Onweer en bijgeloof

Ik zat te luisteren naar een gesprekje tussen een paar collega’s die het hadden over onweer dat de IJssel niet overkwam. Ik hoorde het verveeld aan en wachtte op het moment dat ik kon vragen: maar weet je ook hoe het komt dat onweer de rivier niet over komt? Nee, daar hadden ze nog nooit over nagedacht. Dus ik zeg, dat komt omdat het een sprookje is, een volksvertelling, een dorpsbijgeloof.

Het is natuurlijk niet leuk, dat begrijp ik ook wel, maar om dan de boodschapper van het slechte nieuws arrogant te vinden, vind ik ook niet helemaal terecht. Ik kan het toch ook niet helpen dat ze geloven in iets waarvan het tegendeel wetenschappelijk is vastgesteld? Nee, ik zou het ook niet leuk vinden als morgen iemand met het wetenschappelijk bewijs komt dat Elvis helemaal niet de beste artiest ooit was. Maar als dat wel zo is, dan ga ik daar niet tegenin. Dat de wetenschap het fout heeft omdat bij ons het onweer wél bij de rivier bleef hangen. Dat zou pas stronteigenwijs zijn. Ik weet dingen pas zeker als ze ook waar zijn.

Onverschilligheid

Het was zaterdag vandaag en dat betekent zwemlesdag. Ik geloof het wel met die zwemles hoor. Hans doet lekker mee en het interesseert hem geen bal of ik wel of niet voor het raam sta te kijken. Als hij me ziet gaat hij toch rare bekken trekken. Dus ik zit gezellig aan de koffie met een paar moeders. Helaas komt er altijd wel een opgewonden standje om ons te roepen dat de groep nu naar het diepe gaat en dat ze door het gat moeten zwemmen. Paniek, paniek, peeuw, peeuw.

Nou ja, verveeld hijs ik me uit mijn stoel en ga dan staan kijken naar het groepje van Hans dat dingen gaat doen die Hans vorig jaar in Frankrijk al kon. Vandaag had ik Tammar ook bij me en ik had haar op mijn arm. Om het wat beter te kunnen zien ging ik net om een hoekje staan waarbij ik net een andere invalshoek had dan de tien die eersterangs stonden. Ik keek vanuit de lengterichting over het zwembad, zij vanuit de breedterichting. Ik kon dus zien dat een klein jongetje dat vlak bij de kant zwom, op zich een hele goeie techniek had, zij het dat hij een decimeter te diep zwom. Hoe hij ook spartelde, zijn mond en neus kwamen niet boven water uit. Badjuffrouw Marije (haar naam staat achter op haar badjas) zag het ook en sprong met T-shirt en al het water in om het jochie weer boven te krijgen. Niks aan de hand, het jochie ging gewoon verder met de les.

Maar, al die zogenaamd geïnteresseerde ouders hadden dit niet gezien omdat ze niet vlak achter die rand konden kijken. En toen ik het zei, geloofden ze me eigenlijk niet. Nee, die juffrouw springt voor de lol met haar T-shirt het water in, nou goed! En zo zie je maar, in het leven is niets wat het lijkt. Een onverschillig lijkend persoon kan alles in de gaten hebben en iemand die interesse lijkt te tonen, kan wel eens niet door hebben dat u voor zijn neus verzuipt.

Oude volkswijsheden

Ik keek net de documentaire "the truth about food" waarin de combinatie van voedsel en mensen met een MRI-scan werd onderzocht. Een echtpaar van samen 250 kilo probeerde met behulp van een diëtiste blijvend af te vallen. Het leverde een paar nuttige tips op.

Bijvoorbeeld dat soep en zuivel je kunnen helpen bij het afvallen. Dat de snelheid waarmee je van stof wisselt niet zo’n rol speelt. En dat een glas water niet lang helpt tegen het onderdrukken van een hongergevoel. Maar de eindconclusies waren gelijk aan wat je boerenverstand je altijd al vertelde, namelijk: ‘elk pondje gaat door het mondje’ en ‘zijn ogen waren groter dan zijn maag.’ Maar dan onderbouwd met een duur MRI-scan apparaat. Het kost wat, maar dan heb je ook bewijs voor een oude volkswijsheid.

Straatje…

Bij ons achter is een straatje dat qua huizen niet helemaal past bij de rest van de wijk. Deze wijk is van halverwege de jaren 80, maar in dat straatje zijn de huizen ouder. Ook veel mooier want ze zijn vrijstaand en hebben een leuk stukje grond. Dus eigenlijk zou het beter zijn te zeggen dat de rest van de wijk niet in dat straatje past. Ik loop er wel eens met Hans of Tammar en kijk dan bij de mensen naar binnen. Daar hou ik van, bij mensen naar binnen kijken. Vanavond liep ik er alleen en ineens viel mij op dat de huizen daar namen hebben. Mij kan dat niet zo bekoren. Wie geeft zijn huis nu een naam? Vroeger, onze overbuurman uit het westen kwam zijn pensioen op de Veluwe opmaken en had een bordje op zijn huis geplakt met "Staodzaot" Daar moest je dan uit afleiden dat hij de stad zat was. Ja, misbruik op de Veluwe kent vele varianten.

Vanavond liep ik langs "Hieris’t" en "Noarmienzin." En ik moet toegeven, ik zou best in "Hieris’t" of in "Noarmienzin" wilen wonen. Maar het eerste wat ik zou doen nadat de financiering rond was,  was dat bordje met een grote klauwhamer naar beneden batsen. Ik vind het al overdreven dat je een kat een naam geeft, maar dat is een algemeen geaccepteerd gebruik. Maar een huis?

Onderzoek

Vanochtend in de krant stond een klein berichtje; mensen die makkelijk lachen voor de foto leven langer. Iemand had een foto onderzocht. De mensen die daarop stonden die natuurlijk glimlachten bleken gemiddeld langer te leven dan degenen die geforceerd of helemaal niet lachten. Ja, het geluk is met de dommen, zei mijn moeder altijd. Met mij dus, want ik ben rechtshandig, en rechtshandigen leven gemiddeld weer langer dan linkshandigen. Dus bent u depressief én linkshandig, wanhoop dan niet, de redding is nabij.

Wat had dat nu eigenlijk voor nut?

Net zoals iedereen van mijn leeftijd ben ik naar de maatstaven van nu stevig opgevoed. En in de ogen van de generatie boven mij, vrij zacht. Gisterenmiddag liep ik een rondje met een collega en werden we plotseling getrakteerd op ijs. Het was er niet echt weer voor, maar toch, in de vorm van die kleine, witte, uit de lucht vallende bolletjes voelde het ouderwets striemend en vertrouwd aan.

Toen ik op de middelbare school zat en gemiddeld 12 km moest fietsen voor ik er was, werd je op de terugweg regelmatig getrakteerd op hagel of ijskoude regen. Je voorhoofd deed er letterlijk pijn van. In geval van hagel kon je de klok erop gelijk zetten dat je ook tegenwind had. Elke trapbeweging kostte kracht en maar langzaam kwam je vooruit. Ik richtte me steeds op een punt voor me, zodat ik dat punt binnen kon hengelen en als ik er dan was pakte ik een nieuw punt, net zolang tot ik thuis was. Bikkels met de conditie van een paard waren we vroeger. Tenminste de dorpsjongens en -meisjes die ver van school woonden.

Ik moest op de fiets naar school, weer en wind, ik moest alles eten en ik moest op tijd naar bed. Maar wat heeft dat nu allemaal voor nut gehad? Ik fiets nu alleen nog als ik zin heb, wat we niet lusten komt ook nooit op tafel en ik maak zelf uit hoe laat ik naar bed ga. Een jaar of 18 discipline, om het daarna misschien wel 70 jaar anders te doen. Ik vat de logica niet helemaal. Misschien had het te maken met de militaire dienst maar dat roept de vraag op waarom meisjes ook moesten fietsen naar school. Volgens mij was het alleen maar om later te kunnen zeggen: "Vroeger, toen had je pas hagelstenen!"

Matthijs draait nooit door.

Ik weet niet wat het is met Matthijs, maar ik vind Matthijs zo neutraal. Hij stoort me niet en ik ben geen enorme fan van hem maar ik vind hem wel op zijn plaats in DWDD. Dus als het Matthijs niet is, dan moet het haast wel door het programma en de gasten komen, dat ik graag kijk. Aan de andere kant, een paar jaar terug werd DWDD ook wel eens door een ander gepresenteerd en dat vond ik toch minder. Dus Matthijs moet kwaliteiten bezitten. Als ik erover nadenk zou ik geen enkele karaktereigenschap van Matthijs kunnen noemen. Is hij moedig, is hij geduldig, is hij aardig of diepzinnig? Geen idee! Tot nu toe had ik geen idee. Ik wist helemaal niks over hoe Matthijs in elkaar stak. Maar daar kwam vanavond verandering in.

Er zaten twee min of meer over het paard getilde internetjournalisten, de één wat meer dan de ander maar allebei ontbrak het ze niet aan een ongezonde dosis arrogantie. De één was een verwend kindje, de ander was iemand met een doorsnee gezicht, die dat doorsnee gezicht compenseerde door in een smoking-achtige outfit te lopen. Internetjournalisten willen vanzelfsprekend ook bewijzen dat ze echte journalisten zijn, dus doen ze een aantal uitspraken over de onbelangrijkheid van de krant en de tv ten opzichte van internet. Bijvoorbeeld als je de krant leest dat dat eigenlijk niet meer van deze tijd is, en dat jongeren een tv programma niet op een bepaalde tijd gaan bekijken, maar op een tijd die het hen uitkomt. Ik liet het heel even op mij inwerken. Die het hen uitkomt? Hoorde ik dat nu goed? Ja hoor, die het hén uitkomt. Daar moeten we de oorlog mee winnen zeg! Het jaar 2010 heeft zeker voordelen, maar heeft er iemand wel eens goed over nagedacht wat op lange termijn de consequenties zijn van het afschaffen van dienstplicht en het bij de voornaam mogen noemen van de leraar? Wat is dat voor een onzin dat je voor je 18e ook een mening mag spuien zeg! Ja, het is echt onzin. Dat kan ik ook bewijzen dat het onzin is. Denk alleen maar aan de mening die u zelf had toen u 18 was en u weet nu dat het onzin was en dat u beter uw mond had kunnen houden.

Nou ja, het verwende jochie meende ook dat de mensen die nu nog een abonnement op de krant hadden, wel snel zouden uitsterven en dat we dan wel van  dat ouderwetse en onbetekenende medium af zijn. En ik moet hem zelfs nageven dat hij het met zo’n stelligheid zei, dat ik heel even aan het tegendeel twijfelde. Ik ben best geduldig maar ik zie ook op tijd wanneer iemand een bats voor z’n bek nodig heeft. Tafeldame Pauline Cornelisse was het met mij eens, dat merkte ik aan haar licht verontwaardigde tegenargumenten. En Matthijs, die volgens mij toch een groot deel van zijn carrière bij de krant heeft rondgehangen, moet deze opmerking toch pijn gedaan hebben. Maar nu weet ik een karaktereigenschap van Matthijs. Matthijs bewaart zijn zelfbeheersing. Matthijs kan absorberen. Matthijs gaat vrolijk verder en de wereld draait door.

Herrie

Ik ben niet zo’n luidruchtig persoon. De luidrucht is mij stelselmatig afgeleerd in mijn jeugd. Op mijn tenen de trap op, en zachtjes met de deuren. Het nadeel ervan is wel dat je je ergert aan mensen die als een olifant de trap op lopen of een deur dicht smijten met een rotklap. Of aan mensen die keihard praten als je zit te werken. Mijn collega (lekker onbekommerd roddelen hier) belt altijd met het doveninstituut. Als zij aan de telefoon zit, kan ik mijn eigen gedachten niet meer verstaan. Het irriteert me mateloos, want ik word ook een dagje ouder. Waarom doen ze dat, die hardpraters? Het zijn ook altijd gesprekken van niks. Ze zeggen tien keer hetzelfde en ze praten met een zakelijk accent. Zo praten ze normaal nooit. En in elk gesprek hoor je dezelfde one-liners. Waarom regelen ze hun zaakjes niet via e-mail? Toch veel handiger als je steeds dezelfde dingen zegt? Een kwestie van knippen en plakken lijkt me. Veel geschreeuw en weinig wol is niet zomaar een gezegde hoor. Ik weet zeker dat er een causaal verband is tussen iemands intelligentie en zijn luidruchtigheid.