Maandagavond pakte ik tegen al mijn gewoontes in, de krant. Ik blader hem normaal gesproken alleen ’s ochtends door, en ik kijk even hoe het met PSV is, zo had ik ook deze maandagmorgen gedaan. Maar ik besloot hem nog een keer te pakken en mijn oog viel op een overlijdensadvertentie van een oud collega waar ik twintig jaar geleden veel mee omging, en die ik elk jaar wel een keertje ergens sprak in het dorp. Maar daar bleef het ook bij. De laatste keer dat ik hem zag was een paar maanden geleden. Hij was 50 en hij had de ongelijke strijd tegen de ziekte verloren stond er in de advertentie. Ik wist niet eens dat hij ziek was.
Vanavond kwam ik thuis en ik roerde het onderwerp aan, want ik vroeg mij af of ik niet naar de condoleance moest gaan. Zijn familie, of wat daar van over is, ken ik amper, zijn oudste zoon moet nu 23 zijn want die heb ik nog vastgehouden toen hij een baby was. Ik twijfelde zo erg dat Linda zei dat ik moest gaan. Ik ben gegaan. Ik had in de krant gezien dat het om zeven uur begon en het was inmiddels tien voor zeven, dus ik liep er met loodjes in mijn schoenen heen. Bij het uitvaartcentrum aangekomen, bleek alles donker. Geen levende ziel te bekennen. Ik haalde de advertentie terug in mijn hoofd. Nr. 91 had er gestaan, en dit was 93. Maar de buurman is een bakkerij dus iets klopte er niet. Ik pakte mijn telefoon en googelde tevergeefs op de rouwadvertenties. Plotseling herinnerde ik me de naam van het uitvaartcentrum en ik googelde. Andere straat. Veel dichter bij mijn huis.
Om half acht kwam ik aan en de rij was lang. Ik hoorde aan de gesprekken om me heen dat het kanker was geweest en dat het razendsnel was gegaan. Ik herkende hier en daar een gezicht, en ik zag nog twee oud collega’s. Toen ik binnenliep en mijn naam gezet had, liep ik het kamertje binnen waar hij opgebaard lag. Asgrauw en nog maar net te herkennen. Het is dat ik wist dat hij het was, anders had ik het niet gezien. Ik dacht bij mezelf: “jongen toch, wat is er met jou gebeurd?” Toen ik een minuut later het kamertje uitliep condoleerde ik zijn vrouw, die een blijk van herkenning gaf. Zijn schoonzus die ik ook nooit meer gesproken had, noemde mijn naam en bedankte me. Ik condoleerde de rest van de familie en ging toen weer huiswaarts. Het feit dat de schoonzus wist wie ik was, maakte het voor mij goed dat ik gegaan was. Maar jongen, wat kan een ziekte je slopen. Ik wens u allen gezondheid. De rest komt wel goed.

