Een doekje voor het bloeden

Lacanau, Samedi le 19 Juillet 2014,

Jaren geleden schreef ik een logje waarin ik uitlegde waarom ik altijd een schone zakdoek bij me heb. Het was voor het geval ik een huilende prinses tegen zou komen, dan zou ik haar mijn zakdoek kunnen aanbieden. Vanavond was het zover. Ik liep met Tammar over de camping toen ze ineens struikelde en op haar knieën viel. Ze huilde maar ze bloedde ook. Dichterbij een prinses dan dit zou ik niet komen. Ik pakte mijn zakdoek en hield die tegen haar geschaafde knietje. Het hielp. Het bloeden stopte en ik begreep ineens waarom ik altijd die zakdoek bij me had gedragen. Voor mijn eigen prinses, al kon ik dat toen nog niet weten.

Lalala

Het is weer zover. In een vergeefse poging van Vaassen een swingende metropool te maken is het weer woensdagavond braderieavond. Prima, dat moet Vaassen zelf weten. Maar de band die tot na twaalven hun kunstje blijft doen is bijna niet te harden, zo hard komt het hier binnen. Vooral omdat ik weet, zonder dat ik het kan zien, hoe troosteloos het eruit ziet als je erbij bent. De zanger zweept een niet aanwezige menigte op in een poging hen mee te laten brullen. Maar in Vaassen lopen we niet blindelings elke gek na te schreeuwen. Uiteindelijk gaat precies één net iets te middelbaar, geïmporteerd en aan hun derde relatie bezig zijnd stel voor het podium een dansje aan om te laten zien hoe werelds en gelukkig het wel niet is.

Raam dicht doen is geen optie, want dan ben je over een uur uitgebroed. Maar als je net iets probeert te schrijven, het is tenslotte bijna vakantie, dan wordt je dat haast onmogelijk gemaakt door klanken waarvan je je afvraagt wiens brein zo beschadigd is dat hij het voor elkaar kreeg ze precies in die volgorde achter elkaar te zetten.

Vanmiddag waren hier gemeentemannen aan het werk met elektrische heggenscharen. Dat was natuurlijk herrie, maar goed, dat moet gebeuren. Hoor ik ineens keiharde wintersport muziek uit hun richting komen. Ik stond al klaar om mijn skistokken van zolder te halen en ze daarmee tegen de grond te hengsten toen ik op de melodie zingende kinderstemmen hoorde. Ik begreep ineens dat de muziek niet van de gemeentemannen kwam, maar van de school hier 100 meter verderop die waarschijnlijk vierde dat het de laatste dag voor de vakantie was. Met zulke wetenschap wordt het ineens een stuk draaglijker, blije kinderen, laatste schooldag, die vinden het leuk om op hoempapamuziek mee te zingen. Maar zonder die wetenschap wekt de muziek een enorme agressie op.

Put your hands up in the aaaaiiirrr, roept de zanger nu. Om vervolgens iets van Hannie en de rekels in te zetten.

Wir mussen weiter.

Ik ga het proberen achter me te laten, het verlies van de halve finale tegen Argentinië. Maar mijn gifbeker moest eerst nog leeg want de Duitsers wonnen de finale op Duitse wijze met een doelpunt in de slotminuten. Denk niet dat ik een grapje maak als het over WK finales en Duitsland gaat. Vanochtend sloeg ik de krant open en ik kon hem wel aan stukken scheuren. Een artikel over waarom Duitsland overal het beste in is. Auto’s, politiek, voetbal, intelligentie, vriendelijkheid, ik moest het lezen maar de tranen sprongen zowat in mijn ogen. Ik haat ze, ik haat ze, ik ga er nooit meer heen, dat dacht ik. Ik ben zo afgunstig dat het niet mooi meer is. Ik zei nog tegen Linda, dat ik op Facebook had willen zetten dat er nog een kans was dat het vliegtuig neer zou storten, maar dat zou te ver gaan. Dat vind ik zelfs. Hooguit dan die vervloekte Mario Götze die eruit ziet alsof hij een hooggeplaatste vader heeft. Het meest pijn doet het me nog dat ik vrijwel alleen sta in mijn strijd, mijn buurmannen hadden gewoon een shirt van die Mannschaft aan. Daar zou je toen ik jong was nog op zijn minst voor worden kaalgeschoren. Hoe heeft het zover kunnen komen met dit land dat we in slaap gesust zijn, klaar om ingelijfd te worden door de grote Germaanse broer? Het moet de feestgeneratie van nu zijn, die vrede sluit met iedereen die een luidruchtig bierfeest organiseert.

De WK finales zijn niet zomaar wat. Ze maken deel uit van de geschiedenis en hebben gunstige invloeden op het welzijn van een land. WK finales zijn voor mij een “trip down to memory lane.” Vanaf 1974 weet ik ze allemaal nog, en elk WK brengt me een herinnering. Gisteren kwam ik er weer pijnlijk achter dat ik mijn vader mis. Hij had deze ellende voor mij kunnen relativeren. Als hij er nog zou zijn zou ik niet zo’n hang naar het verleden hebben. Dan zou ik een wat gezondere kijk op het WK hebben.

Ik zag het beeld van honderdduizenden Duitse supporters in Berlijn, wachtend op hun helden. Het vliegtuig met die Mannschaft vloog laag over de menigte, bij wijze van groet. Ik moest toegeven dat dat mooi was. Nee, niet mooi, het was prachtig. Wat zou ik graag voor Nederland gewild hebben wat Duitsland daar deed. Stel je voor, het vliegtuig met daarin Robben, Van Persie c.s vliegt over een oranje blije menigte omdat het ons e i n d e l i j k gelukt was. Ik zou het niet droog houden. Ik zou huilen van geluk. Ik ga nu weer vrede sluiten met de buren. Duitsland is geen onterechte winnaar. Und jetzt Schluss mit der Weltmeisterschaft, we gaan weer verder. Maar dat u even weet dat het me ernst was.

Weer niet!

Weer gaan we geen wereldkampioen worden in 2014. Ik weet niet beter dan dit. Het begon in 1974 en het duurt nu al 40 jaar dat we het net niet zijn. Op Facebook werd er wat lacherig gedaan door, hoe kan het anders, een paar vrouwen die het allemaal wat ver vonden gaan dat er collectief verdriet onder veel landgenoten heerst. Gisterenavond na de wedstrijd kon ik het redelijk relativeren, maar vanochtend drong het besef door dat we er weer heel dicht bij waren. Dit is geen kwestie van je er overheen zetten, dit moet verwerkt worden, zoals elk verdriet. Wie dat niet snapt beleeft niet de essentie van het WK: het is een strijd om de beste te zijn, en de winnaarsmentaliteit straalt uit over elke voetballiefhebber van het land. Het WK winnen is als twee extra zonuren per dag. Het volk wordt er gelukkiger van.

Het vertrouwen in Louis nam bovenmenselijke proporties aan, alsof hij krachten bezat die ons wereldkampioen konden maken. Immers, was het niet Louis die alles op de rit had? Die ons die meesterlijke keeperswissel met Tim Krul tegen Costa Rica gaf? En was er niet Robben die mij in elk geval deed twijfelen of hij inmiddels niet Marco van Basten voorbij was als op één na beste Nederlandse voetballer ooit? Het is belangrijk, de beste speler ter wereld leveren. Argentinië en Brazilië ruziën nog steeds of Péle nou beter was of Maradona. Terwijl het absoluut Cruijff is, maar dat snappen zij niet. Duitsers denken dat Beckenbauer de beste speler aller tijden was, maar op de Duitsers kom ik vast nog wel terug, straks.

Maradona was natuurlijk super, maar hoe lang duurde zijn glorietijd nu helemaal? En was hij nu zoveel beter dan Ronaldo Luis Nazarrio de Lima (dit doe ik uit mijn hoofd), ofwel de echte Ronaldo en niet die nepper uit Portugal? Dacht het niet. Péle was fantastisch maar een soort opgevoerde Gullit. Er waren Di Stefano en Eusebio, en ongetwijfeld hebben Engelsen en Italianen ook hun eigen versie van de beste speler ter wereld, maar in werkelijkheid was dat Cruijff. Cruijff speelde 20 jaar lang een buitenaards niveau en domineerde de voetbalvelden. Ondertussen onderwees hij het volk over voetbal en over allerlei andere zaken. In het veld was hij de leider en niet van zijn stuk te krijgen. Technisch begaafd, altijd op de plek waar hij moest zijn en net even sneller dan zijn tegenstander. Hij maakte wonderschone goals en coachte zijn medespelers naar de toppen van hun kunnen. Hij werd alleen geen wereldkampioen, maar dat gaat gewoon niet als Nederlander. Dat is zo opgeschreven in het script van de voetbalgoden.

Wij Nederlanders moeten lijden. Wij moeten lijdzaam toezien hoe wij vaak de favoriet zijn, maar iedereen weet eigenlijk al dat het op het laatst misgaat. Net als dat wij lijdzaam moeten toezien hoe onze oosterburen er regelmatig met de wereldbeker vandoor gaan, tot nu toe met afbraakvoetbal. Maar dat mag je niet zeggen want dan doe je ze tekort. Nu spelen ze immers mooi, en op de werkelijkheid van het verleden mag je niemand aanspreken. En zo kan iedereen wegkomen met zijn daden. Het zou allemaal nog niet zo erg zijn als Nederlanders tegenwoordig niet massaal meededen aan de Duitsland-verering. Want zij zijn zo’n hardwerkend volk en ze bouwen van die waardevaste auto’s. Ik niet, ik kan geen onwaarheden over ze horen. Ik wil een gezamenlijke vijand en dat moet Duitsland zijn. Want ze lachen ons uit achter onze rug, en vooral degenen die tegen ze opkijken. Het is niet anders dan de Argentijnen die de Brazilianen huilebalken en homo’s noemen, maar dan tenminste nog openlijk op tv zodat iedereen snapt hoe de verhoudingen liggen. Hier niet, de Duitsers voelen zich superieur en wij zijn Calimero. En zo is het natuurlijk ook. Als wij niet kijken, kijken ze op ons neer. En steeds meer Nederlanders vinden de Duitsers zulke nette mensen en Fransen zulke lomperiken. Want er is niks politiek incorrect aan om Frankrijk een mooi land te vinden alleen jammer dat er zoveel Fransen wonen, maar als je iets over Duitsland zegt dan zijn de rapen gaar. Want dan ben je een achterlijke die in het verleden is blijven hangen. M’n neus! Er heerst schandalig weinig anti-Duits sentiment in dit land!

Waar komt dit toch vandaan Mack? Ik heb geen idee, mijn ouders hebben mij niet opgestookt, ik heb dit zelf ontwikkeld. Maar vroeger was je een held als je een Duitser de verkeerde kant op stuurde, maar zoals met veel heldendaden: de wereld staat op zijn kop en daarom wordt geen man meer uitgelachen als die een half uur in de weer is met luchtjes en crèmpjes. Ik ben kennelijk overgevoelig voor overheersende mensen. Ooit was ik in Ibiza op vakantie en zat op een terras. Een paar Duitse jongens handelden volgens een goede landsgewoonte en hielden een razzia. Zodra ze iemand hadden gooiden ze hem met kleren aan in het zwembad. Dat vonden ze leuk. Ik vond het niet leuk maar ik bleef toch zitten. Toen ze bij me kwamen heb ik ze toegebeten dat ze heel snel moesten opsodemieteren. Eentje ging in bokshouding voor me staan maar toen ik opstond droop hij toch af toen hij mijn blik zag. In mijn ogen zag hij diepe, kille haat. Een andere keer hadden we thuis in het kader van een uitwisselingsproject op school een Duitser ingekwartierd zitten. Ik voerde met hem destijds (13 jaar) de discussie over de beste voetballer ter wereld. Beckenbauer, zei hij. Cruijff zei ik, maar die kende hij niet. En dat is het hè, geen enkel respect voor grootheden uit een ander land. Bah.

En zij, zij die beter zijn dan wij omdat dat in hun genen zit, gaan er zondag weer vandoor met de wereldtitel. Wij gaan weer vernederd worden deze zomer. Terwijl ik had gehoopt nu eindelijk eens als een Duitser rond te mogen lopen op een camping omdat wij eindelijk de wereldkampioen waren geworden. Dat wij ook een ster op ons shirt zouden hebben. Dat we bij de beste landen ter wereld zouden horen. Maar nee, we blijven Calimero. Omdat ik niet tegen die vernederingen van de oosterburen kan ben ik voor Argentinië. Ik hoop op een 8-1 voor Argentinië die nog jaren doordreunt in hun schuilkelders. Maar ja, ook daar zullen ze wel weer snel overheen stappen en doen alsof het nooit gebeurd is. Op mijn werk maken ze wel eens zorgen om me. Of ik niet te veel doorsla in mijn anti-Duitse sentimenten. Welnee. In Brazilië en Argentinië zijn de mensen nog 10 keer erger. En u moet het zo zien, ik hef ook vaak mijn middelvinger in het verkeer, maar die komt dan nooit boven het dashboard uit. Zo is het met mijn anti Duitse gevoelens ook. Geen Duitser zal ooit iets aan me merken, zoals ik niet merk dat hij mij achter mijn rug om uitlacht. Duits shirt

Trechter

Het WK, dat hakt erin. Het is ééns in de vier jaar dus dan moet je het ook volgen, althans dat vind ik. EK vind ik niet erg interessant, het is het WK wat telt. De wedstrijden lopen veelal uit tot half één ’s nachts, en als het mij al gelukt is om wakker te blijven komt er daarna geen logje meer uit mijn hersenen. Want daar komen ze vandaan, uit de hersenen. Tien jaar geleden zat ik nog vol verhalen, ik was zelfs wel creatief te noemen. En nu lukt het niet erg. Ze zitten er nog hoor, die verhalen, maar ze komen er niet uit. Tenminste niet makkelijk. Het is een teken dat het goed gaat met me, of niet, dat is maar net van welke kant je het bekijkt.

In tien jaar is er veel veranderd. Maar voornamelijk ben ik van 34 naar 44 gegaan. Dat is mooi natuurlijk, maar ik word er niet knapper op. Zat ik op mijn 34e nog vol met hormonen, die lijken nu een stille dood gestorven. En toch voel ik mij nog precies dezelfde als tien jaar terug, alleen geestelijk verder. Maar als ik foto’s zie dan valt mij toch voornamelijk op dat ik grijs aan het worden ben. Ik, grijs. Een paar jaar geleden zat ik nog op de kleuterschool. Ik kreeg via Facebook een foto te zien van mijn kleuterklas, 1973 schat ik. Ik sta erop en ik ben jonger dan mijn dochter nu is. Ik heb wel een aangeboren hang naar het verleden. Zo’n foto roept niet alleen herinneringen op, ik word meegevoerd naar die tijd en ik ben een poosje weg. Gevoelens van toen komen terug, gevoelens van een onbezorgde tijd toen alles nog klopte en de wereld overzichtelijk was. Je herkent klasgenootjes en je herinnert je de dingen waardoor je ze herinnert.
kleuterschool Ik sta erop, precies boven de juffrouw, ik was wit van haar, en ik kijk zoals de meeste kinderen blij. Zelfs ik met mijn ijzersterke geheugen voor mijn eigen jeugd kan niet alle namen meer noemen. Maar naast mij staat Hans, en daarnaast Karin, op wie ik nog tien jaar lang verliefd zou blijven. Ik zie Lucien die een vingerkootje verloor, ik zie Tilly, die wel eens flauwviel, Lex die voor een kleuter belachelijk goed kon tekenen, Bianca, wiens moeder mij wel een leuk jochie vond, Petra die altijd stil was, Eric, Marlies en Roel. Het lukt mij daadwerkelijk terug te keren in dat klasgebouw rechts op de foto waar juffrouw Trees ons liet tekenen of met kralen spelen.

Het gaat goed met me maar ik vind wel dat de tijd misdadig hard voorbij vliegt, zeker als ik met jeugdfoto’s wordt geconfronteerd. En ik lachte altijd op foto’s, nu sta ik vooral voor lul op foto’s. Maar goed, het is niet anders. Als je oud bent doe je ook iets goed, anders was je niet zo oud geworden. En natuurlijk, ik ben niet echt oud, maar ik hoor wel bij de ouderen op mijn werk. Ik ben wel blij dat u gewoon met mij mee veroudert, en dat ik niet de enige ben, dat maakt het dragelijk. En eens komt het einde, daar is niets dramatisch aan, zei Seth Gaaikema onlangs. Hij zal het wel weten, maar als ik kon keerde ik terug naar 1973, naar Drunen in de zomer, waar ik het geluk had te wonen en een fijne jeugd te hebben. Dat is het ellendige van een fijne jeugd, dat het nog heel lang later is en dat je maar wat aanmoddert. Ik moet er echt weer even uitgetrokken worden uit die klas, terug naar 2014, waar het ook best oké is. Maar in 1973 zat je boven in de trechter en had je nog geen idee waar het heen ging, terwijl ik al heel dicht bij het tuitje lijk te zitten en je eigenlijk geen kant meer op kan behalve de ingeslagen weg.
trechter

De plaaggeest van Stroe

Tussen Stroe en Barneveld staat altijd file. Niet dat de file ooit genoemd wordt, maar hij staat er altijd. Kan net voor Stroe zijn, of net erna, maar door mysterieuze oorzaak staat hij er. Ik krijg de laatste tijd de neiging om uit te stappen, naar de voorste te lopen, een schop tegen zijn auto te geven en te schreeuwen: DOORRIJDEN!! De file duurt maar twee minuten en ineens rijdt het weer. Onverklaarbaar. Er is daar niks dat een file kan veroorzaken, dus moet het een plaaggeest zijn die daar expres elke dag dat ik daar rijd even stil gaat staan op de snelweg. Gisteren had er nog iemand een plank verloren dus de file werd extra lang. Niet dat radio 1 mij informeerde over de file, welnee….Bij Amsterdam stonden drie auto’s in de rij, dus dat moest eerst genoemd worden.

Vanochtend. Op de radio. File bij Barneveld, een brand op een vuilnishoop zorgt voor langzaamrijdend en stilstaand verkeer op de A1. Ik denk, weet je wat, ik ga die file niet ontlopen want dan kan ik de brand zien. Ik heb geen brand gezien, wel wat rook, maar een file, nee, die was er niet. Dus het is niet alleen de plaaggeest van Stroe die mij dwars zit, de radio doet er nog een schepje boven op door mij valse informatie te geven. Het wordt tijd voor een bom- of poederbrief.

Voor wie zich alleen voelt

Ik was een paar dagen in Parijs voor mijn werk. Geweldig mooie stad. Ik krijg soms de indruk van jongeren dat Parijs een beetje uit is en Barcelona en Milaan zijn in, maar Barcelona valt in het niet vergeleken bij Parijs als je het mij vraagt. Alleen al in de taxi zitten is een ervaring. De taxichauffeurs keken live voetbal in de auto, hetzij op hun mobiel hetzij op het schermpje van de navigatie. Op de rotonde bij de Arc weet je niet wat je ziet. Er rijden 8 rijen auto’s naast elkaar, er zijn alleen geen banen. Iedereen krioelt door elkaar en meestal gaat het goed. De taxi waarin ik zat werd nog aangereden wat uiteraard in een verontwaardigd “merde” eindigde. De Française die ons aanreed bezat een bijzondere gave. Zij wist dat de deuk in de taxi er al zat en dat die niet door haar kwam.

Toen ik weer naar huis ging bracht ik een collega naar CDG vliegveld en reed Parijs uit via een buitenwijk en een bos. Mijn collega wees mij op de plastic zakken die her en der aan de bomen hingen en hij vroeg of ik wist wat dat betekende. Ik wist het niet. “It means that if you go in the forest there, there is a prostitute waiting for you.” Ik keek hem ongelovig aan maar hij zei dat het serieus was. Ik keek bij de volgende zak wat beter en inderdaad, iets dieper het bos in zat ze op een klapstoel te wachten. They are even here in the winter. Ik was echt verbaasd en vroeg hem hoe hij dit wist. Ik kom tenslotte al mijn hele leven in Frankrijk en wist nergens van. Zijn antwoord beantwoordde mijn vraag niet. Deze wetenschap had iets spannends en iets troostends. Een plastic zak aan een boom in het bos, it means that a prostitute is waiting for you there.

Drumster

Op deze gedenkwaardige WK voetbalavond waarop Nederland onverwachts met 5-1 won van Spanje, dit voor het archief, wil ik het even niet over voetballen hebben. Voor het eerst in mijn historie heb ik de Avondvierdaagse gelopen. 5 km per avond, maar toch. Sinds ik niet meer rook voel ik mij lichamelijk sterker. En zeker in combinatie met een bijna overwonnen hernia. Ik liep samen met de kinderen, vier avonden lang en ik vond het nog leuk ook. Ik ken inmiddels veel mensen hier in Vaasen dus ik had wat te kletsen in de lange stoet. Het enige was dat ik vier dagen vroeg van mijn werk naar huis moest om op tijd te zijn, maar ach. Volgende week Parijs drie dagen, ook leuk. Maar hier wil ik het ook allemaal niet over hebben.

Het gaat even om de fanfare. Nooit eerder liep ik achter de muziek aan. Altijd stond ik als toeschouwer langs de kant maar nu liep de fanfare voor mij en achter mij liep een dweilorkest. En wat het is weet ik niet, maar ik hou van de roffel van de trommelaars. Tijdens het opwarmen tikken ze al zachtjes op hun trommel, wat al spannend klinkt, maar tijdens de optocht gaan ze los. Ik geloof dat ik de fanfare wel mooi vind. Maar een speciale plek in de fanfare nam toch wel de kleine donkere trommelaarster in. Vorig jaar viel ze me ook al op en heb ik haar even kort aangehaald op dit weblog. Maar nu was ze er weer. Aan de finish stond de stoet stil maar de muziek ging door zodat wij lopers er langs konden. Zij stond exact als vorig jaar weg van de andere drummers tussen de blazers. Er is iets aparts aan haar drummen. Het is net alsof ze te laat is, of de timing niet goed is, maar dat is het niet. Ze laat gewoon de blazers niet ontsnappen. Ze haalt de blazers terug met haar op de maat slaan. Ze slaat hard en vastberaden en laat de blazers weten dat zij het is die de maat aangeeft en niet zij. Ze gunt de blazers geen solo, er wordt geen noot geblazen zonder dat zij er op los hakt. Dat is wat ze betekent.

Ik liep langs haar en keek haar aan. Ze heeft geen idee dat ik haar bewonder. Ze keek terug en wel zo lang dat ik wegkeek omdat ik bang was dat ze de maat niet zou houden. Maar ik leidde haar niet af. Ze drumde gewoon door op de automatische piloot. Het was prachtig. Ik had geen idee wat de fanfare speelde omdat ik in de ban was van de drumster. Onderschat nooit de kracht van een drumster in een fanfare.
drumster

Kismet

Gisterenavond, een prachtige zomeravond, liet ik de hond uit op de hei. Ik liep vrijwel alleen toen mijn aandacht ineens werd getrokken door een wegspringend konijn. Ik bleef even staan, Randi had niks in de gaten en ik keek of ik zag waar het beest gebleven was. Ineens viel mijn oog op een dood slangetje. Ik pakte het op want ik ben een soort van Steve Irwin, maar dan met dode, ongevaarlijke slangen, en constateerde met mijn kennis van de biologie dat het een hazelworm moest zijn. Geen echte slang dus, maar een hagedis zonder poten.
Ik vertelde het vanochtend tijdens het ontbijt aan de kinderen die mij enigszins wantrouwend aankeken. Ze wisten niet dat er slangen in Nederland voorkwamen. Hans wilde weten of de slang ook giftig was maar dat kon ik ontkrachten. Ik zei dat er wel adders in Nederland voorkwamen, maar dat ik die in 44 jaar nog nooit had gezien.

Even later liep ik weer op de hei met Randi, ditmaal was het ietsjes drukker maar nog steeds was er weinig volk. Ik liep naar de grond te kijken of ik nog een hazelworm kon spotten. Ik was alweer op de terugweg toen ineens vlak voor mij een echte slang het pad overstak. Een slang van een halve meter, bruin, zijn slangentong snel naar buiten bewegend. Het beest ging door een plas water naar de overkant en ik volgde hem. Aan zijn ruitvormige kop meende ik op te maken dat het een adder was. Maar ik twijfel nu toch omdat het ook een gladde slang geweest kon zijn. Ik tikte het beest even aan maar het reageerde niet. Adders nemen vaak de verdedigende houding aan. Ik moet het denk ik toch maar op een gladde slang houden, die minder spectaculair is, maar nog zeldzamer. Hoe dan ook, een gladde slang had ik ook nooit gezien. Het beest verschool zich onder de hei en ik liep weer verder.

Teruglopend bedacht ik me hoe groot dit toeval was. Ik heb daar vaak met mijn twee vorige honden gelopen en nog nooit zag ik een slang. En net op de dag dat ik aan de ontbijttafel zit te vertellen dat ik nooit een adder gezien had, en ik de hele weg op slangen zit te letten, zie ik een slang waarvan ik toen nog in de veronderstelling was dat het een adder was. Terwijl ik in Nederland, op wat hazelwormen na, nog nooit een slang in het wild gezien had. Het toeval was in elk geval zo groot dat ik het gevoel kreeg dat ik twijfelde aan het toeval. Met een glimlach liep ik terug naar de auto.

versje van mijn oma (1917-2013)

De adder is een gevaarlijke slang
hij wordt slechts een halve meter lang
al valt hij zelden mensen aan
toch moet je nooit met blote voeten door de heide gaan.

Gameverslaving.

Ik ging iets te laat naar bed gisteren. Kwart over één, gameverslaving. Ik wist het niet hoor, dat ik game verslaafd was, al was er vorig jaar al een duidelijke aanwijzing toen ik Wordfeud op mijn telefoon had. Ik kon het niet wegleggen. Als er denksport beoefend moet worden ben ik van de partij. Twee weken lang gaf ik me er aan over totdat ik in de gaten had dat het me in zijn greep had. Ik verwijderde het van mijn telefoon en ik heb het nooit meer gespeeld.

Nu betrof het schaken. Ik speelde in 1980 voor het laatst tegen een schaakcomputer, een Audi-Sonic die zes niveau’s had. Op niveau zes stond hij soms een dag te denken. Ik leerde overigens schaken van ome Joop. Die kent u niet, maar ik wel. Hij was geen oom, maar een collega van mijn vader die een straat verder op woonde. Hij was er heel goed in, maar dat was ook niet gek want hij heeft een ir. verwekt. Niet dat zijn zoon gelijk bij zijn geboorte ir. was, maar Oscar, zo heette hij, was wel lichtelijk briljant. Speelde ook irritant goed piano en mijn moeder vond het ook nog een hele beleefde jongen dus ja, om te kotsen. Kreeg ik ook nog zijn studiebroeken. En nee, die r is geen vergissing. Belachelijke broeken waar Oscar was uitgegroeid kreeg ik. En Oscar was een zogenaamde “studie” wat in het Brabant van de jaren ’70 een scheldwoord was. Brabant was nog niet zo ontwikkeld in die tijd. Soms schold je ook iemand uit voor miljonair of atleet. Wij hielden niet van opscheppen, en nog steeds niet.

Ome Joop was wel oké, trouwens. En Oscar ook wel maar voor het verhaal trap ik hem even de grond in. Maar Ome Joop kon dus goed schaken. Zat ook bij de schaakclub. Hij vertelde mij over herdersmat en dat soort grappen. Ik weet ook zeker dat hij me “en passant slaan” heeft geleerd, maar die bijzondere verrichting was ik compleet vergeten. Ik zag de computer het doen en dacht dat het ding in de war was, totdat Laurent mij erop wees dat dat wel degelijk een regel was. Toen ging het weer dagen.

Het afgelopen weekend schaakte ik erop los. Niveau 2 van 3. Computer dacht hooguit 1 seconde en niets ontging hem. Zeker zo sterk als niveau 6 op de Audio-Sonic. Als ik ergens een dekking vergat was ik het stuk onherroepelijk kwijt. En dat maakte me razend. Er zat een undo knop op, en een knop om de opnieuw te beginnen. En die heb ik wat gebruikt. Net zolang tot ik won. En het is gelukt, afgelopen nacht om 1 uur versloeg ik hem. Daarna waren mijn hersenen nog zo opgefokt dat het me nog een uur kostte om in slaap te komen. Ik was een beetje brak vandaag. Vanavond heb ik hem uitgezet om 10 uur. Zelfbescherming.