Ik zag gisteren de film/documentaire “De Nieuwe Wildernis” over voornamelijk de grote grazers van de Oostvaardersplassen. De film is ingesproken door Harry Piekema, de vroeger leuke, maar inmiddels irritant geworden supermarktmanager. Grappig detail. Hoewel ik het vooraf niet had gedacht, slaagde de film mij er toch in mij verrast en trots te laten zijn op deze wildernis in Nederland. Er zijn, op een kort fragment van twee schaatsers na, geen menselijke invloeden in te zien. Geen hek, geen windmolens, geen wegen, geen trein, niks. Nou ja, een karrespoor dan. Een oneindige vlakte die je warempel laat denken dat dit gebied een echte wildernis is, vergelijkbaar met de steppes van Afrika of de toendra’s van Rusland. Het is absoluut een uniek natuurgebied met de grootste populatie wilde paarden en edelherten van Europa. De vos jaagt er overdag, iets wat zelden waargenomen wordt. Ik kreeg onmiddellijk het gevoel dat er wolven zaten. Maar die zitten er niet.
En al dat moois heeft een keerzijde. In de korte documentaire “De Nieuwe Wildernix” wordt die getoond. Nu zie je dezelfde vlakte maar aan het eind zie je een snelweg. Je ziet een edelhert bij een hek staan dat van de honger aan een boomschors knaagt. Je ziet grote grazers als verminkte, magere scharminkels rondlopen. Je ziet vele kadavers liggen, iets wat andere beesten weer ten goede komt. Maar anders dan op de Veluwe is er in de Oostvaardersplassen alleen in de vroege zomer voldoende voedsel. In de rest van het jaar is er onvoldoende tot niks. Waardoor de beesten de hele winter op hun reserves moeten leven en velen redden dat niet. De hele natuur is door overbegrazing kaalgevreten en de beesten kunnen er niet uit en worden niet bijgevoerd.
Twee kanten aan een verhaal, en de keerzijde doet je ineens beseffen dat beheer van de wildstand toch niet zo’n slecht idee is. Of misschien de terugkeer van de wolf, waar ik al jaren een voorstander van ben. Want beter is het als de zwaksten gedood worden door een troep wolven, dan dat ze een winter lang honger en kou lijden om uiteindelijk ergens te gaan liggen en dood te vriezen.