Net zoals iedereen van mijn leeftijd ben ik naar de maatstaven van nu stevig opgevoed. En in de ogen van de generatie boven mij, vrij zacht. Gisterenmiddag liep ik een rondje met een collega en werden we plotseling getrakteerd op ijs. Het was er niet echt weer voor, maar toch, in de vorm van die kleine, witte, uit de lucht vallende bolletjes voelde het ouderwets striemend en vertrouwd aan.
Toen ik op de middelbare school zat en gemiddeld 12 km moest fietsen voor ik er was, werd je op de terugweg regelmatig getrakteerd op hagel of ijskoude regen. Je voorhoofd deed er letterlijk pijn van. In geval van hagel kon je de klok erop gelijk zetten dat je ook tegenwind had. Elke trapbeweging kostte kracht en maar langzaam kwam je vooruit. Ik richtte me steeds op een punt voor me, zodat ik dat punt binnen kon hengelen en als ik er dan was pakte ik een nieuw punt, net zolang tot ik thuis was. Bikkels met de conditie van een paard waren we vroeger. Tenminste de dorpsjongens en -meisjes die ver van school woonden.
Ik moest op de fiets naar school, weer en wind, ik moest alles eten en ik moest op tijd naar bed. Maar wat heeft dat nu allemaal voor nut gehad? Ik fiets nu alleen nog als ik zin heb, wat we niet lusten komt ook nooit op tafel en ik maak zelf uit hoe laat ik naar bed ga. Een jaar of 18 discipline, om het daarna misschien wel 70 jaar anders te doen. Ik vat de logica niet helemaal. Misschien had het te maken met de militaire dienst maar dat roept de vraag op waarom meisjes ook moesten fietsen naar school. Volgens mij was het alleen maar om later te kunnen zeggen: "Vroeger, toen had je pas hagelstenen!"