Liefhebberij

Nee, ik wil niet weer verzaken maar de omstandigheden noopten mij ertoe. Mooi woord hè, nopen? Ik wil wedden dat u dat nog niet eerder heeft gelezen in mijn logjes. Maar wat zijn de omstandigheden dan? Ik werd de afgelopen dagen in beslag genomen door een ander social media event. Hyves, Twitter, Facebook, Tieten.com? Nee, niets van dat alles. Het was Youtube. Verslavend tot en met. Je klikt op een filmpje en je krijgt gelijk weer tien andere aan het onderwerp gerelateerde filmpjes te zien. Dus ik heb weer allemaal jongetjes in snelle auto’s bekeken. Het begon met 200 km/u en het eindigde met 391 km/u.

Het zijn altijd mannen, met die auto’s. Voor sommigen is de auto een statussymbool en zij willen altijd het nieuwste model rijden. Je herkent ze aan hun ontevreden gezicht na verloop van een jaar van het leasecontract. Het nieuwe is er dan af en niemand toont nog interesse, maar ze moeten het contract nog drie jaar uitdienen. Als je ze iets vraagt over hun werk dan hebben ze geen idee, maar de afloopdatum van hun leasecontract kennen ze uit hun hoofd. Volgens mij zijn het ook geen loggers, leasers. En dan heb je nog de andere categorie. Dat zijn de liefhebbers die al hun geld spenderen aan hun auto. Zij voeren hem op, op verschillende manieren. Sommigen gebruiken lachgas, maar daar hou ik niet van. Dat zijn kortstondige krachtexplosies die duren tot je flesje op is. Nee, ik hou meer van gemonteerde turbo’s, of complete motortransplantaties. Maar het meest hou ik van een razendsnel origineel. Liefst met backfire.

Maar goed, ik wil u eigenlijk niet de dupe laten worden van mijn geyoutube, dus gaan we het nu niet over auto’s hebben. Nou ja, nog één ding dan. Linda heeft de airco in haar Nissan laten maken. Vlak voor de vakantie. Wat is ze toch een slimme meid. En ze was € 780,- goedkoper uit dan ik toen ik vorig jaar mijn airco liet maken. Maar goed, ik moet ook elke dag 7 kilometer naar mijn werk rijden, dus dan mag het.

De huidige generatie mannen

Over krap twee weken vertrekken we naar Zuid-Frankrijk. Dus dat wordt weer spannend op de heenreis. Om één of andere reden is mij na al die jaren niet gelukt om bij mijn wederhelft een onvoorwaardelijk vertrouwen in mijn kunnen te scheppen. Ik ben toch de man, dus ik weet van wegen, afstanden, mogelijke problemen en gevaren onderweg. Laatst vroeg ze hoever het was van Dijon naar onze eindbestemming, vlak bij Grenoble. Haar vader was erbij en die geldt bij haar wél als een autoriteit op de genoemde gebieden. De beste man is zijn hele leven internationaal vrachtwagenchauffeur geweest, dus hij weet uit zijn hoofd hoe wegen heten, en welke nummers bepaalde afslagen hebben. Maar goed, ik zei dat het 300 km was.

Even later werd het op de routeplanner nagekeken, dat steekt natuurlijk al, en ik hoor een diepe zucht. “Maar goed dat ik het even nakijk! 700 km!” Nou, dus echt niet hè? Ik vroeg of ze Dijon wel goed gespeld had. Nee dus. Ze had Dyon, en dat ligt inderdaad op 700 km afstand. Maar Dijon bleek op 302 km te liggen. Denk niet dat het helpt, dit gelijk. Omdat ik het ooit verpest heb op weg naar de Mont-Ventoux komt het vertrouwen nooit meer terug. Nee, ik zal ermee moeten leren leven. Mijn vader had het stukken makkelijker. Als hij zei dat iets zo was, dan werd dat aangenomen. Het werd niet eens nagezocht, het was gewoon zo. Het is een typisch tijdsverschijnsel. Misschien verduidelijkt dit ook mijn heimwee naar vroeger. Dit is ook de reden waarom ik tegen Tom-Tom’s ben. Als iedereen de weg kan vinden, waar blijf je dan als man? De huidige generatie mannen van mijn leeftijd heeft het zwaar. Nog opgevoed volgens het traditionele model, maar terechtgekomen in een totaal andere werkelijkheid.

De eerlijkheid gebiedt mij wel te zeggen dat ik wel eens vaker fout reed. Maar dat zijn de zenuwen om het fout te doen als mevrouw Mack naast mij zit. Vroeger reed ik nooit verkeerd. Ik snurkte vroeger niet eens! Ik bespreek dit probleem wel eens met andere mannen. Die geven mij het advies om op zo’n moment de auto te stoppen en te vragen om van plaats te wisselen. Maar dat zelf rijden is de laatste stuiptrekking van mijn mannelijkheid. Zou ik dat ook opgeven, heeft het leven geen zin meer.

Desondanks, we hebben er zin in! La France, ici-nous-venons!

Apart volk

We, Tammar en ik, moesten even wachten in de rij voor de bootjes in de Julianatoren. Voor mij stond een luidruchtige man. Ik sloeg er niet echt acht op, totdat ik me afvroeg waar ik dat accent van kende. Ineens zei hij luid: “dat moet je hem eens in z’n gezicht zeggen!” Het ging over mij. Zijn zoontje had mij aangewezen als slachtoffer om met z’n allen aan te vallen op het water. De bootjes konden water spuiten. Ik hoorde het mannetje aan en vroeg of hij wel goed kon zwemmen. De vader liet een bulderend gelach horen. Zijn vrouw kwam aanlopen en toen wist ik het: woonwagenbewoners.

Op het water werden wij inderdaad aangevallen door de bende. De mannetjes spoten ons nat. En onze boot was net gerepareerd, maar toch haperde de spuit soms. Maar met mijn hand in het water gooide ik een enorme plens water over een van de ventjes. Vanaf de kant begon een moeder hysterisch te gillen: “Hee, hij speelt vals,” en zij begon ons vanaf de kant te belagen op de zelfde manier. De andere mensen in de rij vonden het wel vermakelijk. Toen ik een ander ventje volplensde begon hij te huilen. Dat vind ik dan flauw, om als kamper te gaan huilen terwijl je halve familie aan de kant staat. “Pak, hem!” riepen ze aan de kant. Een andere vent riep me toe dat ze één grote familie waren. Ik antwoordde hem dat ik dat al gezien had. De vader in de boot zat nog steeds te lachen. Ach, het is maar water, zei hij tegen z’n zoontje dat wraak wilde nemen en vroeg of z’n vader mij in het water wilde gooien. Op de kant gaf ik het mannetje dat gehuild had even een vriendschappelijk tikje op zijn hoofd en vroeg of hij erg nat was geworden. Hij lachte alweer. Apart volk.

Heimwee

Heimwee, dat is een nare ziekte. Ik meen eens gelezen te hebben dat het pas ergens in de 19e eeuw voor het eerst werd geconstateerd door een psychiater. Iets met een soldaat die ziek werd en geen dokter die hem kon helpen. Hij werd depressief, viel af en kreeg ernstige lichamelijke klachten. Toen ze hem uiteindelijk op de trein naar huis zetten was hij halverwege de reis naar huis alweer volledig genezen. 93% van de Nederlanders schijnt er wel eens last van gehad te hebben. Ik heb er zelf niet zoveel last van, maar dat wil niet zeggen dat ik het niet zou hebben als ik ergens was waar ik niet weg zou kunnen.

Ik heb wel een ernstige vorm van heimwee naar vroeger. Maar ik weet niet of daar een woord voor is. Het is daarbij erg handig dat ik veel onthouden heb, zodat ik terug kan keren voordat ik ziek word. Aan de andere kant, zou ik die herinneringen niet hebben, had ik misschien ook geen “damalswee”. Soms kan ik een paar dagen wat somber gestemd zijn. Googleen naar tijden van weleer, ik kan me er een avond mee bezighouden. Dat helpt even, maar daarna wordt het alleen maar erger. Er is geen kruid tegen gewassen. Wat op zo’n moment helpt is lichamelijke inspanning. Liefst een wedstrijd. Die moet ik dan wel winnend afsluiten anders krijg ik weer last van het verloren-finalesyndroom. Op zo’n moment helpt alleen nog een schop onder mijn kont. Arschwee inderdaad.
Kortom, het is lang niet altijd gemakkelijk.

Met herinneringen is trouwens iets vreemds aan de hand. Met de mijne tenminste. Ik heb al vaker gemerkt dat ik een herinnering aan iets of iemand kan hebben, maar dat als ik dat iets of die iemand jaren later weer in gemoderniseerde versie tegenkom, het beeld van de oorspronkelijke herinnering vervaagt. Alsof je geheugen al die jaren zijn functie heeft vervuld, en nu weet dat het niet meer hoeft. Mij gedesillusioneerd achterlatend. Gelukkig keert het oorspronkelijke beeld ook altijd weer terug na verloop van tijd. Herinneringen, wees er zuinig op. Het zou wel eens het enige kunnen blijken wat een mens kan meenemen in zijn laatste jas.

Te huur

Mijn moeder werd op haar 38e ineens grijs. Of beter gezegd, wit. Nu had zij daar destijds ook alle reden toe, dus niemand nam het haar kwalijk en bovendien dachten sommigen dat ze haar haar blondeerde. Maar dat was niet zo. Nu ben ik 41 en de grijze haren komen er langzaam maar zeker door. Ik geef het nog een jaar of twee, en dan is het gebeurd. Alhoewel ik nog wel één hoop heb, want ik zag laatst een foto van mijn achterhoofd en constateerde dat het gedaan is met mijn kale plekje. Dus het is een wedstrijd tussen grijs en kaal. Het is triest mensen, het is triest.

Dus ja, nu het definitief voorbij is met mijn looks, ga ik me maar een beetje midlife gedragen denk ik. Dus dan gooi ik gewoon alle schroom van mij af en ga net doen of ik berust in de situatie. Alsof het leven ook nog harstikke fijn is als je bejaard bent. Oh, daar schoot ik ineens van midlife naar bejaard, dat is nu ook weer niet de bedoeling. Ik kan beter een voorbeeld nemen aan mijn opa van mijn vaders kant, dat is nooit een oude man geworden ondanks dat hij 91 werd. Bleef harlopen tot zijn ’80e en liep op de camping altijd in korte broek en groette alle Fransen met: messieurs-dames. Mijn andere opa, van moeders kant, aan wie ik mijn kaalheid te danken heb want verder komt het in mijn familie niet voor, bedankt nog, was ook altijd een charmante man, alleen zou die nooit in korte broek zijn gaan lopen. Die droeg altijd een stropdas en maakte grapjes. Dat deden ze trouwens allebei graag, mijn opa’s. De een wat subtieler dan de ander, maar scheetgrapjes deden het bij allebei goed. Da’s dan toch weer jammer. Daar hoef je bij mij niet mee aan te komen.

te huur

Goed, dan zet ik daar maar op in. Dat ik een charmante oude man word. Die graag een romantische foto van een verliefd stelletje verpest door er pontificaal voor te springen. U kunt mij huren.

De terugkeer van de bende.

Drie logjes geleden schreef ik met een omweg naar de boef over de film “Heat”. Tijdens de schietscène op straat zei ik nog tegen mevrouw Mack dat zoiets alleen in films gebeurt. Maar amper een week verder speelt de scène zich af in Nederland. Explosieven, automatische wapens, achtervolgingen, ontsnapt. Het zat er allemaal in. Hogeschoolcriminaliteit, noemde een politiewoordvoerder het. “Dank u,” antwoordde ik. Maar hogeschoolcriminaliteit of niet, ik denk dat de Bende van Nijvel terug is. Want waar heb ik dat ooit eerder gehoord, de politie opwachten en ze dan beschieten? Ergens begin 80-er jaren, in België. Dat is goed nieuws en slecht nieuws. Het slechte nieuws hoef ik niet uit te leggen maar het goede nieuws is dat de misdaden van de bende nu niet meer in 2015 verjaren, maar pas in 2041. En zo hoort het ook. Een zichzelf respecterende bende wil wel actief gezocht worden en wil niet hoeven teren op slechts verjaarde misdaden.

Willy Stähle

Ik keek “Andere Tijden” over Willy Stähle, een Nederlands wereldkampioene waterskiën van weleer, en destijds tevens een onwaarschijnlijk mooie meid. Na haar waterski-carrière liep ze in 1983 een dwarslaesie op bij een mislukte parachutesprong op vliegveld Teuge. Het ging daarna bergafwaarts met haar en in 2006 verdween ze uit het zicht van familie en vrienden. Het lukte een journalist haar op te sporen, maar Willy wilde niet meewerken aan een programma over of interview met haar. Ze leeft een kluizenaarsbestaan in Amsterdam. Uit respect voor zijn heldin van weleer besloot de journalist de kortstondige ontmoeting aan de deur niet in beeld te brengen. Hoe een leven kan verlopen.

http://s.nos.nl/swf/embed/nos_video_embed.swf?tcmid=tcm-5-985164

Beelden van zomers uit de jaren zeventig maken mij altijd weemoedig. In mijn jaren zeventig bestonden uitsluitend blije gezichten. 8 mm films lijken die indruk te bevestigen. Het leek een betere tijd. Het ratelen van de projector en het onscherpe, geluidloze beeld filtert alle ellende weg. Wat overblijft zijn blije gezichten en zomers, hete zomers.

Willy Stähle verdween in algehele anonimiteit. Haar buren hebben waarschijnlijk geen idee van wie ze was en vinden de aan rolstoel en huis gekluisterde vrouw misschien zonderling. Het is de vergankelijkheid van het leven, maar niet van de roem. Vergankelijke roem is voor B-artiesten en voor net-niet topsporters die na hun carrière elke gelegenheid aangrijpen om met hun gezicht op televisie te komen. Willy niet. Haar geval is triest, zonder de cynische ondertoon die het woord triest tegenwoordig heeft. Ik had nooit van haar gehoord, maar vanavond maakte ze een onuitwisbare indruk.

Veer

Het motregende en de lucht was grijs. Ik liep naar de auto omdat ik iets uit de bagageruimte moest hebben. Terwijl ik de klep open deed, vloog een reiger laag over. Hij verloor een veer. De veer draaide snelle rondjes maar bewoog zich langzaam naar beneden. Ik keek naar de veer en naar de reiger. Ook de reiger keek naar zijn zojuist geloste veer en even leek het erop dat hij met een ruime bocht zou keren om zijn veer terug te halen. Hij bedacht zich en vloog verder. De veer kwam langzaam mijn kant op. Als een precisiebom landde de veer een meter naast mij. Ik pakte de grote veer en zag de reiger in de verte verdwijnen.

De veer had mijn aandacht. Het is een mooi ding, zo’n veer, al is hij van een kleurloze reiger. De holle pen maakt het ding zo licht als een veertje en de weerstand die het geeft als je hem door de lucht beweegt; ik snapte ineens waarom zo’n zware vogel kan vliegen. Ik legde hem in de auto want zo’n op je lijf geschreven veer laat je niet liggen. ’s Avonds thuis had mevrouw Mack hem rechtop achter in haar haar gestoken zodat ze me een beetje deed denken aan Zilverslang, het zusje van Hiawatha. Het was overduidelijk mijn veer, maar ik heb geen indianenhaar waar een veer in blijft steken. Dat is jammer.

De omweg naar de boef.

Toen ik vrijgezel was, zo heette dat in die tijd, woonde ik ook in een vrijgezellenflatje. In het begin had ik geen computer en vermaakte ik mij met auto’s, televisie en video. Eens per week deed ik boodschappen en maakte ik schoon. Op zaterdag ging ik naar mijn broer en schoonzus, die woonden in Zwolle, en elke zaterdagnacht probeerde ik in recordtijd naar huis te rijden. Nu ging mijn Peugeootje niet harder dan 190 dus het kwam aan op het precies goed aansnijden van bochten en op het tactisch door rood rijden. Ja, het waren prachtige tijden voor de automobilist.

Maar dat was een klein zijspoor. Ik vermaakte mij dus veel met videobanden en ik was goed in opnemen. Ik had en heb nog steeds veel geduld, dus ik had prachtige banden vol met samenvattingen van WK’s, Olympische spelen, F1-seizoenen, voetballegendes, bokslegendes en natuurlijk films. En films, daar moest het naartoe toen ik dit logje begon. Want vroeger in mijn vrijgezellentijd snapte ik films. Ik keek en doorzag. En begreep ik iets niet, keek ik nog een keer.

Tegenwoordig kijk ik anders naar films. Hoe dat precies komt weet ik niet, maar ik hou mijn aandacht niet meer bij een film. Net zoals dat je in een boek soms leest zonder iets op te nemen. Op je horloge kijken zonder te zien hoe laat het is. Wat mij vooral opvalt in films is het logo van de zender die het uitzendt. Links staat het logo en rechts staat een getal. Ze irriteren mij, deze vormen van reclame. En het is overal, op welk net je ook kijkt, altijd staat er wel een logo. Nou ja, er is een belangrijke uitzondering: reclamespotjes. Die zijn logovrij en nog ouderwets op een volledig beeldscherm te bekijken. Maar goed, nu ben ik nog steeds niet waar ik heen wilde.

Waar ik dus heen wilde was de film Heat. Die hebben wij op dvd, dus logo- en reclameloos, maar gisteren werd hij uitgezonden. Ik besloot te gaan kijken en vond de film beter dan ooit. De absolute acteertop, Al Pacino en Robert de Niro zijn elkaars tegenspelers. Pacino politieman, De Niro de boef. De film is al anderhalf uur bezig voordat de eerste confrontatie tussen deze twee acteurs komt. En dan drinken ze alleen nog maar koffie en vertellen ze elkaar wat ze voor werk doen en wat zal gebeuren als de boef een misdaad begaat. De politieman zal de boef dan neerschieten, en de boef zal niet aarzelen om de politieman dood te schieten. Dit gesprek is de op een na mooiste scène in de film. Je weet gewoon niet voor welke van de twee ijzersterke karakters je moet zijn. De mannen mogen elkaar, want ze lijken op elkaar, alleen staan ze ieder aan een andere kant.

Op een gegeven moment begaat de boef de misdaad en maakt de politieman jacht op hem. Uiteindelijk treft de politieman de boef dodelijk en loopt op hem af. Als kijker weet je dat de boef niet meer zal proberen terug te schieten omdat het voor hem over en uit is. Hij is een waardige boef. Ze kijken elkaar aan en de boef zegt alleen: “ik zei je toch dat ik niet naar de gevangenis zou gaan?” De politieman knikt, en de boef steekt zijn hand uit. De politieman knielt naast hem en pakt zijn hand, de boef sterft. Ik was geroerd. Waren alle boeven maar zo.

Het moment is nabij

Het moment nadert langzaam, mensen der Nederlanden. Het moment waar u niet naar hebt uitgekeken, maar waarvan u al wel wist dat het ooit zou komen. Het verval begon in 2007, met de kredietcrisis. Kort daarop volgde de economische crisis en eigenlijk was toen al wel duidelijk dat we die niet te boven zouden komen. Tot nu toe stelde de crisis niks voor. Als hij niet in de krant had gestaan, had u er niks van gemerkt. Maar de Nederlandse banken en pensioenfondsen hebben voor 150 miljard euro aan leningen uitstaan in risicolanden. Dat Griekenland gaat is onvermijdelijk. Daarna volgen Ierland en Portugal, vervolgens Spanje en Italië. Er is dan geen houden meer aan, alle banken in Nederland vallen om en u bent u geld kwijt. De staatsgarantie van € 100.000 per bankrekening zal ook een wassen neus blijken. En de mensen die hoopten dat ze met hun 67e met pensioen mochten, gaan van een koude kermis thuiskomen.

Nee, het allerzwartste financiële scenario komt akelig dichtbij. De schuldigen van dit alles lopen nog grotendeels vrij rond. Nou ja, misschien moeten ze binnen de omheiningen van hun villa’s blijven, maar dat is het dan. Het geld is op. Deze crisis werd veroorzaakt door hebzucht, en daar is de mensheid al meerdere malen voor gewaarschuwd. Het is niet voor niks dat er in de heilige bijbel staat: wie het onderste uit de kan wil, krijgt het deksel op zijn neus. Dat staat in het oude testament, dictatorium vers 9:4. Volgens mij.

Hoe dan ook, chaos zal heersen. De tijden van winkels zijn voorbij en u zult weer uw eigen voedsel moeten vangen. Wee degenen die in de steden wonen. De luiaards van weleer zullen verhongeren omdat zij te slap zijn om te jagen. De heersers van nu raken uitgeheerst. De ijdelen en de hebzuchtigen zullen bedelend langs de straten zitten. Ja, de toorn van de allerhoogste heeft ons achterhaald. De geschiedenis van Sodom en Gonorroe zal zich wederom voltrekken.

Maar dan kom ik. Ik zal, gezeten op een wit paard, gekleed in witte broek en donkerblauw jacket met gouden biezen, het geheel smaakvol afgemaakt met zwarte leren laarzen en een donkerblauwe baret, in mijn linkerhand de leidsels, in mijn rechter een baton, ten tonele verschijnen om dit land uit het diepe dal te trekken en de schuldigen voor het gerecht te brengen. Tot mijn dood zal ik heersen over de lage landen, waarvan België en Luxemburg ook weer deel gaan uitmaken. Ik zal mij laten aanspreken met: wij groeten u, o grootmaarschalk Mack.

Tenzij Jan-Kees de Jager zijn werk een beetje fatsoenlijk doet natuurlijk. Dan gaat het hele feest niet door.