Misschien hebben jullie ook het programma “Chansons” gezien. Een programma over het Franse Chanson, gepresenteerd door Matthijs van Nieuwkerk en Rob Kemps, die van de Snollebollekes. Nu heb ik zelden zoiets ergs als de Snollebollekes gezien, maar door het programma “De Slimste Mens” wist ik al dat Rob Kemps zelfspot had, en door het winnen ervan wist ik ook al dat hij anders was dan zijn collega´s van het programma “De biele zangers.”
Rob Kemps wist werkelijk alles over Parijs en het Franse chanson. Kon zelfs de teksten meezingen. Zijn gepassioneerde manier van praten en zijn chemie met Matthijs deden de rest. Ik ben zelf ook wel gek op het Franse chanson, en ken er ook behoorlijk wat, maar in feite is een chanson niks anders dan een liedje in het Frans. Wel een liedje waar de zanger(es) enigszins zijn best in heeft gedaan om een gevoel over te brengen, of dat nu liefde, vrolijkheid of melancholie is.
Kemps en Van Nieuwkerk bezochten plekken waar chansonniers gewoond hebben, interviewden er een paar, bezochten hun laatste rustplaats. (Père-Lachaise) Kemps heeft een aantal maanden in Parijs gewoond, alleen met de bedoeling om meer te weten te komen over het chanson en Parijs. Ik vond het een mooie serie met af en toe een ergernis.
Wat me brengt naar wat ik eigenlijk wilde zeggen, wij hebben in Nederland natuurlijk onze eigen chansonniers. Ze zingen alleen Nederlands, maar dat is het enige verschil. Ik noem een Rob de Nijs, een Frank Boeijen, een Connie Vandenbos, een Henk Wijngaard en de grote meester Benny Neyman. Laatst was ik op bezoek bij een buurman, die mij vertelde dat vóór dat hij er woonde, zijn huis bewoond werd door Ronnie Tober. Dat ik dat toch mocht meemaken. Ik stond in de huiskamer waar de grote Ronnie Tober had gewoond. Eerbiedig boog ik mijn hoofd.