Ik heb nu twee seizoenen van Wie is de Mol gevolgd. Nou ja, gevolgd, ik hing er wat bij. In het eerste seizoen moest ik wat inkomen, maar in het tweede seizoen wist ik gelijk vanaf aflevering één wie de Mol was. De aanwijzingen werden steeds duidelijker, en ik zag de Mol zichzelf steeds verraden. Waar ik bij alle anderen echte emoties zag, zag ik bij de Mol duidelijk gespeelde opluchting. Ze vonden me wat arrogant, maar ik ben Mack, ik ben de beste.
De finale keek ik niet, want PSV speelde, en bovendien, ik wist toch al wie de Mol was. Totdat het ineens niet mijn Nielson bleek te zijn, maar Merel. Ik had er faliekant naast gezeten. Vanaf dat moment besloot ik niet meer mee te doen aan het raden wie de Mol is, want dat kan ik dus niet. Maar wat het mij wel pijnlijk duidelijk maakte, ik vertrouwde vrouwen kennelijk blindelings, maar mannen niet. Het was in mijn wereld kennelijk niet mogelijk dat een vrouw de boel liep te belazeren. Hun emoties zijn echt, die van mannen zijn gespeeld. Alles wat mannen doen is slechts om indruk te maken op de andere sekse. Dansen bijvoorbeeld, geen man doet dat voor zijn lol. Een Ferrari rijden doe je eveneens niet voor je lol met zo’n keiharde vering, dat gejank en een lage instap. Welnee. Indruk maken op de vrouwtjes.
Kortom, ik ben een illusie armer. Voortaan kan ik ook belazerd worden door vrouwen. Of toch niet? Kon Merel dit alleen omdat het een spel was? Mijn manager is ook een vrouw. Ik vertrouw haar blindelings. Ik ga het maar niet veranderen. Met nieuw verworven kennis schiet je ook niks op.
Wendy van Dijk, dat vind ik nu echt een aantrekkelijke vrouw. Haar glimlach doet mij smelten. Ik zou zo alles voor haar opgeven als ik recht in haar armen mocht lopen. Het is mijn reptielenbrein dat mij deze verwerpelijke gedachte ingeeft. Haar lieve stem, die mooie ogen, betoverend is ze gewoon. Onweerstaanbaar.