Afgelopen week overleed de zanger van The Prodigy. Ik had wel eens gehoord van de naam, maar er zit dan ook iets in mijn hoofd dat weet dat het mijn muziek niet is. Ik zocht het even op, en een nummer zei me wel iets. Reggae, house en kinderstemmetjes door elkaar. Typische jaren negentig bagger. De andere nummers waren zo mogelijk nog erger. In mijn hoofd is er geen begrip voor mensen die dit wel mooi vinden. Omdat ik de democratie respecteer klaag ik ze nog net niet aan, maar om deze misvattingen van de fans in mijn hoofd weer recht te krijgen, denk ik dat ze zich graag willen onderscheiden van de massa, en daarom maar vage baggermuziek zijn gaan aanhangen. U denkt misschien dat ik een grapje maak, maar helaas, zo werkt het echt in mijn hoofd. Het bestaat gewoon niet, dat je zulke talentloze troep goed vindt. Er moet iets kapot zijn in je hoofd.
Met mijn collega, die een nog veel bredere muzieksmaak heeft dan ik, besprak ik het kort. Tot mijn afgrijzen zei hij dat hij graag nog eens naar een concert van ze gegaan zou zijn. Ik vergruisde van binnen. Hij had voor mij cd’s gebrand met Franse chansons. Hij luisterde naar Frank Sinatra. Hij vond Elvis de beste zanger ooit. Hij waardeerde dezelfde jaren-80 muziek als ik. En nu dit!
Ik vroeg hem hoe dit kon. Er klonk net uit mijn computer “the promise you made” van Cock Robin. Ik zei: “het lijkt toch in helemaal niets hierop?” Hij vond dat een vreemde redenering. Ik niet. Ik legde uit dat we van harmonie hielden, dat dat onze gemeenschappelijke factor in de muziek was. En the Prodigy deed niet aan harmonie. Die ramden maar wat. Het deed me pijn, ik voelde me verraden.


