De samenlevingsbijdrage

Beste Jan-Kees,

Niet geheel conform de normale gang van zaken, richt ik me even rechtstreeks tot jou en sla ik die pief die je aan het hoofd van de belastingdienst hebt gesteld even over. Want met hem gaan we de oorlog niet winnen, dat begrijp je zelf ook wel.

Ik weet hoe jij je altijd hebt ingezet om achterstallige belastingen te innen, vooral van vermogende mensen die hun overtollige middelen tijdelijk op de Paaseilanden hadden gestald, omdat ze het erg moeilijk hadden met de nieuwe regels en door de bomen het bos niet meer zagen.
Vanochtend, tijdens het dichtknopen van mijn overhemd, dacht ik eens na over wat die mensen beweegt om hun vermogens te verzwijgen. Hierbij zag ik het gezicht voor me van de plaatselijke fietsenmaker, die mij laatst een tweedehands rijwiel verkocht zonder een factuur uit te schrijven. Ik wist gelijk hoe laat het was, ik geef je straks zijn BSN-nummer door, en dacht: hij snapt het niet.

Dat is gewoon wat er aan schort, Jan-Kees. Ze snappen het niet. Ze denken, belasting, bah, vies, gemeen, laag, duister. Dat is hun associatie. Daar ligt het aan, Jan-Kees, de verkeerde associatie. En toen had ik het ineens. We gaan het woord belasting schrappen uit de boeken. We maken er samenlevingsbijdrage van. Tjakaa! Kijk, samenlevingsbijdrage, dan denken de mensen: Oh! Goed. Rechtvaardig! Bijdragen aan een betere wereld, opkomen voor de zwakkeren, aanpakken van de maatschappelijke problemen. Voel je het verschil, Jan-Kees? Die eerste emotie is anders! De vermogende medemens zal zich voortaan bezwaard voelen zijn samenlevingsbijdrage achter te houden ter verrijking van zichzelf. Hij zal ineens begrijpen dat als hij zijn bijdrage niet betaalt, dat dan degenen met de lagere inkomens opdraaien voor zijn wangedrag. Hij zal voortaan huilend opbiechten dat hij een slecht mens is geweest, maar dat hij zijn leven gaat beteren. Zo simpel Jan-Kees. Er verandert in feite niets, maar er gaat een nieuwe wereld open.

Ik bel je vanavond, dan hebben we het er nog even over.

Groeten,
Mack.

P.S. Het seminar van Emile Ratelband vorige week was erg interessant. Veel van opgestoken.

Laten we er niet omheen draaien.

Het is 1978 ongeveer en ik moet naar bed. Hoe laat zal het zijn, ik denk een uur of acht. Ik zit in mijn pyjama, mijn broertje en zusje liggen al, en ik ga naar boven. Maar voor ik dat doe, kus ik mijn vader en moeder weltrusten. Een vast ritueel.

Mijn vader had angst dat ik homofiel zou worden. Dat was een hele gewone angst in die tijd. Dus in 1979 vond hij mij te oud en wilde hij niet meer dat ik hem kuste. Hij hield niks minder van mij, maar zo ging dat. Dus wat deed ik? Ik kuste mijn moeder en mijn vader kreeg een handje. Belachelijk hè? Je gaat je vader toch geen handje geven als je naar bed gaat? Ik heb dat toch wel redelijk lang volgehouden. Maar ja, dat had hij dan ook zelf in de hand gewerkt. Maar goed, in die tijd was er nog niet zoveel bekend over homofielen. Ze kwamen in het vagevuur, dat was het idee. Daar wilde hij me gewoon voor behoeden.

Tegenwoordig weet de wetenschap wel dat homofielen geboren worden en niet gemaakt. Net als alle andere kinderen geboren worden en niet gemaakt. Ja, je hebt wel mensen die zeggen dat ze kindjes gaan maken, maar ik vind dat een hele smerige uitdrukking. Een homofiel zul je zoiets ook nooit horen zeggen. Dat zijn gewoon keurig nette mensen, die alleen wat meer talent hebben om in jury’s plaats te nemen dan de gemiddelde man.

Nee, ik heb niks tegen homofielen. Ik ben bij de Welkoop geweest, heb het bij het tuincentrum gevraagd, maar nee, nergens hadden ze iets tegen homofielen. Nou ja, dan zal het ook wel niet zo’n vaart lopen. Alhoewel: er schijnt zo’n 11 procent van de bevolking homoseksueel te zijn. 11 procent! Die willen allemaal graag een partner, dus dat is nog eens 11 procent. Waarschijnlijk is het bij vrouwen al niet anders en kom je al gauw op zo’n 44 procent van de bevolking. En dat zijn dan nog maar uiterst voorzichtige schattingen. Natuurlijk, er bekeert er zich wel eens een tot het heterodom, maar ook het omgekeerde komt voor. Het heterodom bekeert zich tot homo. En dan kan het snel gaan met die percentages.

Nee, ik heb niks tegen homo’s. Hoe meer hoe beter. Alhoewel, dat meen ik ook weer niet helemaal, want er zijn grenzen. Ik vind dat de grens moet liggen bij 99 procent. Want als iedereen er ineens omheen draait, wordt het wel érg lastig kandidaten te zoeken voor al die juryleden.

Onherkenbaar.

Zo trotseer ik de ijzige koude op de toendra’s van de Veluwe. Een regenpak houdt wind en sneeuw buiten, een muts zorgt dat er geen warmte het lichaam verlaat via mijn open dak, terwijl de sjaal er juist voor zorgt dat er geen kou inkomt via mond en neus. Ski-ondergoed kan ik iedereen aanraden, want niemand ziet dat je het draagt en je kunt opschepperig zonder jas even naar buiten lopen zonder dat je het koud krijgt. Over mijn schoenen draag ik hoesjes zodat ik geen koude voeten krijg en handschoenen zorgen ervoor dat ik geen vingerafdrukken achterlaat. Want je wilt natuurlijk niet traceerbaar zijn als je zo over straat gaat.

Toeval

Ik wilde indruk maken op mijn kinderen met mijn indoor-voetbalkwaliteiten en passeerde er twee, plus mijn neefje, tegelijk in de keuken. Een openstaande deurtje van de keukenkast was één tegenstander te veel en ik liep er met een rotklap tegenaan. Ik greep naar m’n hoofd en bleef zo een tijdje staan. Mijn schoonzus schoot te hulp met een natte doek. Ik was ernstig gewond, misschien wel hersenletsel, zo was de diagnose. En de kastdeur was zwaar ontzet. Na een minuutje volgde er toch positief nieuws. Met de kastdeur was niets aan de hand. Toen de lap werd verwijderd nog meer positief nieuws, slechts een schram, waarschijnlijk geen hersenletsel.

Voortaan toch maar een helm op tijdens het voetbal. Want je zult het altijd zien, precies op dat piepkleine inhammetje wat ik heb, wat eigenlijk die naam niet eens mag hebben, juist daar waar mijn hoofd niet wordt beschermd door mijn weelderige haardos, ja juist daar boort zich dan een hoek van een kastdeur in mijn hoofd. Het is een te verwaarlozen kans, maar hij sloeg toch toe.

En waar eindigt het weer mee?

Ondanks dat ik vrij heb, werd ik vandaag toch geacht op een kerstlunch te verschijnen. Het motregende, maar ja, ik heb nu naast mijn regenpak ook schoenenhoesjes. Met de capuchon strak over mijn hoofd getrokken is het alleen bij de poort van de tuin even uitkijken of niemand je ziet, als je eenmaal vijftig meter weg bent, ben je volslagen onherkenbaar. Ik vind het wel wat hebben, incognito en in waterdichte outfit door de regen. Op mijn werk hadden ze medelijden met mij, maar waarvoor? Nooit in mijn leven was ik zo droog als toen ik op mijn werk arriveerde.

De kerstlunch wordt steevast verzorgd door iemand die bij een kookclub zit. Alle gangen en wijnen zijn op elkaar afgestemd en bij elke gang volgt een uitleg. Het begon met everzwijnpaté op roggebrood, met een stukje eendenborst en een glaasje waar ik nog nooit van had gehoord, maar het klonk als kiwi. Toen een rivierkreeftsoep met iets op een bedje van iets. Daarna een krabcake. Als hoofdgerecht kwartel met een groentebonbon. En als toetje, pardon, dessert, een Franse woord maar het leek op ijs en er zaten tien eieren door. De wijn was rood en wit, ook heel apart.

Gelukkig keerde het gewone leven vanavond weer terug en we keken naar Roué Verveer. Het was dezelfde show die we eerder dit jaar in het theater hadden gezien, dus ik wist al wat er kwam. Welnu, dat maakt niks uit. Weer op precies hetzelfde moment als toen zat ik naar adem te happen van het lachen. Ik zag niks meer door m’n tranen heen en ik was blij dat hij op een ander onderwerp over ging. Dat is echt uiterst zeldzaam en gebeurt eigenlijk alleen als iemand waarvan je het niet verwacht gaat zitten vertellen wat er gebeurde toen hij op een bepaald moment een scheet liet. Precies wat Roué aan het vertellen was. Zoals hij zelf zei: het geluid van pprrr zit rechtstreeks aangesloten op de lachspieren van de man.

Niet dat het ooit gebeurd is maar als ik in bed een wind zou laten, stel even hè, dan zou Linda niet reageren, en ik zou gewoon doorgaan met lezen, maar na tien seconden zou zij aan het schudden van het matras voelen dat ik in stilte schaterlachte. Dat denk ik tenminste, dat het zo zou gaan.

34/34

Mensen, ik moet u wat opbiechten. Ik ben bang dat ik de afgelopen jaren een iets te grote broek heb aangetrokken. Dat zit zo. De broeken van tegenwoordig zijn niet meer wat ze vroeger waren. Ze knellen of ze slobberen, maar passen doen ze niet meer. Zo komt het dat mijn laatste paar spijkerbroeken, of wat daar tegenwoordig allemaal onder valt, de maat 36/34 hadden. In de paskamer passen die, maar eenmaal thuis zakken ze van je kont af. Volgens de verkoper is dat niet erg en hoor je er een riem bij te dragen. Maar het is wel erg want je loopt de hele dag te hijsen. Soms even niet maar dan ben je blauw aangelopen omdat je riem te strak zat.

Vandaag liep ik een winkel binnen en vroeg iemand van het personeel mij bij te staan. Hij vroeg welke maat ik had. Ik zei, 36/34 maar ik wil wel een model dat niet steeds afzakt. Waarop hij zei dat ik 34/34 had. My kinda man! Hij vertelde dat hij een broek aan had waarmee hij twee weken niet kon fietsen omdat die ingefietst moest worden. En dat dat waarschijnlijk ook mijn probleem was. Hij smeerde mij twee 34/34-ers aan en ik moet zeggen dat ik tevreden ben. Je ziet nu weer dat ik kakimoe bagoes heb. Het blijft wel een broek van na 1998 dus als ik buk wordt het buiten donker, maar goed, kleinigheidjes hou je.

Zinloos.

Linda en ik kennen elkaar nu langer dan 10 jaar. Als je onze hersenscans van toen tegen die van nu zou afzetten, sorry het is de invloed van prof. Swaab, dan zou er volgens mij wat opvallen. Linda’s neuronen legden 10 jaar geleden vooral verbindingen van rechts naar links, en de mijne van links naar rechts. In die tien jaar zijn we erg naar elkaar toegegroeid. Mijn neuronen gaan nu ook van rechts naar links.

Je kunt het ook duidelijk aan m’n ogen zien. Ik heb nu een ijskoude blik, en ik zeg onverschillige dingen. You talk the talk, but do you walk the walk? Ik bedoel maar. Dat zou ik vroeger nooit gezegd hebben. Ook mijn muzieksmaak is veranderd. De onuitputtelijke basis van alles -Elvis- is gebleven, maar waar ik vroeger meer richting Carpenters ging, ga ik nu meer naar death metal. Heeft u de laatste van Napalm Death al gehoord?

Ja, ik moet oppassen dat ik niet té onverschillig word, want dingen moeten er wel toe blijven doen natuurlijk. Niet dat ik hier straks ga verkondigen dat het leven toeval, en het bestaan zinloos is. Welnee. Je bent er nu eenmaal, en het heeft geen enkele zin om dat zinloos te gaan zitten vinden. Want ja, wat schiet je nu helemaal op, met die beslissing? Helemaal niks, want in een zinloos bestaan kun je per definitie niet opschieten. Bovendien is het een beetje respectloos naar de evolutie. Want de evolutie heeft er toch heel wat langer over gedaan dan God, om tot hetzelfde resultaat te komen. Bovendien is de evolutie nog lang niet klaar. Zij zal dan ook zwaar beledigd zijn, als haar levenswerk zinloos gevonden werd. Ik zet dus nog een plaatje van the Carpenters op.
http://www.youtube.com/watch?v=-A3TuZ75iBw&feature=related

Het zijn altijd jongens

Ik heb denk ik één of twee jaren gehad dat ik de vuurwerkkoorts had. De vuurwerkkoorts heb je als je op andere dagen dan 31 december de onbedwingbare behoefte hebt om rotjes te knallen. Ik kocht toen voor een vermogen, misschien wel dertig gulden, rotjes. Ik herinner me wel dat ik het had, maar het gevoel herinner ik me niet. Het is een typische jongenskwaal. Sommige jongens genezen, anderen hebben het op hoge leeftijd nog. Hoe harder de knal, hoe beter. En hoe groter de impact van de ontploffing, hoe meer dopamine er in de hersenen wordt aangemaakt.

Ik koop al jaren geen vuurwerk meer. Van mij mag het allemaal ontploffen. Ik heb al mijn vingers nog en daar hecht ik aan. Maar de eerlijkheid gebiedt mij wel te zeggen dat ik soms nog wel van vuurwerk kan genieten. Als een mafkees het afsteekt bijvoorbeeld.

http://www.youtube.com/watch?v=oG8fXcWbVwA&feature=related

Held

Een “collega” (geen echte) neemt altijd de telefoon op met “lieverd”. Tenminste, als het zijn vrouw is. Ikzelf zeg altijd “hoi” als het Linda is, maar mijn collega’s wilden weten welke koosnaampjes ik gebruik. Ik kan daar kort over zijn, geen. Gewoon Linda. Linda wil mij nog wel eens iets noemen, afhankelijk van haar bui, maar als ze Mack zegt is er meestal iets aan de hand. Gelukkig noemt ze me nooit Mack.

De lieverdzegger is een metroman met een gladde schedel, en een vrij onzeker type dat zijn onzekerheid overschreeuwt. Dat moet hij natuurlijk geheel zelf weten, maar ik deel zijn verhalen altijd maar door twee. En soms wijs ik hem op een onvolkomenheid in zijn relaas, waar hij zich altijd weer uit weet te redden. Hij is ook duidelijk de man in huis. Zijn vrouw is de afhankelijke die allang niet meer in leven zou zijn zonder zijn wijze raad. Hij vertelde vandaag in de pauze -elke dag heeft hij wel iets- dat er tijdens de zwangerschap van zijn vrouw een wespennest in de tuin zat, en dat hij tegen zijn vrouw zei: alles goed en wel, maar jij gaat in de voorkamer slapen in jouw zwangere toestand. Hij redde haar en de ongeborene dus van een eventuele wespensteek. Zijn vrouw gehoorzaamt hem. Als ik het op die manier zou brengen zou Linda juist expres in de achterkamer gaan slapen. Met het raam open en fles ranja op haar nachtkastje.

U leest het waarschijnlijk wel tussen de regels door; ik ben jaloers. Ik wou dat ik mijn vrouw zo afgericht had dat ik dit soort epen over de lunchtafel kon blazen. Maar nee, dat is niet zo. Bij ons zijn we gelijkwaardig, zolang we tenminste geen meningsverschillen hebben.

Als de pauze voorbij is haalt een andere collega altijd koffie. Hij zegt dan: “ik zal ook even koffie voor die kale halen, want die zal wel een droge bek gekregen hebben van al die sterke verhalen.”

Strikt genomen ben ik er één.

Tja, wat kan ik hierover melden? Het is mijn zwager en mede-Elvisfan, en we kunnen het goed vinden. Nee, dat is zwak uitgedrukt, wij houden van elkaar, dat zie je zo. Wij hebben elkaar ook nodig in de strijd tegen twee kooplustige zussen, die ons nog wel eens van homofilie beschuldigen, maar dat is zonder dat zij de betekenis van het woord kennen. Want homofilie betekent vriendschap met een persoon van je eigen geslacht en moet dus niet verward worden met homosexueel of met platonische homo. Tenminste, volgens Wikipedia. Tijdens een motorweekend deelden we het bed, zonder elkaars temperatuur op te nemen. Hij links, ik rechts. We zongen Blue Christmas van Elvis. Ik deed de leadvocals, hij de backingvocals. Omdat hij nu eenmaal hoger komt. ’s Ochtends speelden we trompet. Ach ja, zwagers…je krijgt ze erbij.