Opening

Er werd vandaag min of meer van mij verwacht dat ik bij de opening van een winkel in Den Haag zou zijn. Niet omdat ik een bekende Nederlander ben, maar als vulling. Nou, ik geef het je te doen, in 35 graden naar zo'n stinkstad rijden. En er naartoe gaat nog wel, maar erin rijden en je weg zoeken, dat is het ergste.

Gelukkig zie ik wel dat als ik in Den Haag loop dat ik gewoon nog een provinciaal ben. De mensen daar zijn minimaal vijftig jaar verder in hun geestelijke ontwikkeling dan ik. En die kleren die ik aan had zeg, belachelijk. Dat kan echt niet meer hoor.

Ik vraag me trouwens wel af, zo'n opening waar is dat nu voor nodig? Gooi gewoon op maandagochtend je winkel open en klaar zeg. Verplicht gedoe allemaal. Nee, nu moet je daar staan tussen collega-vullingen, met een zielig glaasje jus d' orange in je hand een beetje geïnteressseerd staan doen…Soms vraag ik me echt af waarom ik mee doe aan dat commerciële geleuter. Ah, ik weet het alweer, omdat ik niet financieel onafhankelijk ben. Anders had ik gezegd: "steek het maar mooi in je opening."

Predestinatie

Een collega met wie ik vaak tussen de middag een rondje loop is Elspeets gereformeerd. En daar is hij niks minder om, maar ook niks meer. Hij bidt voor het eten en hij is de tweede van de zwarte kousenkerk waarmee ik goed kan opschieten. Hij heeft thuis geen televisie -wel een Johannus kerkorgel- maar hij heeft wel vaak de wedstrijden van het wk gezien. Sommigen zullen dit hypocriet vinden maar ik vind dat niet. Ik ben rooms-katholiek en ik mag wel tv kijken. Is een gereformeerde soms belangrijker dan een katholiek omdat hij géén televisie mag kijken? Ik dacht het niet. Mijn collega is gewoon solidair.

Echter, komende WK-finale is op zondag. En die gaat hij niet kijken omdat hij dat een stapje te ver vond gaan. Tijdens het wandelrondje haalde ik het onderwerp aan. Waarom hij geen tv mocht kijken op zondag, vroeg ik hem. Zijn antwoord was dat je op zondag met God bezig moest zijn en voetballen hoorde daar niet bij. Best begrijpelijk, maar ik ben het er niet mee eens. Ik denk zelf dat Jezus, had hij in deze tijd geleefd, ook de WK finale bekeken had. Niet dat ik dat tegen hem zeg, want ik wil hem niet onnodig kwetsen. Maar ik vroeg hem of hij de WK-finale wel graag had willen zien. Hij bekende dat dat het geval was.

Even later vroeg ik hem of hij in hoeverre hij geloofde dat alles voorbestemd was. Na enige aarzeling zei hij dat hij geloofde dat alles door God gestuurd werd. "Maar als dat zo is, kun jij zondagavond best de WK-finale kijken," zei ik hem. Hij vond het een lastig onderwerp waar hij zelf ook niet goed uitkwam. Even later kwam een blonde meid in een zomerjurkje ons tegemoet lopen. Vlak voor ons sloeg ze af en ik keek haar even na. "Ja, de schepping is mooi," zei ik. Hij beaamde het.

Het emancipatiesprookje

Ik wist vroeger zeker dat ik met een Javaanse schone zou trouwen die elke dag Indisch eten voor mij zou koken. Zo'n lieve en onderdanige vrouw, dat was mijn droom. En ik zou haar held zijn omdat ik nu eenmaal de meest begeerlijke man van het hele land was.

En hij leefde nog lang en gelukkig. Zo had ik dit logje al kunnen eindigen en dan was het al briljant geweest. Maar er komt nog meer. Want hoe kom ik hier nu op? Wel, ik bracht het oud papier naar de weg. Ik moest wat stapels overhevelen van de papierkrat naar een kartonnen doos en ineens viel mijn oog op het volgende gedichtje: "Lieve papa, vandaag is de dag dat…blablabla…en jij bent mijn allerbeste vriend. Hans." Wel soodejuu. Heeft Linda gewoon mijn vaderdagvers van Hans bij het oud papier gegooid! En ook nog wat met liefde gemaakte tekeningen van mijn beide nazaten. Onvergeeflijk! Maar ja, Linda was er op dat moment even niet dus ik kon haar niet voor de bek batsen. Niet dat ik dat wel gedaan zou hebben als ze er wel was, maar ik zou zeker wel gezegd hebben dat ik haar voor de bek zou batsen. En dan zou zij zeggen: "Jij en wie?" En dan zou ik zeggen: Mo'k soms bie oe komm'n? " En dan zou zij zeggen:"Je kunt nu wel klagen, maar als jij dat vers nú niet gezien had, had je er nooooooit meer om gevraagd." En dan zou ik zeggen: "Wel waar! Je gaat toch geen vaderdagversjes van je kinderen weggooien!" En dan zij weer: "Nou, als jij het zo belangrijk had gevonden dan had je het zelf moeten opruimen. Bij ál die andere tekeningen en versjes van je kinderen die je bewaard hebt! En dan had je die foto's en knutseltjes die ze op school gemaakt hebben ook wel een keer opgehangen. Maar dat doe jij ook niet! Zo belangrijk vind jij het. En ondertussen wel van mij verwachten dat ik dat allemaal wel doe! Dan had je een onderdanige Javaanse schone moeten trouwen, dan was je dat misschien gelukt."

En ja, zo gaat het altijd hier. Ik verlies alle discussies. En deze discussie is zelfs helemaal niet gevoerd en ik verlies hem al. Linda weet niet eens dat ik dat vaderdagversje bij het oud papier zag liggen. Dat weet ze pas als ze dit leest. Nou ja, in elk geval is een gedeelte van mijn droom wel uitgekomen. Linda's moeder is op Java geboren. Weliswaar als rasechte Nederlandse maar toch..

Een lichte Oranje-ergernis.

Ook tijdens het WK moeten er zaken zijn waar je je aan kunt ergeren, want daar wordt het gevoel van euforie over het bereiken van de finale alleen maar groter van. Het was eigenlijk niet eens een echte ergenis maar de gedachte aan een onverschillig schouderophaalgebaar toen ik een muts op de radio hoorde over de prijzen van reclamespotjes tijdens de rust van de WK-finale. Hoeveel kost dat dan voor 30 seconden, mevrouw? "Nou, € 113.000,- maar het levert ook heel veel geld op," zei de mevrouw. "Bedrijven zien het echt als een investering."

Ja, natuurlijk levert het geld op, maar niemand weet hoeveel. Bedrijven die het als een investering zien worden ook maar geleid door een commercieel onbenul dat niet gehinderd wordt door enig bedrijfseconomisch inzicht. Slechts uit angst om buiten de boot te vallen worden zulke bedragen voor reclamespotjes betaald. Want reclame helpt, al weet niemand hoeveel.

En eigenlijk moeten ze het ook helemaal zelf weten, die bedrijven die hun geld rechtstreeks naar de staatskas brengen. Prima idee. Maar laat ze het een keer 's nachts doen, als iedereen slaapt. Waarom denken bedrijven dat mensen het leuk vinden als zij zich met de WK-finale bemoeien? Irritant is het, bovendien kijkt niemand ernaar omdat iedereen naar de wc gaat, en degene die het wel ziet, ergert zich kapot (in 1978 werd het kwartier nog volgemaakt door een presentator die vragen stelde aan iemand die er verstand van had en die de mening was toegedaan dat Nederland ging winnen, dáár hebben wij Oranjesupporters in zo'n zinderend spannend kwartiertje nou behoefte aan) en koopt nooit meer een produkt van het bemoeizuchtige merk. Toch, mevrouw?

"Nee," zei de mevrouw. "Wij hebben onderzocht dat tijdens de rust maar een heel klein percentage naar het toilet gaat en dat de rest vooral benieuwd is naar de speciale oranjespotjes die bedrijven gemaakt hebben." Oh. Ja, dan ben je uitgeluld natuurlijk. Nou ja, dan wens ik iedereen veel plezier met de oranjespotjes tijdens de finale. Eigenlijk jammer dat ze die finale er omheen uitzenden. Dat leidt alleen maar af.

Opgedroogde tranen

Ik was acht jaar op 25 juni 1978 en ik mocht van mijn ouders opblijven om de finale van het WK 1978 tussen Nederland en Argentinië te zien. Ik had mijn pyama al aan en ik had Ruud Krol de dag ervoor nog horen zeggen dat we ons geen zorgen moesten maken en dat hij morgen met de cup in zijn handen zou staan. Het precieze verloop van de wedstrijd weet ik niet meer, maar er was een moment dat ik God bad om een doelpunt. Het doelpunt kwam er niet en Nederland verloor de finale.

Later hoorde ik pas dat Nederland vier jaar daarvoor ook al tot in de finale was doorgedrongen en dat we als voetballand internationaal meetelden. Ik was trots op Nederland, en dat kon toen nog gewoon. Daarna werd het heel lang niks meer met het Nederlands elftal, al was het slechts tien jaar later dat Nederland het EK won. Echter, toen was ik geen jongetje meer maar een verlate puber, en die tien jaar verschil voelden als een ver verleden. Ik had ook een heel ander leven. Een feestbeest ben ik nooit geworden en dat zal ik ook nooit worden. Maar ik voel weer iets van de trots die ik had toen ik een jongetje van acht was. Mocht Nederland de finale winnen zal ik heel blij zijn, maar ik zal er ingetogener en veel langer van genieten dan alleen de avond van de finale. Ik zal er jaren op kunnen teren. Over vijf jaar zal ik op vakantie nog met een Fransman bespreken dat wij in 2010 wereldkampioen werden. En hij zal dan zeggen dat zij in 1998 wereldkampioen werden en hij en ik zullen vrienden zijn.

Het bereiken van de finale roept gevoelens uit een ver verleden op. Het zijn de opgedroogde tranen van 1978 die weer een beetje nat worden. Ik vier geen feest, maar oh, wat vind ik dit geweldig. Diep respect voor Bert van Marwijk. Niet alleen voor het bereiken van de finale, maar voor zijn schoenveters die strak zitten en voor zijn ingehouden maar zichtbare emotie. Een verademing. Nog eentje, meneer van Marwijk!

Frisbieren

Ik ben nu echt aanbeland in het stadium van: “oh, wat hebben wij leuke kinderen.” Ik ga tegenwoordig ’s avonds even frisbieren met Hans en Tammar, want dat vind ik nu eenmaal leuk, even ravotten met mijn kroost vóór op het veldje. Want oh oh, wat heb ik leuke kinderen! Oké, de helft van de tijd ben je ze aan het corrigeren omdat Hans met een verongelijkt gezicht en een pruillip in staking gaat, en Tammar die bovengemiddeld veel interesse heeft in voortuinen met kiezelsteentjes omdat je daar lekker mee kunt gooien, maar ik blijf een trotse papa.

Helaas, helaas, elke avond komt het driekoppig adderengebroed van de overburen naar buiten. Drie onnozele witkoppen met peenhaar. De jongste is net anderhalf en spuuglelijk. En hij kraamt alleen maar “huss huss” uit. En de oudste is de grootste betweter van het westelijk halfrond. De middelste is constant de klos omdat de oudste hem aftroeft.

“Hans, ik doe mee, ” roept de oudste. De tweede roept een octaaf hoger: “Hans, ik doe ook mee.” De jongste roept: “huss huss.” Ik grijp nog even in door te zeggen dat Hans en ik bepalen wie er mee doet, en dat er alleen kinderen mee mogen doen die dat fatsoenlijk vragen. “Nee hoor,” roept de oudste, “je mag altijd overal aan meedoen.” Ik zeg hem dat hij het fatsoenlijk moet vragen maar hij herhaalt zijn argument en gaat klaar staan. Ik gooi de frisbier naar Hans en zeg het kereltje dat ik het leuk vind dat hij meedoet, maar dat zolang hij het niet gevraagd heeft, hij geen frisbier toegeworpen krijgt. Daar heeft het betwetertje niet van terug en vraagt of hij mee mag doen. “Ja, tuurlijk joh, doe gezellig mee!” En dan barst de hel los. De twee broertjes rennen achter elke frisbier aan en proberen hem als eerste te pakken. Met z’n tweeën rukken ze aan het ding en jammeren allebei dat ze hem het eerst hadden. Ik zeg de oudste dat zijn broertje hem het eerst had, want ik zag het. “Niet, want ik had mijn voet er het eerst op!” Even later betrap ik mezelf erop dat ik de frisbier op mijn hardst richting het betwetertje gooi, in de hoop dat die tussen zijn tanden belandt. Ook niet helemaal eerlijk. Gelukkig raak ik hem niet.

Kortom, het frisbieren met mijn eigen geweldig mooie kinderen wordt mij onmogelijk gemaakt. De kleinste witkop brengt al het speelgoed wat hij in onze voortuin ziet staan naar het grasveldje zonder duidelijk doel. Ik leg het terug maar het mannetje begint te protesteren en wil alles direct weer uit onze voortuin halen. Ik grijp hem bij beide armpjes en til hem naar de overkant van het veldje. “Hier moet je zijn, mormel,” fluister ik hem toe. Dat optillen vond hij wel grappig. “Huss Huss.”

Ik besluit Tammar onder de douche te gaan zetten en zeg Hans dat hij nog even mag spelen totdat ik hem kom halen. Tammar met haar haartjes nat en met de douchekop in haar handjes is een stuk mooier dan die drie witkwasten bij elkaar. En even later als ik Hans binnenhaal en ik zet hem onder de douche, met zijn gespierde lijfje dat al helemaal bruin verbrand is denk ik: “Oh, oh, wat hebben wij mooie kinderen.”

Rumble in the jungle

Van de week keek ik de film Ali en miste ik Million Dollar baby. Ik had ze beiden al eens gezien maar vooral de laatste vond ik geweldig. Maar Ali was ook super. Grappenmaker Wil Smith in de serieuze rol van Muhammed Ali de bokslegende. In de film wordt naar de climax van het beroemde gevecht tussen Ali en Foreman, dat plaats vond in Zaire, toegewerkt. In het gevecht laat Ali zich ronde na ronde in de touwen (rope a dope) drijven door Foreman, die zijn energie verbruikte op de verdediging van Ali. Ali provoceert Foreman constant door hem aan te moedigen harder te slaan. In ronde acht ziet Ali zijn kans schoon en vloert Foreman met een links-rechtscombinatie.Rope-a-dope


Na afloop van de film zocht ik eens op youtube naar het betreffende gevecht. Want dat geprovoceer zou toch zeker wel verzonnen zijn om de film op te leuken? Nee hoor, precies zoals het ging. You hit like a Sissy, George. Hoe heroïsch kan sport nog zijn, anno 2010, als de allergrootste sporters in het verleden leefden?

Domme kracht

Wij hebben een zwembad in de tuin. Elk jaar een paar weken en dan laat ik hem weer leeg lopen. Het is best een joekel. Het opblazen is een heikel punt. Ik heb wel een elektrische pomp maar om één of andere reden gebruik ik die liever niet. Het ding maakt herrie en ook die doet er wel een uur over voordat beide compartimenten opgeblazen zijn. Gelukkig hebben we ook een handpomp. Zo’n redelijk modern ding met ook een zuigstand. Toen ik nog wat onwenning was heb ik eens een kwartier lang het zwembad op staan zuigen voordat ik in de gaten had dat de slang in het verkeerde gat zat.


Maar de pomp is krachtig en ik voel mij een gladiator met gestaalde spieren als ik het zwembad oppomp. Het is zwaar werk, het zweet loopt over mijn torso en bij elke op- en neergaande beweging spannen staalkabels van spieren zich. Al dat krachtige blanke vlees werkt samen om het doel te bereiken. Het moet wel een erotisch gezicht zijn.


De pomp heeft één nadeel. Hij blaast bij de opgaande slag en niet bij de neergaande slag zoals te doen gebruikelijk en zoals ik gewend ben van de fietspomp. Maar een kniesoor die daarop let. Een uur en liters zweet later is het zwembad hard opgeblazen. Ik ben trots op mijn haast Duits aandoende doorzettingsvermogen en op de door mij geleverde prestatie.


Maar aan al mijn geleverde prestaties zit een keerzijde. Deze keer was het een buurvrouw die net zo’n pomp had als wij met als enige verschil dat die lucht blies op de zowel de op- als neergaande beweging. Sodejuu. Ik ging lezen op onze eigen pomp en ook daarop stond dat hij op beide beweging lucht blies. Onze pomp was @@!#$$%$ kapot! Heb ik dat hele zwembad op staan blazen met een vijftig procent pomp! En mijn geduld hielp me deze keer ook na twee uur proberen niet om de pomp weer 100% te krijgen. Hans vroeg me daarna om een nietige krokodil op te pompen. Met de wetenschap dat de pomp kapot was lukte het me amper. Terwijl ik dat hele zwembad dat vijfhonderdmiljoen liter lucht meer bevat dan die krokodil onverstoorbaar oppompte. Stalen spieren is één maar onwetendheid is vele malen effectiever.

Sind wir da doch eingegartent!

Hoe Duitsland het toch elke keer weer flikt is mij een raadsel, maar op elk tournooi staan ze er weer en laten de wereld zien dat zij één van de topfavorieten voor de eindzege zijn. Altijd doen ze het weer, de Duitsers. Of je nu in de generatie van Beckenbauer, Rummenige, Matthäus of Ballack zit, het maakt gewoon niet uit. Er moet iets in de genen van Duitsers zitten dat ze boven zichzelf uit laat stijgen, en dat ze haast onoverwinnelijk maakt. Want de beste spelers ter wereld zijn het niet, zeker technisch niet geweldig maar wel krachtig, ze hebben het uithoudingsvermogen van een paard en ze hebben de wil om te winnen. En het zijn natuurlijk meesterprovocateurs.

En worden ze verslagen, dan is dat vaak door de latere wereldkampioen in een zwaar bevochten overwinning. En dat het in de genen zit, dat kan natuurlijk niet echt dus moet er iets anders zijn waardoor de Germaan zichzelf het gevoel kan geven dat hij onoverwinnelijk is en waardoor hij ook daadwerkelijk beter wordt dan hij is. Misschien staat er wel een verborgen passage in het 14e couplet van het volkslied dat de natie toeschreeuwt dat ze voetbal-ubermenschen zijn. Misschien wordt ze op school verteld dat Michael der Reuter een beroemd Duits admiraal was die de zeven wereldzeeën overheerste. Dat der Kristoffel Kolumbus uit Hamburg Amerika ontdekte. Dat Adolf Hitler een hele nare Oostenrijker was. Dat Duitsland zich in WOII moest verdedigen tegen wel 20 landen omdat die het allemaal tegelijk op hun mooie land voorzien hadden. Duitsland moet wel aanbeden worden door de rest van de wereld want waarom zouden alle Amerikaanse filmsterren anders Duits spreken? En Miami Vice is geïnspireerd op Derrick.

Tja, ik uit het nietige Nederland ben natuurlijk behoorlijk jaloers op het grote Duitsland en hun voetbalprestaties. Want weer zijn ze in de halve finales aanbeland. Maar dit keer zal het anders gaan. Want de Duitsers spelen werelds, om niet te zeggen: Nederlands. En Nederland speelt zakelijk, om niet te zeggen: Duits.

Ik voorspel een finale Nederland-Duitsland waarbij Duitsland gelijk na de aftrap de bal zeventien keer rond speelt en voordat er ook maar één Nederlander de bal geraakt heeft wordt Miroslav Klose in het Nederlands strafschopgebied ten val gebracht en krijgt Duitsland een penalty in de eerste minuut…

NED-BRA

Ik zag gisteren op tv een paar fragmenten uit de wedstrijd Nederland-Brazilië uit 1974, die door Nederland met 2-0 werd gewonnen. Wat vooral opviel was hoe keihard de wedstrijd was. Alleen Willem van Hanegem had in zijn eentje al zes rode kaarten moeten hebben. Maar wat nog meer opviel was de hardheid van de Brazilianen. Na elke tackle van Van Hanegem of Rensenbrink stonden ze gewoon weer op, en geloof me op mijn woord, Van Hanegem tackelde in 1974 veel harder dan de voetballers van nu. En hebt u die getackelden van nu wel eens gezien? Schreeuwen, liggen, omrollen, met de hand op de grasmat slaan van pijn, brancard erbij, en twee minuten later voetballen ze gewoon weer. Mijn conclusie: de effectieve speeltijd was  vroeger zeker tien minuten langer.