We, Tammar en ik, moesten even wachten in de rij voor de bootjes in de Julianatoren. Voor mij stond een luidruchtige man. Ik sloeg er niet echt acht op, totdat ik me afvroeg waar ik dat accent van kende. Ineens zei hij luid: “dat moet je hem eens in z’n gezicht zeggen!” Het ging over mij. Zijn zoontje had mij aangewezen als slachtoffer om met z’n allen aan te vallen op het water. De bootjes konden water spuiten. Ik hoorde het mannetje aan en vroeg of hij wel goed kon zwemmen. De vader liet een bulderend gelach horen. Zijn vrouw kwam aanlopen en toen wist ik het: woonwagenbewoners.
Op het water werden wij inderdaad aangevallen door de bende. De mannetjes spoten ons nat. En onze boot was net gerepareerd, maar toch haperde de spuit soms. Maar met mijn hand in het water gooide ik een enorme plens water over een van de ventjes. Vanaf de kant begon een moeder hysterisch te gillen: “Hee, hij speelt vals,” en zij begon ons vanaf de kant te belagen op de zelfde manier. De andere mensen in de rij vonden het wel vermakelijk. Toen ik een ander ventje volplensde begon hij te huilen. Dat vind ik dan flauw, om als kamper te gaan huilen terwijl je halve familie aan de kant staat. “Pak, hem!” riepen ze aan de kant. Een andere vent riep me toe dat ze één grote familie waren. Ik antwoordde hem dat ik dat al gezien had. De vader in de boot zat nog steeds te lachen. Ach, het is maar water, zei hij tegen z’n zoontje dat wraak wilde nemen en vroeg of z’n vader mij in het water wilde gooien. Op de kant gaf ik het mannetje dat gehuild had even een vriendschappelijk tikje op zijn hoofd en vroeg of hij erg nat was geworden. Hij lachte alweer. Apart volk.
