Ik ging gisteren op bezoek bij mijn oma, 94 inmiddels, en voor mij was het de eerste keer sinds ze in een woonzorgcentrum woont. Ze is daar terecht gekomen na een ziekenhuisopname. Haar korte termijn geheugen is niet meer goed, haar lange termijn geheugen nog uitstekend. Ze heeft zich altijd verzet tegen uithuisplaatsing, maar haar dochter -mijn gekke tante Vera- die veel goede praktische dingen regelt, heeft haar hier naartoe verhuisd.
Kwaad en verdrietig was mijn oma dan ook, toen ze uit het ziekenhuis naar haar nieuwe woning werd gebracht. Toch begint ze te wennen. Zelf zegt ze -vijf keer in vijf minuten- dat ze niet mag klagen, dat ze goed voor haar zorgen, maar dat het niet haar leven is. Heel oud zijn wil niemand, maar vrijwel iedereen doet zijn best om het toch te worden.
Goed, ik belde aan, een stem vroeg voor wie ik kwam, ik noemde mijn oma’s naam en er werd gezegd dat ze in de zaal zat en dat ik binnen kon komen. Ik liep naar de zaal, waar net iets met muziek werd gedaan en ik stond oog in oog met 50 nieuwsgierige bejaarden. De klassieke muziek klonk hard, en allemaal staarden ze mij aan. Een begeleidster vroeg door de microfoon voor wie ik kwam en ik zei dat ik voor mijn oma kwam. Ik zocht haar maar zag haar niet. “Ha Maurice, ha jochie,” riep ze. (Ik heet Mack dus ik weet ook niet waarom ze me Maurice noemde. Zal wel met haar geheugen te maken hebben.) Ik liep naar haar toe en kuste haar. Ik voelde jaloerse blikken van bejaarde vrouwen in mijn rug. Eentje vroeg of ik soms ook koffie wilde, maar daar wilde mijn oma niks van weten, die wilde zo snel mogelijk met mij de zaal uit, naar haar kamer. Dat lag niet aan de medebewoners, maar dat effect heb ik nu eenmaal op bejaarde vrouwen. De mevrouw met de microfoon vond het nodig om mij nog even “jochie” te noemen. “Mijn kleinzoon,” riep mijn oma.
Ik vond dit bejaardenhuis niet slecht. Mijn verwachtingen waren niet goed. Maar het personeel was vriendelijk, het zag er netjes uit en oma had een mooie kamer. Met flatscreen televisie, dat hebben wij zelf nog niet eens. Maar het meest was ik eigenlijk verrast doordat ik haar in vrolijke gemoedstoestand aantrof. Langzaam verandert mijn kijk op bejaardenhuizen. Gelukkig maar. Waarschijnlijk sta ik zelf later te popelen.