de boel overnemen. Duitsers zul je zoiets nooit zien doen. Mensen als van Rossem maken mij blij. Niet vanwege hun gemopper, maar omdat ze tegen de stroom in zwemmen, en dus op plaatsen komen waar anderen niet komen. Klakkeloos volgen is een van de grootste gevaren waaraan de moderne mens wordt blootgesteld.

Schitterend.

Deze schitterende robijnrode topwijn heeft een fruitige geur met tonen van specerijen, zoethout, vanille en leer. Krachtig en vol van smaak met veel indrukken van rijp fruit zoals kersen, bramen en bessen met daarnaast kruiden, specerijen en duidelijke vanille tonen. De wijn heeft een perfecte balans met elegante tannines en een lange intense afdronk.”

Ongeveer zo werden gisteren in een restaurant de wijnen geserveerd. Daarna, volgt er een “alstublieft”, ten teken dat je mag proeven. Ik voel me altijd lichtelijk bezwaard als zo’n meisje haar verhaal staat te houden. Ik onthou niet wat ze zegt, dat interesseert me echt heel weinig, ik let uitsluitend op hoe ze het zegt. En daarna neem ik een slok en denk ik: gadverdamme! Of ik denk: gaat wel. Terwijl ik echt wel van wijn hou, maar gewoon van goedkope rode wijn zonder vreemde geuren en bijsmaken. Ik wil eenmaal geen Eucalyptus in mijn wijn. Zit het er toch in, dan kun je zo’n wijnaanbeveler en het gezelschap aan tafel eenvoudig de mond snoeren door te vragen: is dit Eucalyptus globulus of Eucalyptus odorata?

Dan moet het wel heel gek lopen wil de wijnkenner dat weten. In Frankrijk koop ik gewoon zo’n vijf liter jerrycan met een kraantje die je kunt ophangen en waar de wijn uit kiepert. Dat zal ze leren.

De erflaters

En zo ramden we er in drie weken tien afleveringen uit de serie Band of Brothers doorheen. Na de laatste aflevering bleef ik naar de televisie staren. De interviews met de echte hoofdrolspelers, oude mannen ten tijde van de opnames -eind jaren negentig- ongeveer 80 jaar oud en nu waarschijnlijk allemaal dood, maakten diepe indruk. Ze kwamen aan het begin van elke aflevering aan het woord, maar na de laatste werden hun namen in beeld gebracht en wist je wie de oude man was die zojuist gesproken had. Ze hebben elke gebeurtenis uit de serie meegemaakt. Mede dankzij hen leven wij nu in vrede, dat weten we allemaal wel en daar wil ik zeer zeker niks aan afdoen. Maar op één of andere manier wordt hun leven verfilmd, en het mijne niet. Zij waren niet uitbundig blij nadat het Duitse leger gecapituleerd had, want voor hen betekende het afscheid van hun intense leven en van hun broeders.

Door alle ellende die zij meemaakten, door hun gezamenlijke bloedvergieten werden zij broeders voor het leven. Als ze er over praatten, deden ze dat ontroerd, en ontroerd is intens. Hun levens waren intens door de oorlog, en onze levens zijn oppervlakkig door de vrede. Of ik dan soms wil dat het oorlog is? Nee geenszins. Net als de soldaten uit Band of Brothers dat niet wilden. Maar er viel niks te willen, ze moesten het ermee doen. Maar het vechten om de bezetter te verslaan, het speculeren over het einde van de oorlog, het bevrijden van steden en het optrekken met je makkers om een doel te bereiken, dat maakte het leven intens. Sommige nieuwe soldaten die er net bij kwamen, hadden nog geen actie meegemaakt en hoopten op een confrontatie met de Duitsers. Ze kwamen wel van een koude kermis thuis en waren daarna in één klap genezen, als ze het al overleefden. Ik kan me voorstellen dat als je onder vijandelijk mortiervuur waarbij veel van je kameraden omgekomen zijn, hebt gelegen, je intenser en respectvoller leeft.

En dat deed je dan allemaal voor jouw nazaten, de feestgeneratie die het bevrijde land intussen opnieuw heeft bezet, en van weekend naar weekend feest. Dan moet je toch het gevoel hebben dat ze je nalatenschap aan het verbrassen zijn. Je hoort de oude mannen er niet over. Zij zijn blij dat ze mochten dienen tussen hun heldenvrienden en ze zijn blij voor elke heldenvriend die het heeft overleefd. Zonder blij voor zichzelf te zijn en zonder zichzelf als held te zien.

Ollekebolleke

Nergens zag ik op sociale media, tenminste niet in de kringen waarin ik mij begeef, een melding over het overlijden van Drs P.
Doorgaans is er ook weinig dramatisch aan het overlijden van een vijfennegentigjarige, en zijn woordkunsten sloegen misschien niet bij het grote publiek aan, maar het verbaasde mij toch. En nu ga ik niet beweren dat ik zijn werk goed kende, maar zijn “De Veerpont” en en vooral “de Dodenrit” kon ik erg waarderen. Ik las wat over hem en kwam op de Ollekebolleke. Een dichtvorm die onbegrijpelijk lijkt als je leest wat erover wordt uitgelegd. Dubbele Dactylus, metrum, pointe, puntdicht. Het zal allemaal wel. Maar als je tot je door laat dringen wat er gebeurt dan zit ineens dat ritme in je hoofd. Het ritme waarmee het wordt uitgesproken is bijna hetzelfde als het kinderversje Olleke Bolleke. Alleen doe je niet: Olleke bolleke Rubisolleke Olleke bolleke Knol! Nee, je doet: Olleke Bolleke, Knolleke solleke, Olleke Bolleke, Bolleke Knol! Net iets anders.
Verder moet er op de zesde regel een zes-let-ter-gre-pen-woord komen te staan met de klemtoon op de vierde lettergreep. Lijkt misschien lastig, en dat is het ook, maar ram dat ritme in je hoofd en je hoort het vanzelf. Voor het ritme maakt het niet uit of het een woord is dat uit zes lettergrepen bestaat of juist uit twee van drie, maar in de Ollekebolleke is dat verplicht. Ik heb de regels niet verzonnen. Er zijn nog meer regels aan de Ollekebolleke, maar daar vermoei ik u verder niet mee.

Ik ging gisteren aan de slag en kwam er niet uit. En vandaag zie ik dat Drs P zijn eigen rouwadvertentie vanuit het hiernamaals heeft geregisseerd. Ik weet dat het woord briljant tegenwoordig te pas en te onpas wordt gebruikt, maar hier is een briljant op zijn plaats. Als volgt:
rouwadvertentie Drs. P
Mijn eerste Ollekebolleke ooit is een betuiging van eer aan deze actie. De Limerick is er kinderspel bij.

Lastige uitdaging
dusdanig te rijmen
op zo’n manier dat een
versje ontstaat

de doctorandus had
Ontegenzeggelijk
uit het hiernamaals een
topper paraat.

In de ban van de slang

Sinds ik ruim een jaar geleden ineens een gladde slang voor mijn voeten zag kruipen, ben ik wat in de ban van de slang geraakt. Ik denk niet dat ze echt zeldzaam zijn, maar ze laten zich niet snel zien. In Nederland komen vier verschillende soorten slangen in het wild voor. De gladde slang, de ringslang, de adder en de hazelworm, al is die laatste technisch gezien meer en hagedis dan een slang. De gladde slang is de meest bedreigde soort in Nederland, maar die zie ik dus het vaakst, als we de hazelworm niet meetellen. Vanochtend zag ik er nog eentje, al was die dood.

Vanmiddag fietste ik met mijn dochter en zag achter een hek een typisch vennetje waarvan ik dacht: dit is een slangenparadijs. We parkeerden onze fietsen en stapten over het hek. Terwijl ik het vennetje naderde, sprongen de kikkers van alle kanten de plomp in. Waar kikkers zijn, zijn slangen had ik wel eens gelezen. Pas geleden las ik in de krant dat je hazelwormen onder stukken hout kon vinden, maar dat je wel heel veel hout moest omdraaien wilde je er eentje vinden. Nou nee hoor, het eerste stuk hout wat ik omdraaide bleek onderdak te bieden aan een opgekrulde hazelworm die lag te slapen. Waardeloze krant.

hazelwormIk pakte het beest snel op en liet het aan mijn dochter zien. Die wilde het ook wel vasthouden, alleen was ik bang dat ze het slangetje zou laten vallen dus deden we dat maar niet. De paniek zou ineens kunnen toeslaan en dan vliegt een onschuldig beest ineens meters door de lucht.

Ringslang Toen was het mijn dochter die een groot stuk hout vond. Ik zei dat we daar al onder hadden gekeken, maar volgens haar niet, dus ze rolde het aan de kant. Een dikke zwarte ringslang lag opgerold te slapen en wij stoorden hem daarbij. Het beest had net gegeten kon ik zien aan de verdikking in het midden van zijn lichaam. Het beest realiseerde zich sneller dan dat ik mijn telefoon kon pakken dat het weg moest wezen, maar als een echte Steve Irwin pakte het één meter lange beest bij zijn staart en trok hem terug voor een foto. Een keer of vier moest ik hem pakken voordat ik zeker was dat ik hem op de foto had. Ik wist ook niet zeker of hij me zou bijten, maar dat schijnen ze niet te doen, ook niet als ze gevangen worden. Nou ja, hij staat erop, daarna mocht hij vluchten.

Nu is het alleen de adder nog die ik een keer op de foto moet zien te krijgen. Maar ook die schijnt hier voor te komen, al heb ik hem nooit gezien. Maar zodra ik hem zie, hoort u het.

Dingdom

Ik liet de hond uit en hoorde een ouderwetse dingdom. Een dingdom die ik al lang niet meer had gehoord. Ineens zat ik met mijn herinnering in de achtertuin van mijn opa en oma, op de IJsselsteinlaan in Utrecht. In het schuurtje stond een oude herenfiets met zo’n grote dingdom. Ik was er jaloers op want ik had slechts een “tringtring”. Mocht geen naam hebben. Hun achtertuin zal niet groter geweest zijn dan de achtertuin die ik nu heb, maar voor een kind is die kolossaal. Een terras, een pad naar de schuur, daarnaast een stukje gras met in het midden een boom met donkerrode bladeren, en van de schuur liep er een tegelpad naar de poort, die weer uitkwam op een soort brandgang. Je moet er geweest zijn, anders kom je er natuurlijk nooit. Met die “dingdom” werd onmiddellijk een statische herinnering met meerdere aspecten opgeroepen. Ten eerste hoe de tuin eruit zag maar ook welk weerbeeld bij die dingdom hoorde. Herfstig weer, maar niet regenachtig of winderig. Wel vochtig en fris. Wonderlijk eigenlijk hoe zo’n associatie werkt. En de snelheid waarmee je ineens ergens anders bent. Dat geuren het konden heb ik al meerdere malen ervaren, maar dat geluiden het ook doen weet ik mij zo een, twee, drie niet te herinneren. Waarschijnlijk zitten er nog duizenden latente herinneringen in mijn hoofd die wachten op een signaal dat ze mogen aantreden. Ik hoef mij voorlopig niet te vervelen.

Het ziet er zo makkelijk uit.

Ik was bepaald niet slecht met voetbal vroeger. Ik scoorde in mijn eerste wedstrijd drie keer, zoals grote voetballers dat ook doen. Nooit heb ik ervaren dat het spel moeilijk is. Door omstandigheden heb ik er maar twee jaar opgezeten, van mijn 10e tot mijn 12e ongeveer. Linksbuiten was mijn positie, terwijl ik rechts ben, maar waarschijnlijk zag de trainer in dat de rest het er op die positie helemaal niet vanaf zou brengen. Ik werd de topschutter in een kampioenselftal, al hebben we het hier slechts over de D-tjes. Ik grap wel eens dat als die omstandigheden er niet waren geweest en ik op voetbal was blijven zitten, ik misschien meegespeeld zou hebben in de finale op 25 juni 1988 tegen Rusland. Maar waarschijnlijk niet.

Vrijdagmiddag moest ik een conference call met een paar Amerikanen verlaten omdat ik mijn kinderen had beloofd dat ik mee zou spelen in het ouder-kind toernooi. En wat je belooft moet je doen, ook in dit soort situaties. De Amerikanen mogen ons dan mede bevrijd hebben, de loyaliteit houdt een keer op. Mijn eerste wedstrijd was tegen Tammar en nog 30 kinderen van haar leeftijd, die ons volwassenen volledig klem zetten elke keer als wij de bal hadden. Bovendien kon je geen beweging maken of je schoffelde een kind onderuit, wat mij een keer op een vrije trap tegen kwam te staan wegens een overtreding op mijn eigen dochter. Omdat remise dreigde, riep de trainer Hans, die langs de kant stond om de F-jes te helpen, te hulp. Toen hij de bal kreeg voelde ik iets van trots, er dreigde ineens gevaar. De kleintjes wonnen met 1-0, en ik lieg als ik zeg dat wij ons best niet deden, op het eind.

Door schade en schande wijs geworden gooiden we het tegen het team van Hans over een andere boeg. Vol erin, vanaf de eerste minuut. Ik stond weer op mijn linksbuitenpositie en maakte een rush langs de linkerkant van het veld. Toen moest die bal met links worden voorgegeven en dat ziet er op tv een stuk makkelijker uit dan het is. Tijdens de sprint, wat al lastig is als je alleen op kantoor traint, voelde ik al dat ik nooit een krachtige voorzet zou kunnen geven en vroeg me af wat ik moest doen. Een lullig schuivertje dan maar, leek nergens op. Zag er ook niet uit, dat weet ik zeker. Alles aan voetbal is moeilijker dan je denkt, springen, koppen, aannemen, passen, ook mijn lobje over de keeper verdween naast het doel. Toch maakte ik de 1-0. De ouders wonnen met 7-3. Gelijk het laatste jaar dat we nog van ze kunnen winnen.

Nu heb ik spierpijn. Maar mijn rug, waardoor ik vorig jaar niet mee durfde te doen, gaf geen krimp. Het is een wonder.

Waakhonden

Elke ochtend net na dag en dauw laat ik de hond uit. Een grote ronde van ruim een half uur door het buitengebied van Vaassen. Even na halverwege komen wij, hond en ik, langs een buitenhuis waar twee honden in een grote kooi zitten. Een St. Bernard die Senna heet aan het opschrift boven zijn hok af te lezen en een klein wit keeshondje, dat waarschijnlijk Kees heet. Ze bewaken de boel dat het een lieve lust is. Het Keeshondje springt minimaal drie keer zijn eigen schofthoogte, daarbij vervaarlijk zijn tanden ontblotend, en dat in een freqentie van één keer per twee seconden. De grote Bernard die waarschijnlijk Senna heet in plaats van Bernard, blaft ook om het geblaf van de kleine kracht bij te zetten. Hij springt niet, kijkt slechts boos en blaft. Zo gaat het elke ochtend en ze houden dit vol tot ik zeker vijftig meter verder ben.

Vanochtend was ik tien minuten later dan normaal en de honden hadden eten gekregen. Beiden stonden ze uit hun bak te schrokken. De kleine blafte nog een keer met volle bek, maar deed geen springpogingen. De grote keek even op, maar at door. Wij liepen langs zonder dat het territorium verdedigd werd. Bewaken is prima, maar niet tijdens de lunchpauze.