Weekdier

Your stats are booming! Looks like Mack is getting lots of traffic. A spike in your stats, your blog “Mack” appears to be getting more traffic than usual! Dat zijn prachtige berichten. Fijn dat er nog mensen zijn die lezen. Een klas vol, want het zijn er ongeveer 30 per dag. Alleen vandaag hebben die 30 gemiddeld 13 keer gekeken naar mijn weblog, en dat is wat meer dan normaal. Normaal kijkt men zes keer per dag. Waarom men vandaag twee keer zoveel keek wordt er niet bij verteld. Dat kan een computer ook niet registreren natuurlijk. Ik zelf ook niet, ik vind het alleen altijd een beetje “eng” dat ik na een openhartig logje ineens zoveel interesse krijg. Alsof iemand mij volgt van wie ik liever niet heb dat hij mijn verhalen leest. Ik zie ineens gezichten voor me van collega’s die graag openhartigheid van een ander horen zodat ze het tegen je kunnen gebruiken. Valse mensen.

Ik haat valse mensen, hetzij in de betekenis van gemeen, hetzij in de betekenis van onecht. Dat je niet het achterste van je tong laat zien is iets heel anders. Dat is immers alleen toegankelijk voor de huisarts en die heeft een beroepsgeheim. En in meer figuurlijke zin voor mensen die langzaam zijn doorgedrongen tot je vertrouwenspersonen. Als u terugdenkt aan een middelbareschoolklas, dan zaten daar een stuk of vier mensen in die grote gelijkenissen met een weekdier vertoonden. En ook die vier mensen per klas moeten brood verdienen en waren rond in het arbeidsproces. U komt ze dus ergens tegen, vroeg of laat. Deze mensen zijn alleen te bestrijden met eerlijkheid die uiteraard het langst duurt. Als hun valsheid geen grip krijgt dan zullen ze reageren als een demoon op wijwater.

Ik denk zelf dat het jarenlang volgen van een weblog een net zo’n goed beeld geeft van het diepste waarden van de schrijver dan wanneer je iemand echt kent. Natuurlijk weet je meer als je iemand echt kent, maar wie kan jarenlang vals acteren op een weblog zonder door de mand te vallen? Als ik leugens vertelde dan zou iemand dat op een gegeven moment opvallen. En natuurlijk vertel ik wel leugens, maar dan zodanig dat het direct opvalt.

Wat ik eigenlijk wil zeggen met dit logje? Dat ik best wel blij bent dat u af en toe naar mijn verhaal komt luisteren zonder dat ik me zorgen maak over de integriteit van degenen bij wie ik ook lees, of degenen die regelmatig reageren op openhartige manier. En als er soms een weekdier tussen zit, dan kan die mij niet vasthouden.

Contradictie

Vorige week, wat later op de avond reed ik terug naar huis en had de radio aan. Er was een interview met een oudere man die ik niet kende en ik heb zijn naam niet onthouden. Ik geloof dat hij een tekenaar was. Maar een deel van zijn verhaal maakte indruk en dat was het deel dat ik onthouden heb. Dat hij als kind zag gebeuren dat een leeftijdsgenootje onder een vrachtwagen kwam. De vrachtwagen reed met een wiel over de buik van het jongetje heen. Hij beschreef hoe het jongetje opstond, met gekromde handen huilend naar huis liep en daar als troost een koekje kreeg. De volgende dag was het jongetje dood omdat inwendig alles kapot was. De geïnterviewde kreeg destijds nog de schuld van het ongeluk, hij zou het jongetje geduwd hebben, maar hij stond aan de overkant van de straat. Hij was ook de enige die het had zien gebeuren.

Alles uit het leven van die man, tot en met zijn afstandelijke maar toch sympathieke stem toe, leek gevormd door die ene tragische gebeurtenis. Het gezicht van het jongetje was snel vervaagd, maar een aantal jaren geleden weer teruggekomen, en nu kon hij hem weer haarscherp tekenen. Het jongetje had overbijt, vertelde hij. Ik weet niet wat de strekking is en waarom ik dit schrijf, maar het was zo’n indrukwekkend verhaal. Zo’n droeve gebeurtenis die iemand zijn leven lang met zich meesleept. En het arme jongetje dat met een koekje werd afgescheept door zijn moeder die waarschijnlijk ook niet beter wist. Het zijn van die tragische passages uit iemand’s leven maar tegelijkertijd zo meeslepend en mooi. De hemel mag dan zonder ellende kunnen, de wereld kan dat zeker niet.

Overdenkingen op 18 augustus

Vandaag zou mijn vader jarig zijn. 69 zou hij worden, een leeftijd die ik niet goed kan bevatten, tenminste niet voor hem. Ik weet nog toen hij ziek was en er nog sprake was van enige optimisme, dat hij tegen mijn moeder in zijn naïeve hoop zei: “Als ze het tot 70 konden verlengen zou ik ervoor tekenen.” Maar dat konden ze helaas niet. Bijna 30 jaar is hij al niet meer op deze wereld. 30 jaar is onvoorstelbaar lang.

18 augustus is voor mij een machtige datum. De verjaardag van mijn vader, de machtige leeuw. Ik weet geen mooiere datum dan 18 augustus. In één oogopslag vertelt de datumcombinatie mij dat het een belangrijke dag is. Een hete, droge, zomerse dag met een koele, heldere nacht. De leeuw ligt te rusten op een rots. Zo spiegelt deze datum mij zich voor. Als hij niet zo vroeg was gestorven zou ik waarschijnlijk niet zo’n overdreven lyrisch beeld van hem hebben gehad. Want de eerste gedachten zijn altijd aan een knappe man met een blik die zich niet goed laat omschrijven. Stoer is niet het goede woord, minzaam ook niet, ik weet het niet. Misschien is trots nog wel het beste woord. Het is een blik van ingehouden geluk. Het straalde er niet vanaf, maar er was iets mee. Een blik die een rotsvast vertrouwen uitstraalde, maar waar je, als je beter keek, ook onzekerheid in kon zien.

Onder die trotse blik ging onzekerheid schuil, onzekerheid die hij op zijn 40e nog niet helemaal had overwonnen. Daarvoor moet je ouder worden, net als ik zelf ervaar dat mijn onzekerheden minder zijn geworden, hoewel ze nooit zullen weggaan. Maar op de leeftijd van 69, als je gepensioneerd bent en je je niet meer beter voor hoeft te doen dan je bent, zullen de meeste van je onzekerheden wel weggeëbd zijn. Of ze hebben plaatsgemaakt voor nieuwe, dat is misschien realistischer.

Nee, ik heb werkelijk geen idee hoe het nu zou zijn tussen mijn vader en mij. Toen hij ging was ik te jong om me al tegen hem afgezet te hebben, en te jong om zijn gedragingen te doorzien waardoor ik nu altijd opgescheept zit met dat beeld van die machtige leeuw die jarig was op 18 augustus. Anders zou hij nu “pa” zijn, in plaats van “papa” zoals ik hem nog altijd noem.

Een voortijdige terugblik

Mensen, waardeert u mijn logjes nog? Het is net of iedereen in slaap gesukkeld is of wel iets beters heeft te doen. Enorme discussies breng ik al jaren niet meer op gang, dat kan aan mij liggen, maar ook aan u. Ik word ook een jaartje ouder en wellicht verstandiger. En met name dat laatste is niet goed voor je weblog. Ik denk tegenwoordig ook nog extreme dingen, alleen heeft het engeltje op mijn schouder versterking gekregen en het duiveltje niet. Het engeltje fluistert mij dan in: “Nou, zou je dat nu wel zo verkondigen? Misschien zijn er wel mensen die daar aanstoot aan nemen.” En hop, daar heb ik alweer een logje naar de concepten verplaatst. Oh, mijn concepten staan vol met duivelse verhalen. Oh ja Mack? Of zeg je dat nu gewoon om toch even te laten merken dat “you’ve still got it? Eh ja, dat laatste.

Ja, het is niet anders. Over een half jaar schrijf ik 10 jaar op dit weblog. Dus ik blik nu vast terug, want nu heb ik daar zin in, of dat over een half jaar ook zo is, is nog maar de vraag. Ooit geïnspireerd door Tiepvoud, die er gelukkig ook nog is. En Kwebbel die al op mijn eerste logje reageerde, is er ook nog. Velen zijn afgehaakt. Sommigen ex-gelinkten hebben hun heil in Facebook gezocht en met hen heb ik nog contact, anderen zijn van de aardbodem verdwenen. Twee zijn er overleden. Het is net het echte leven.

In tien jaar is veel gebeurd. Mijn karakter is hetzelfde, maar de scherpe kantjes worden langzaam minder scherp. Gladder zou ik niet willen zeggen, omdat glad bij mij nog altijd ergernis oproept. Tien jaar geleden kon ik mij enorm druk maken over managers die de boel aanstuurden zonder dat ze gehinderd werden door enige kennis van zaken, inmiddels heb ik het geaccepteerd, en weet ik dat je ze het beste kunt bestrijden door met ze mee te werken en je eigen gang te gaan. De Formule 1 mis ook nu ook regelmatig, dat gebeurde me toen zelden. Sommige items dikte ik een ietsie pietsie aan, zoals Elvis en Alfa’s, maar het zijn nog steeds de door mij meest gewaardeerde aanbiddingen in hun klasse.

Is 43 beter dan 33? Ik denk het wel. Het scheelt een paar haren, een kilootje of vijf, en het besef komt dat sommige dingen belachelijk worden. Het zou nog kunnen, maar het besef is ingezet en behoedt mij ervoor dat ik het straks nog steeds doe als ik 53 ben, als het echt te laat is. Wat ik bedoel is niet belangrijk. U kunt zelf wel invullen wat belachelijk is, als iemand 10 jaar ouder dan uzelf het nog zou doen. Zou ik dingen anders gedaan hebben? Nee. Want ik heb van niks spijt. Nou, lieg je nu niet een beetje, Mack? Eh jawel, maar het is zo’n onzinnige vraag en het antwoord dat je alles precies hetzelfde zou doen is nog onzinniger. Wantrouw degene die dat antwoord geeft.

Maar wel kan ik zeggen dat ik blijer ben dan tien jaar terug. Ik heb me nooit de vraag gesteld waar ik over tien jaar zou willen zijn, want ik geloof niet in beïnvloeding van het lot. Je neemt bepaalde belangrijke beslissingen omdat eenmaal in je zit dat je die beslissing moest nemen. Het andere is nooit een optie geweest. “Wat als” bestaat niet. Of doet er niet toe. Niet voor dingen die je goed gedaan hebt, en niet voor dingen die je fout hebt gedaan, ze moesten eenvoudigweg gebeuren. Wat ik wel geleerd denk te hebben is dat clichés waar zijn. En dat spreekwoorden vaak opgaan. En dat als het gras bij de buren groener is, de buren waarschijnlijk wat vaker maaien.

Waar was je al die tijd?

Met wie zou je wel eens een lange autoreis willen maken? Die vraag zag ik vroeger vaak in een vaste rubriek van Autovisie waarin deze vraag gesteld werd aan een min of meer bekende Nederlander. Als ze het mij zouden vragen zou ik antwoorden: mijn vader. In 1985 doofde zijn kaarsje op 40-jarige leeftijd en inmiddels ben ik ouder, maar hij blijft altijd mijn vader, en vaders zijn nu eenmaal ouder en wijzer. Hoe oud ik ook word, ik blijf altijd kind en hij de vader.

Maar stel dat hij er ineens weer was. Dat hij -en de gedachte is wel eens door mijn hoofd gegaan- om redenen die ik niet begrijp niet echt dood was maar voor een of ander geheim project 28 jaar lang afgezonderd van de moderne wereld heeft geleefd en ineens in 2013 terugkwam. Dan zou ik een paar weken na de hereniging met hem een lange autoreis willen maken van een dag of twee. Dan zou ik hem laten zien wat er allemaal veranderd was in de tijd. We zouden op mijn auto aflopen en ik zou hem zeggen dat je geen sleutel meer nodig had maar dat de auto vanzelf openging als je de deurgreep pakte. Dat er geen sleutel meer in het contact hoefde maar dat er een startknop was. Dat het een diesel was maar dat je dat niet meer hoorde. Dat we konden bellen vanuit de auto en dat er een navigatiesysteem opzat, en ik zou hem uitleggen hoe dat werkte. Dat een diesel nauwelijks meer onderdeed voor een benzinemotor en dat je tegenwoordig 130 mocht in plaats van 100. Dat mijn auto nog maar eens in de 30.000 kilometer terug hoefde naar de garage voor onderhoud. Dat je tegenwoordig internet en zoekmachines had, en Wikipedia waarop je alles kon terugvinden. Dat iedereen in Europa de Euro gebruikte en dat je je paspoort niet meer hoeft te laten zien aan de grens. Hij zou die dingen geweldig vinden.

Er zouden ook mindere dingen zijn die ik hem moest vertellen. Dat het crisis was maar dat we eigenlijk meer konden dan vroeger toen het geen crisis was. Dat de maatschappij wat aan het verharden was, terwijl de mensen steeds minder aankonden. Dat veel mensen carrière maakten en hun idealen achter zich gelaten hebben. Dat de taal nu vol met Engels zit. En dat kanker nog steeds niet onder controle was. Dat de Twin Towers er niet meer stonden. Dat de politie niet meer in Porsches reed en dat de VUT afgeschaft was. Dat zijn moeder onlangs overleden is.

En er zouden dingen zijn die bij hetzelfde waren gebleven. Het Nederlands Elftal was weer tweede geworden bij het WK. We gingen nog steeds met de auto op vakantie naar Zuid-Frankrijk. We hebben nog geen buitenaards leven ontdekt en Einstein is nog steeds niet onderuit gehaald. We betaalden nog steeds belasting en je kon nog fietsen in het bos. En er zijn nog steeds mensen die die moeite waard zijn.

Maar het mooist zou zijn om mensen aan hem voor te stellen. Linda, Hans en Tammar. “Jij was toch heel erg ziek”, zou Hans vragen. “Jij was toch dood, opa Hans”, zou Tammar vragen. En daar zou hij dan geen antwoord op hebben. Waar was je al die tijd?

Zo gaat het voorbij.

oma“Ik hou van jullie, zullen jullie dat nooit vergeten?” Dat zei mijn oma afgelopen maandag toen ik haar voor het laatst in levende lijve zag. Vandaag overleed ze op de hoge leeftijd van 95. Ik heb 43 jaar deze oma gehad, en heb veel herinneringen aan haar. Ze werd mijn oma toen ze 52 was, ik was haar oudste kleinzoon, iets dat ze vrijwel altijd zei als ik bij haar was. Opa en oma kwamen om de week naar Drunen, en wij gingen om de week naar Utrecht en altijd was het voor haar kleinkinderen een feest. Ik logeerde regelmatig bij hen en leerde daar dat de kleine dingen er toe deden. Ze hadden een opklapbed met lakens en dekens en daar sliep je als een roos. Voor de deur stopte de bus zodat je vanuit je bed het stadse geluid hoorde van ronkende dieselmotoren. Elke dag om half acht stonden ze op en elke morgen ging opa brood halen bij de bakker op de hoek. De tafel werd gedekt met een plastic tafelkleed en er stond grof volkoren op tafel. Thee met veel melk in ouderwetse theeglazen. De afwas werd drie keer per dag met de hand gedaan, en ik hielp afdrogen. Ik voetbalde op het veld voor hun huis, en ik liep altijd alle vissers langs die aan de singel zaten te vissen. De nieuwbouwwijk Lunetten was in aanbouw en met mijn opa ging ik een stukje lopen op de bouw. Soms gingen we met de bus naar Hoog Catherijne. We speelden monopolie en om half vijf kwam mijn jongste oom, die nog thuis woonde, uit zijn werk. ’s Avonds keken we televisie en ik hield het er met gemak een week uit.

Veel zomervakanties gingen mijn opa en oma mee met ons, voor vier weken naar Zuid Frankrijk. Om beurten mochten we dan achterin de Ford Taunus bij opa en oma. Uren praatten we dan over wat we onderweg zagen. Dat hielden we vol tot mijn vader, hun zoon, overleed in 1985. Een jaar of 11 geleden verhuisden ze van Utrecht naar Odijk. Mijn opa en oma waren even oud, er zat een week tussen. Mijn opa werd 91 en oma bleef alleen achter. Nog twee jaar heeft ze in Odijk gewoond, en altijd vreesde ze dat ze naar een verzorgingshuis moest, wat uiteindelijk ook gebeurde, twee jaar geleden. Nu is ze er niet meer en is een heel rijk leven voltooid. Een leven dat begon in 1917 in Utrecht en eindigde in Bunnik 2013. Ze had vijf kinderen, 12 kleinkinderen en vele achterkleinkinderen. Tijdens het 65 jarige huwelijksfeest van opa en oma pakte ze de microfoon en noemde ze de naam van mijn vader, dat die vooral niet vergeten mocht worden.

Zo is het leven, zo gaat het voorbij in een vloek en een zucht. Voordat we het weten zijn we er niet meer. God hebbe haar ziel.

21 februari

Op deze 28e sterfdag van mijn vader was ik vrij. Niet dat er een verband tussen deze twee gebeurtenissen was, het was toeval. 28 jaar is een lange tijd en ik merk dat ik er beter mee omga. Beter is misschien niet helemaal het juiste woord, want je gaat er mee om en de tijd tikt gewoon door. Hij is inmiddels meer opa Hans geworden dan mijn vader. De opa die Hans en Tammar nooit hebben gekend, maar waar ik ze soms toch wel over vertel, zoals vandaag toen er een busje van de Marechaussee met blauw zwaailicht voorbij kwam. Hans vroeg of het politie was, dus ik antwoordde dat het de politie van het leger was, en of hij wist wie daar ook bij gezeten had. “Opa Hans,” zei ik, en Hans zei dat hij al wel dacht dat ik dat ging zeggen. Ik glimlachte erom. Kennelijk vertel ik toch vaker over hem dan ik dacht. Het was een tragische gebeurtenis destijds, die littekens heeft achtergelaten, maar de wond is geheeld.

En toch, soms vind ik het jammer dat ze hem niet kennen. Hij zou gek op ze zijn geweest, dat weet ik zeker, maar welke opa is dat niet? Ik vraag me af hoe hij met ze om zou zijn gegaan. Zou hij ze ook dagjes meegenomen hebben, en hoe zou hij reageren als ze niet zouden luisteren? Ik kan me helemaal niet voorstellen hoe hij nu zou zijn. Grijs, dat kan haast niet anders. Tenzij je Willem van Hanegem heet word je grijs. Niet kaal denk ik. Ik kan geen auto bij hem verzinnen. Een Volvo misschien, zo’n station? Een Audi gaat ook door mijn gedachten, maar een bescheiden Audi zonder opsmuk. Geen Alfa, dat denk ik niet. Wat zou hij met zijn vrije tijd doen? Hij zou nu 68 zijn. Geen idee. Hij was net als ik een gezinsmens zonder opvallende hobby’s. Zomervakantie, dat vond hij leuk, net als ik. Ik denk wel dat hij een computer zou hebben, hij had in 1983 immers al de ZX-81, als een van de eersten. De levenslijn stopte in 1985 en vanaf dat moment wordt de lijn een nevel die alle kanten opgaat. Er is weinig van te zeggen hoe hij nu geweest zou zijn. Waarschijnlijk milder, want iedereen wordt milder als hij ouder wordt. Verstandig vond ik hem al, maar dat zal mijn vertekende kindsbeeld zijn geweest. In elk geval zou hij zijn kleinkinderen op schoot hebben zitten.

The Pursuit of Happyness

Er gaan wel eens wat dingen mis in een mensenleven, dus ook in het mijne, maar meestal valt het erg mee. Kinderen luisteren niet en drijven je tot waanzin, je auto gaat kapot of je baalt een keer van je werk. Vanavond keken wij naar “The Pursuit of Happyness” met Will Smith in de hoofdrol. Het is het waargebeurde verhaal van een man die vecht om zijn hoofd boven water te houden. Zijn vrouw verlaat hem en hij blijft met zijn zoontje achter. Financiële problemen stapelen zich op en op een kwade dag kom je dakloos op straat te staan. Ondertussen werk je keihard om een baan te krijgen en slaap je met je zoontje in een openbaar toilet, terwijl je de volgende morgen weer op je stageplaats moet verschijnen in pak en stropdas. Het is rennen, vechten en opkomen voor jezelf en je kind. Het kind heeft al niks, verliest ook nog zijn enige speeltje maar er is geen tijd om het op te rapen want om vijf uur moet je in de rij staan voor een kamer voor de nacht.

Ik keek Linda halverwege aan en zei dat ik het op dit punt allang zou hebben opgegeven. Zij stemde daar volmondig mee in. Niet dat ík het zou hebben opgegeven, maar zij ook, bedoelde ze. De film greep me bij de strot. Dit was het verhaal van een man die ellende doormaakte terwijl hij het niet kon delen met anderen. Hij moest ’s avonds voor zijn zoontje zorgen en overdag tussen zijn collega’s de schijn ophouden. Uiteindelijk, na zes maanden werken voor niks, honger lijden, studeren, slapen bij daklozenopvang, wordt zijn ijzeren doorzettingsvermogen beloond en krijgt hij een betaalde baan. Uiteindelijk lukt het hem miljonair te worden. Het was niet het sprookje van de Amerikaanse droom, maar van de onmenselijke Amerikaanse werkelijkheid waaruit hij wist te ontsnappen door wilskracht. Het was niet het verhaal van de man die zich uit de armoede op wist te werken naar rijkdom, maar van de man die in ellende leefde, en louter door zijn vechtlust overleefde. Dat hij later miljonair werd deed niet ter zake. Dat was een logisch gevolg van de strijdkracht die eenmaal in hem zat. In nood hielp het hem overleven, toen hij eindelijk een stabiele basis had zal hij glimlachend de moeilijkheden die hij toen nog tegenkwam, tegemoet gelopen zijn.

Voor Margo

We gingen uit eten met een ex-collega en zijn vrouw die we maar weinig zien, hooguit één keer per jaar. Het restaurant was een Argentijns restaurant waar een man met een gitaar ronddoolde en mooie liedjes ten gehore bracht. Normaal hou ik er niet zo van, maar ik zag dat Linda de blik van de man aan het ontwijken was, zodat hij niet bij ons zou komen, dus ik zocht zijn blik. Dat hielp en hij vroeg wat het mocht zijn. Elvis, zei ik gelijk, maar hij speelde geen Elvis zei hij. Dat vond ik vreemd wat ik had Love Me Tender en Always on my mind al voorbij horen komen, maar misschien was hij nog in de ontkenningsfase. Hij vroeg of ik Jim Croce kende, en ja, die kende ik, dus ik vroeg om Castles in the Sand. Dat is een niet bestaand nummer, en hij kende het dan ook niet. Toen deed hij Alabama Rain, en dat moet u misschien echt even luisteren, want dat is mooi. Collega’s vrouw, we moeten haar even Margo noemen, niet te verwarren met Margo die hier wel reageert, vertelde dat ze elke dag mijn log las en teleurgesteld was als er geen logje verscheen. Kijk, dan valt alles weer even op zijn plek en snap ik weer waarom ik me hier praktisch elke avond zit uit te sloven. Als ik kon zingen en gitaarspelen, speelde ik voor Margo Alabama Rain.

Gezondheid

Maandagavond pakte ik tegen al mijn gewoontes in, de krant. Ik blader hem normaal gesproken alleen ’s ochtends door, en ik kijk even hoe het met PSV is, zo had ik ook deze maandagmorgen gedaan. Maar ik besloot hem nog een keer te pakken en mijn oog viel op een overlijdensadvertentie van een oud collega waar ik twintig jaar geleden veel mee omging, en die ik elk jaar wel een keertje ergens sprak in het dorp. Maar daar bleef het ook bij. De laatste keer dat ik hem zag was een paar maanden geleden. Hij was 50 en hij had de ongelijke strijd tegen de ziekte verloren stond er in de advertentie. Ik wist niet eens dat hij ziek was.

Vanavond kwam ik thuis en ik roerde het onderwerp aan, want ik vroeg mij af of ik niet naar de condoleance moest gaan. Zijn familie, of wat daar van over is, ken ik amper, zijn oudste zoon moet nu 23 zijn want die heb ik nog vastgehouden toen hij een baby was. Ik twijfelde zo erg dat Linda zei dat ik moest gaan. Ik ben gegaan. Ik had in de krant gezien dat het om zeven uur begon en het was inmiddels tien voor zeven, dus ik liep er met loodjes in mijn schoenen heen. Bij het uitvaartcentrum aangekomen, bleek alles donker. Geen levende ziel te bekennen. Ik haalde de advertentie terug in mijn hoofd. Nr. 91 had er gestaan, en dit was 93. Maar de buurman is een bakkerij dus iets klopte er niet. Ik pakte mijn telefoon en googelde tevergeefs op de rouwadvertenties. Plotseling herinnerde ik me de naam van het uitvaartcentrum en ik googelde. Andere straat. Veel dichter bij mijn huis.

Om half acht kwam ik aan en de rij was lang. Ik hoorde aan de gesprekken om me heen dat het kanker was geweest en dat het razendsnel was gegaan. Ik herkende hier en daar een gezicht, en ik zag nog twee oud collega’s. Toen ik binnenliep en mijn naam gezet had, liep ik het kamertje binnen waar hij opgebaard lag. Asgrauw en nog maar net te herkennen. Het is dat ik wist dat hij het was, anders had ik het niet gezien. Ik dacht bij mezelf: “jongen toch, wat is er met jou gebeurd?” Toen ik een minuut later het kamertje uitliep condoleerde ik zijn vrouw, die een blijk van herkenning gaf. Zijn schoonzus die ik ook nooit meer gesproken had, noemde mijn naam en bedankte me. Ik condoleerde de rest van de familie en ging toen weer huiswaarts. Het feit dat de schoonzus wist wie ik was, maakte het voor mij goed dat ik gegaan was. Maar jongen, wat kan een ziekte je slopen. Ik wens u allen gezondheid. De rest komt wel goed.