De route Napoléon

Vizille, Mardi, le 19 juillet 2011

Omdat het weer des pipes-voler regent in Vizille besluiten we de RN85 richting Gap te nemen. De beroemde Route Napoleon. Ooit heeft de kleine keizer deze route afgelegd toen hij oprukte naar Parijs na zijn ballingschap op het eiland Elba. Uiteraard lag de weg er toen nog niet, dus mag je stellen dat het knap was van Napoleon. Ergens bij Laffrey pronkt nog zijn standbeeld. De route voert langs plaatsen als La Mure, Corps en Gap.

Voor mij heeft de route iets magisch, maar dat heeft weinig met Napoleon te maken en alles met een vakantie in 1993 die ik ooit doorbracht in Corps aan het meer Lac du Sautet. Ik was al een paar jaar niet meer op vakantie geweest en het was de eerste keer dat ik zonder ouders ging. Alles daar overweldigde mij. De drie weken daar waren een afsluiting van een donkere periode.

Ik werd verliefd op de serveerster van het plaatselijke Café du Commerce, Sandrine genaamd, maar het was zo onvermijdelijk dat ik verliefd zou worden dat het ook elke andere serveerster had kunnen zijn. Intenser dan op Sandrine werd ik verliefd op Frankrijk en de Franse Alpen. Aan de overkant van het meertje lag l’Obiou, de hoogste top uit de directe omgeving. Vlak ernaast lag een berg die we “hondenkop” noemden, want hij leek veel op een bloedhond uit een tekenfilm. Het meer was altijd schitterend blauw. Het weggetje van het dorp naar de lager gelegen camping kende uitsluitend bochten, die ik uit mijn hoofd leerde, zo graag wilde ik het allemaal onthouden. Na deze vakantie voelde ik mij als nieuw.

Nu boog ik bij Corps de RN85 af en reed richting het meertje. Er stonden schuimkoppen op vanwege de wind, maar het was nog steeds prachtig van kleur. De top van l’ Obiou was niet zichtbaar door het slechte weer, maar de komische hond ernaast lag er nog steeds en had zich niet bewogen. Het bergweggetje er naartoe kende ik nog precies, maar ik moet hem destijds ook een keer of 50 afgelegd hebben. Het dorp zelf leek onveranderd, op één detail na: Cafe du Commerce zat er niet meer. Maar wat geeft dat als je 18 jaar later met je gezin door deze omgeving rijdt. Dat alleen al is iets wat je destijds onmogelijk kon voorzien.

Bij Gap aangekomen ging het lampje weer branden. Ik besloot het te laten voor wat het was. De RN85 werd achter ons afgesloten vanwege de Tour en dus moesten we via Briancon terug. Twee keer zover bijna. Het lampje deerde mij niet meer. Het zou vanzelf weer uitgaan, net als alles in het leven eigenlijk.

Brabanders

Vizille, Lundi le 18 juillet 2011

De kinderen, maar met name Hans zijn vandaag strontvervelend. Eigenlijk moet ik zeggen, strontverwend. Want ja, op deze camping is wel een zwembad maar geen glijbanen en alle vakantiekadootjes zijn na een kwartier al niet meer interessant. Het is onze eigen schuld, maar die schuiven we gewoon af op de maatschappij. Af en toe heb ik zin om hem een oplawaai te verkopen, maar daar blijft het bij. Er schiet mij te binnen dat ik vroeger op vakantie wel eens op onzachtzinnige wijze bij mijn schouder werd gepakt door mijn vader die me dan dreigend toesprak. Het deed zeer en het maakte indruk, en kennelijk was ik ook strontverwend. En hijzelf wellicht vroeger ook. Misschien is het van alle tijden.

Het goede nieuws is dat Hans een vriendje heeft. Een jongetje van zes uit Breda, genaamd Kalle. Een wat lastige naam want Hans had het over “Kaai” en “Koen”, maar Kalle’s vader bracht uitkomst: hij werd ook aangesproken met Kees en Sjaak, en inderdaad, Kalle reageerde daar gewoon op. Het valt mij de laatste tijd op dat Brabanders relaxte mensen zijn. Gemoedelijk wel, zoals ze over hen zeggen. Verder goed nieuws is dat het mooi weer is en dat het lampje niet meer brandt. Daar word ik relaxed van maar dat kan kloppen, ik heb tenslotte ook in Brabant gewoond.

Een vermoeid kind.

Vizille, Dimanche, le 17 juillet 2011

Tammar zat al een tijdje te staren. Ze is moe, maar geeft er niet aan toe. Ik geef haar een glimlach en heel even glimlacht ze terug. Dit is wat Willy Alberti bedoelde, begrijp ik ineens. Even later zit ik op de veranda, een beetje Frans te oefenen uit “Wat & Hoe”, als Linda mij vraagt of ik Tammar op speciaal verzoek naar bed wil brengen. De kleine meid klaagt over “auw billen” en wil zalf. “Samen?”, vraagt ze, waarmee ze bedoelt of ze zelf ook met haar vinger in het potje met Sudo crème mag.

Even later lees ik haar het verhaal van Hans Brinker, die zijn vinger in de dijk stopte, voor. Ik weet ineens dat dit verhaal niet echt gebeurd kan zijn, maar waarom ik dat deze keer ineens weet, je ne sais quoi. Dan vraagt Tammar of ik bij haar kom slapen. Ze vraagt in de gebiedende wijs. “Jij moet hier slapen.” Het is net haar moeder. Ik ga op het bed van Hans liggen en doe mijn ogen dicht. Na een minuutje of twee hoor ik dat ze in slaap valt. Als ik kijk ligt ze met haar duim in haar mondje en houdt ze een ‘lappie’ vast. Haar bewegingen zijn nog wat onrustig en ze sabbelt hoorbaar op haar duim. Als haar duim uit haar mond valt slaapt ze diep. Ze ligt op haar rug en ik kijk naar de rondingen van haar gezicht. Ik zou haar kunnen tekenen, denk ik.

Nog even blijf ik naar haar kijken en dan ga ik stil de kamer af. Linda kijkt mij ongelovig aan als ik zeg dat ze al slaapt. Ze kijkt door de openstaande deur en vraagt hoe ik dat doe. Een kwestie van geduld, vaderschap en een vermoeide dochter, dat ook.

Het lampje, deel II

Vizille, Dimanche, le 17 juillet 2011

Waarom de eigenaar van de camping twee maanden terug zelfmoord pleegde weet niemand, feit is wel dat hij te pletter viel van de hoge brug. De nieuwe eigenaresse is zijn enige erfgenaam, zijn tien-jarige dochter. Het loopt hier nog niet op rolletjes, logistiek gezien. De regen viel vandaag met bakken naar beneden, van ’s ochtends tot laat in de middag. Ik ben koortsig en heb het koud. Vannacht met twee t-shirts aan geslapen en flink liggen zweten.

Inmiddels is het opgeklaard maar voor dinsdag verwachten ze hier sneeuw. Ik ben nog niet in de stemming. Hadden we dan toch naar een duurderde camping gemoeten? Met animatie? Niet dat onze kinderen daar gebruik van maken maar het geeft zo’n typisch sfeertje en het trekt gezinnen aan. Hier lijken toch erg veel ouderen te zitten die primitief willen kamperen. Ik hoop dat Hans en Tammar zich hier vermaken anders voel ik mij een beetje schuldig. En ook dat brandende lampje in de auto zint mij geenszins. Het kan iets onschuldigs zijn maar vind hier maar eens een Nissan-dealer. Het instructieboekje zegt in het geval van een brandend lampje doodleuk: “vermijd steile hellingen.” Natuurlijk, komt voor elkaar.

Het lampje.

Vizille, le 16 juillet 2011

Vlak voor Dijon begint er een waarschuwingslampje te branden. In een Nissan nota bene. Daarvoor kopen wij geen Japanner! Een belletje naar de garage in Vaassen brengt ons niet veel verder. Op hun advies maak ik de accupool los om te kijken of de storing gereset wordt. Nee dus. In ons hotel word ik aangesproken door Otis uit India. Hij heeft met twee vrienden drie Harley’s gehuurd en toert door Europa. Toevalligerwijs is hij helikoptermonteur dus een auto is voor hem een eitje. Hij luistert naar de motor, vraagt of ik het oliepeil heb gecheckt en controleert of de ventilator aanslaat. Hij concludeert dat we geen probleem hebben en adviseert ons verder te reizen. En op wat ellendige files na, en natuurlijk een brandend lampje, hebben we verder ook geen probleem. Maar moe zijn we wel en ik kan niet zeggen dat de kinderen de reis zonder gedram doorstonden. Maar we zijn er! In mijn geliefde Alpenland.

Ik beroep mij op art 1, lid 5.

Het is tijd mij te beroepen op art 1, lid 5, Blogwet 2011. Het stormt en de regen valt bij bakken uit de lucht en wij hebben korte broeken klaarliggen voor morgenochtend. In Zuid Frankrijk is het wel iets beter, maar overhouden doet het momenteel ook niet. Maar goed, nog nooit in mijn leven is een vakantie totaal verregend, dus dat zal wel loslopen. En als het heel koud is hebben we Dr. Bibber bij ons om te spelen.

Al een aantal jaren achter elkaar gingen wij naar de Ardeche. Mooi, droog en warm, maar altijd als ik bij Lyon het bord richting Grenoble zag, wilde ik die kant op, richting de hoge bergen. En nu zal het wel andersom zijn, nu wil ik waarschijnlijk richting Valence.

We zien het wel. Het grootste probleem is dat Hans vandaag koorts en buikpijn had, en bovendien heeft overgegeven. Dus hopelijk is het morgen wat beter met hem. Van oma kregen we zoals gebruikelijk vlak voor de vakantie een hoeveelheid snoep waarvoor we speciaal een dakkoffer moeten huren. We kunnen dan ook de hele camping elke dag twee keer trakteren. U ziet, wij doen alles om aansluiting te krijgen op een camping. Het is ons nog nooit gelukt. Kennelijk vinden ze ons arrogant. Maar goed, we hebben boeken en schrijfgerei zodat mevrouw Mack en ik ons kunnen vermaken als onze vakantie ingaat, de komende twee weken dagelijks van negen uur ’s avonds tot een uur of elf.

Wageningen

Ik zat bovenop de Wageningse Berg, op een natgeregend bankje. Er is het gelijknamige stadion, waar voetbalgeschiedenis is geschreven en waar de tegenstander met knikkende knieën het veld betrad, maar dat is denk ik volgens de eigen fans. Ik weet wel van Bram Braam en Gerdo Hazelhekke, maar toch vind ik dat anders dan Bergkamp of Gullit. Het is er trouwens indrukwekkend mooi, daar bovenop die berg. Het regende, om de twee meter maakte een pad (zo’n kikkerachtige) dat hij uit je te volgen pad (zo’n weg-achtige) wegkwam. En het uitzicht over de Nederrijn en de Betuwe is prachtig. Zeldzaam plekje.

Even later kwam ik langs Hotel de Wereld, waarvan ik onlangs te weten kwam dat daar de vrede met de Duitsers helemaal niet is getekend, en toen vond ik toch dat ik best veel geschiedkundigs had gezien op een doordeweekse avond. En dan schijnen ze sinds kort in Wageningen ook nog zoiets te hebben als “De paal van Bernhard”. Maar wat die allemaal heeft meegemaakt, dat is een geheim wat meegegaan is in de grafkelder van de Oranjes. Het schijnt nogal wat voeten in de aarde te hebben gehad, waar die paal nu precies geplaatst moest worden. Ik moet eigenlijk spreken van “bijzetten”, want Oranjes, en dus ook hun palen worden bijgezet. In het geval van Bernhard, vlakbij Hotel de Wereld.

De houthakker en de rijke koopman.

Er was eens een arme houthakker. Het enige wat hij en zijn gezin te eten hadden waren raapstelen. De raapstelen groeiden aan de andere kant van een kolkende rivier die hij alleen kon bereiken via een gammele hangbrug. Naast de hangbrug was er wel een veel veiligere tolbrug, maar de houthakker kon de tol niet opbrengen. Op een dag toen hij zijn dagelijkse oversteek maakte, brak een touw van de hangbrug. De houthakker verloor zijn evenwicht en viel in het kolkende water. De houthakker kon niet zwemmen, maar dat had sowieso weinig zin in deze rivier waar zelfs Pieter van den Hoogenband kansloos in was. De houthakker werd meegesleurd door de stroming en net toen hij dreigde te verdrinken, werd hij tegen een rots in het water gesmeten. Versuft greep hij zich vast en daar hing hij in het water, midden in de rivier terwijl het water woest om hem heen sloeg.

Na een paar uur zag hij aan de oever zijn vriend de boswachter lopen en riep om hulp. “Boswachter, red mij, want ik kan niet zwemmen,” riep de houthakker. De boswachter bedacht zich niet, gebruikte de lier van zijn LandRover, wierp het uiteinde met de haak naar de houthakker en riep dat hij de haak aan zijn broek moest vastmaken. Toen de houthakker hierin geslaagd was trok de lier hem naar de kant. Proestend en half verdronken bereikte de houthakker de veilige kant.

Toen beide mannen enigszins bekomen waren van de schrik dachten ze na. Hoe moest de houthakker nu voor zijn gezin zorgen? De hangbrug werd gerepareerd maar de houthakker ging er niet meer overheen, hoezeer de honger ook knaagde. De boswachter deelde zijn weinige eten met de houthakker en zijn gezin, maar de boswachter verdiende ook niet zoveel dat hij twee gezinnen kon onderhouden, en beide gezinnen leden honger.

In het dorp vlakbij het bos was het avontuur van de houthakker en de boswachter als een lopend vuurtje in de rondte gegaan. Ook de rijke koopman uit het dorp en tevens voorzitter van de plaatselijke Rotary en bovendien eigenaar van de tolbrug, kwam het verhaal ter ore en deze bracht een bezoek aan de houthakker. “Houthakker, ik wil je een voorstel doen. Voortaan mag je met 50% korting over mijn tolbrug. Het enige wat ik vraag is dat ik voortaan de helft van je houtopbrengsten krijg. Echter, ik heb een groot netwerk, en ik kan zorgen dat je meer hout kunt verkopen. Als alles goed uitpakt heb je dankzij mijn netwerk straks naast raapstelen ook vlees en aardappelen te eten. Ik zeg je er alleen bij: ik werk niet mee, het enige wat ik doe is je toegang geven tot mijn tolbrug en mijn netwerk, ik wil geen gezeur hebben over het feit dat ik de helft van je toekomstige winsten krijg terwijl ik niks doe.”

Het leek de houthakker en de boswachter een goede deal. Het gezin van de houthakker was dolblij nu hen vlees en aardappelen in het vooruitzicht werd gesteld. De rijke koopman werd geprezen. Hij was een harde zakenman, maar hij zei eerlijk waar het op stond.

Oke. Tot zover. Nu mijn vraag. Wat is uw oordeel over de rijke koopman?

Zoete wraak.

Ik heb lang niet zoveel verstand van de Tour de France als Rob Hamilton of zelfs als Hermanus maar ik weet wel dat wielrennen een heroïsche sport is. Als je de tijd vrijmaakt om een koers te volgen kan het ongemeen spannend zijn. Pas dan ga je het begrijpen. Wat ik inmiddels wel weet, maar niet kan vatten, maar in die gevallen laat ik mijn verstand boven mijn gevoel prevaleren, is dat het belangrijk is dat je achter iemand rijdt. Uit de wind. Zelfs al ben je maar met z’n tweeën, moet je beiden kopwerk doen om een kans te maken tegen een achtervolgend peloton. Doe je dat niet, wordt je geheid binnengehengeld. In “Andere Tijden Sport” ging het over de vete tussen ploegleiders Jan Raas en Peter Post. Uit beide ploegen was een renner ontsnapt en ze weigerden voor elkaar te werken. Op dat moment wordt er één van twee gedwongen om op kop te rijden, anders valt het helemaal stil. Schijnt wel eens gebeurd te zijn met Leontien van Moorsel, maar dat is een vrouw en dus was dat tactiek en geen testosteron.

Op dat soort momenten kan ik me levendig voorstellen dat de voorste rijder woest wordt en dat degene die niet op kop wil rijden zich niet populair maakt. Een derde ging heen met het been, dus de twee rivalen moesten strijden voor plaats twee en drie. Ik zou waarschijnlijk ontploffen als iemand constant in mijn wiel bleef rijden, geen kopwerk deed, en er dan in de onderlinge sprint al slipstreamend met de zege vandoor ging. Och, och och wat zou ik gefrustreerd raken van zo’n matennaaier. Eerlijk waar, ik zou hem op volle snelheid de hekken in rijden. Want voor een man is wraak zoet. Pas de dag erna, als de hormoonspiegel weer normale waarden vertoont, wordt hij bitter.

Uit verhouding

Films, dat blijft toch altijd een heikel punt in ons huis. Vaak begrijp ik een film niet terwijl Linda al een half uur voor het einde door heeft hoe de vork in de steel zit. En ik ben toch echt niet heel erg dom. Steeds vaker raak ik er van overtuigd dat ik in mijn vorige leven Japanner was. Oog voor detail, maar de samenhang uit het oog verliezend. Ik kan ook geen kleding combineren, maar mijn pupillen worden wel groter als ik iets zie wat ik mooi vind. Dus daar ligt het niet aan. Maar ik zie direct of een bepaald model auto uit verhouding is. Sommigen noemen dat smaak, en daarover valt niet te twisten. En daarom twist ik nooit over smaak, maar over verhoudingen.

Angelina Jolie bijvoorbeeld, de vrouwelijke hoofdrol in de film “The Tourist” is uit verhouding. Maar daar kom ik nog op terug. We keken dus een film. Ik bekijk alle details en vind het fijn om op die manier film te kijken. Wat mij betreft zijn het allemaal op zichzelf staande scènes. Prima, niet meer over nadenken. Totdat je aan het eind komt en er iets gebeurt wat totaal niet wil vallen bij mij. Linda legt het mij dan uit, en op dat moment was voor mij de hele film verpest. Je moet het zo zien, er is een goede, die de hele film goed is, er wordt ook geen enkele aanwijzing gegeven dat dat niet zo is, behalve aan het eind, om het hele verhaal bij elkaar te laten komen blijkt de goeie ineens een slechterik. Daar hou ik dus niet van. Een dwaalspoor prima, maar dan wel zo dat de slimme kijkers al wel lont kúnnen ruiken. Ik dus.

In deze film gebeurde het dus dat de goeie de slechte bleek. Zelfs dat had ik nog niet eens door, want mijn vertrouwen in het goede is zo grenzeloos dat mijn hersenen zoiets niet accepteren. Totdat Linda mij zei dat het zo was en ik luidkeels protesteerde. Want nu klopte er dus geen bal meer van de details die ik gezien had en wie houdt er nu van om genept te worden? Maar Linda legde mij daarop nog iets uit wat ik gemist had -ik zat op de verhoudingen van Angelina te letten- en toen klopte het ineens weer wel. En nu vond ik het dus wél een goeie film. Terwijl ik het een minuut daarvoor nog een waardeloze film vond, maar al die tijd daarvoor vond ik het een uiterst vermakelijke film.

En dan nog over Angelina. Ik wist eigenlijk helemaal niet goed wie dat was. Ik vond haar ook wat leegjes en misschien wel te perfect. Als ik haar niet gegoogled had om haar te betrappen op plastische chirurgie, had ik vermeld dat ze me aan Lara Croft deed denken. Zo’n vrouw waar werkelijk niks aan mankeert en ver buiten het bereik van de gewone man ligt, en daardoor aan aantrekkelijkheid verliest. Maar in deze film vertoonde ze hoe langer hoe meer menselijke trekjes. Nu ligt ze nog steeds evenver buiten mijn bereik, maar haar verhoudingen kloppen in elk geval weer.