Vincent, de slimste der Maya’s.

Langzamerhand begin ik te geloven dat de wereld niks anders is dan een bos hardnekkig onkruid. Want zij wil maar niet vergaan ondanks allerlei onheilsprofeten. Morgen is het weer zo’n dag waarop de wereld vergaat volgens een Amerikaanse dominee. Nu hebben dominees zelden gelijk, want het enige ware geloof is het katholieke geloof, de rest is allemaal ketterij. Tenminste, dat zei altijd mijn enige katholieke strijdmakker tegen de godsdienstleraar van de protestantse school waarop wij zaten.

Als je het einde van de wereld voorspelt, heb je een chronisch tekort aan aandacht en zelfvertrouwen. Kinderen die overbieden hebben er ook last van, maar meestal herstelt zich dat wel in de loop der jaren. Maar zo’n dominee had kunnen weten dat wanneer hij de bijbel had bestudeerd, hij het einde der tijden wel kan voorspellen, maar niet wanneer. Lapzwans. En als we morgen overleefd hebben, moeten we ons weer zorgen maken om het jaar 2012, want dan hebben de Maya’s weer het einde voorspeld. En Maya’s, dat waren oude en wijze indianen, dus die weten het, aldus veel stemmingmakers. In het jaar 2012 houdt hun kalender op.

Nou, dat zit als volgt. De Maya’s hadden een kalenderopsteller bij gebrek aan een horlogemaker. Vincent heette hij, en hij was de meest wijze Maya van de hele omtrek. In het jaar 2020 v.c., op een mooie zomerdag, stierf Maya Vincent geheel onverwacht op vakantie in Guadalajara. Geen mede-Maya had het zien aankomen. Maar omdat Maya Vincent wel heel goed kon voorspellen, wist hij dat hij in het jaar 2020 voor Christus leefde. Vincent kon in tegenstelling tot Christenen wél exact de komst van Christus op aarde voorspellen. Maar goed, Vincent had zijn kalender pas voltooid tot 21 december 2012 v.c. Hij zou gelijk na zijn vakantie zijn werk hervatten. Het was zijn bedoeling om in de maand augustus maar liefst 50 jaar te voltooien. Ja, Vincent was een werklustig mannetje.

Echter, het liep allemaal anders en geen enkele Maya hechtte enig geloof aan Vincent’s voorspelling. Het was zelfs zo, dat Vincent’s naam na zijn dood spottend gebruikt werd door zijn collega indianen. Als er bijvoorbeeld een Maya een sterk verhaal vertelde, noemde ze hem vaak Vincent. “Tuurlijk, Vincent, en over 2000 jaar komt er iemand die over water kan lopen!” Dit tot grote hilariteit van de Maya-jeugd.

Maar goed, op een gegeven moment was het wel gedaan met de Maya-beschaving en langzaam verdween deze, zoals alle oude beschavingen, onder een dikke laag zand. Het eerste dat gevonden werd bij latere graafwerkzaamheden, was Vincent’s kalender. Dat v.c. werd natuurlijk uitgelegd als “Vincent’s calender”. Wij weten nu beter.

De jarige

Voor ik goeiemorgen zeg, ben jij op je brommer weg” zong Herman van Veen in misschien wel het mooiste lied over een dochterje ooit. Zo gaat het inderdaad. Ik heb nooit een brommer gehad, bovendien ben ik geen dochter, dus voor mij ging het niet op. Toen ik voor het eerst motor ging rijden kwam ik, toen ik overmoedig werd, ten val. Ik was schaaf gewond, en de motor had oppervlakkige schade maar als de bestuurder geen geldig rijbewijs heeft, is dat voor de verzekeringsmaatschappij aanleiding om niet uit te keren. Jaren later heb ik dat motorrijden nog eens herhaald, op de eerste motor van mijn schoonvader, een Bol d’or voor de kenners, maar dat ging verder goed. De motor op de foto is onderhand zijn tiende, want de man is nooit tevreden. Terwijl ik denk, een motor is een motor, toch?

Tegen onder andere dit gevaarte moet ik het eind volgende week weer opnemen met mijn Alfa Romeo, want het motorweekend van vorig jaar wordt herhaald. Geen van de partijen heeft zich bekeerd, dus het is nog steeds één auto en een handjevol motoren. Let trouwens eens op de spiegel van de motor, daarin bevindt zich een rode Alfa Romeo. Doorgaans zijn in motorenspiegels, auto’s alleen zichtbaar in het daarvoor bedoelde gedeelte, maar voor Alfa’s geldt dat niet. Die zijn alleen zichtbaar in het niet daarvoor bedoelde gedeelte van de spiegel.

Mega Toby op de foto was jarig vandaag, en zo ziet een jarige er uit. Mega Mindy was niet in haar rol en dan heet ze overigens gewoon Mieke.

Zes!

Toen ik ruim 20 jaar geleden begon met werken, destijds als manager of the empty bottle department bij een jonge, dynamische supermarktketen met korte communicatielijnen en waar alle neuzen de zelfde kant op wezen, kon ik niet bevroeden dat ik mijn genen ooit zou doorgeven aan dit jongetje. Hij is hier drie, maar morgen wordt hij zes. Ik vind het jammer hoor, dat de tijd zo hard gaat. Hier was hij nog twee keer zo schattig dan dat hij nu is. Dat klinkt misschien gek, maar hij wordt al een doerak. Hij maakt af en toe al grapjes die mijn niveau benaderen, maar dat zegt meer over mij. Gisteren, we doen een spelletje memory en hij had verzonnen dat we beiden een knuffel moesten kiezen die ons zou assisteren bij het omdraaien van de kaarten. Hij nam zijn cowboy Woody en liet die een kaart pakken, maar het was niet de kaart waarop hij hoopte. “Ehm, volgende keer wel een beetje beter, Woody!” zei Hans verontwaardigd. Toen moest ik lachen. Gelukkig hebben we voor het schattige Tammar nog, al ontwikkelt die zich nog veel sneller dan Hans. Nog even en hij krijgt van die voortanden die veel te groot zijn voor zijn hoofd. En niet veel later worden het van die slome slungels. Wat dat betreft vind ik de natuur wel knap. Zij vertekent het beeld van het kind zodanig, dat degene met wie het kind genen deelt, het kind ziet als het mooiste. Dat werkt bij mij niet anders. Bovendien, andersom werkt het ook zo. Ik had vroeger geen enkel vriendje dat een knappere vader en moeder had dan ik. Het kwam niet eens in de buurt. Het gold zelfs voor mijn grootouders. Familie, dat is niet zomaar iets. Dat is een ingewikkeld systeem van optisch en psychologisch bedrog. Maar daar moet je niet verder over nadenken. Je moet je gewoon laten foppen. Ik doe dat graag. Gefeliciteerd Hans. Dat je je maar vaak mag laten foppen door de natuur.

Gewetensengel

Gisteren besloot ik mijn gezin over te halen tot een dagje Julianatoren. Voor het overhalen van de twee jongsten was niet veel overredingskracht nodig. Voor de één na oudste wel, maar uiteindelijk stemde die ook in na eerst de nodige bezwaren te hebben aangevoerd. Maar die verklaarde ik niet-ontvankelijk. Dus dan is beroep niet meer mogelijk.

Wat doet een man op de dag van de wedstrijd van het jaar bij de Julianatoren? Ja, dat is een hele goede vraag. Waarom had ik niet, zoals elke zichzelf voor man uitgevende man, een internetstreamer opgezocht om de wedstrijd live te bekijken? Waarom ging ik niet op de uitnodiging van mijn zwager in, om bij hem te gaan kijken? Tja, waarom gedroeg ik mij niet als een man? Ik had het best graag willen zien. Maar het heeft dezelfde reden als die gelegen is in het feit dat ik dit jaar nog geen enkele Formule 1 race heb gezien. Het is het mijn gewetensengeltje dat mij influistert dat ik doordeweeks mijn echtelijke- en vaderplichten verzaak. Strikt genomen is het niet eens zo, maar mijn gewetenengel is nogal fanatiek in zijn werk. Hij laat me nooit met rust.

“Je kunt de uitslagen toch ook in de krant lezen? En kijk nu eens naar die blije gezichtjes van je kinderen, je zou toch niet willen dat ze de hele middag niet mogen praten omdat jij zo nodig voetbal moet kijken?” En dan die andere met die drietand op mijn andere schouder: “Ach, laat die kinderen, je verwent ze veel te veel. Gun je zelf ook eens een verzetje, en ik kan zorgen dat je vrouw de catering tijdens de wedstrijd voor haar rekening neemt hoor!”

Die met die drietand mep ik vrijwel altijd van mijn schouder af. Zo ben ik geprogrammeerd. Terwijl een echte vent die andere van z’n schouder af zou rossen. Zou ik de engel eraf meppen, klimt die later als ik lig te zondigen weer op mijn schouder om de wedstrijd te vergallen. “Zo, heb je nu je zin,” zou die dan zeggen. Ach ja, zo gaat het. Daar doe je helemaal niks aan.

Heel erg is het trouwens niet. Tammar heeft het nu steeds over de achtbaan, dat die heeeel hard ging en dat ze zich goed moest vasthouden. En dat het spookhuis niet zo leuk was, want daar stonk het. En Hans heeft zichzelf overwonnen in de achtbaan. Uiteindelijk vond-ie het geweldig terwijl hij vorig jaar nog niet durfde. En Linda was blij. En als Linda blij is, is iedereen blij.

Een bedenkelijke herdenking.

Het is vandaag 71 jaar geleden dat het bombardement op Rotterdam plaatsvond. Daar wilde ik even de aandacht op vestigen omdat het een laffe aanval op onschuldige burgers betrof. Een oorlogsmisdaad. Het kwam hier op neer; de Duitsers konden niet door de Rotterdamse (mariniers)verdediging heen komen en daarom werden er maar burgerslachtoffers gemaakt, en werd er bij verteld dat de slachtoffers de verantwoording waren van degenen die zich niet wilde overgeven. Later is dat principe nog eens met succes door de geallieerden toegepast op diverse steden van de vijand.

Ja, daar wilde ik dus de aandacht op vestigen omdat ik het belangrijk vind. Echter, mijn hoofd draait. Niet letterlijk gelukkig, maar van binnen. Het is de schuld van Hertog Jan, Karakter, 7,5%. En aangezien het niet gepast is om in beschonken toestand een herdenkingsdienst voor 800 doden te houden, zou ik zeggen, sta er zelf even bij stil, dan probeer ik die draaimolen hierboven tot stilstand te krijgen.

Piemel

“Jij heb een glote* piemel en Hans heb een kleine piemel. Mama en ik hebben niet een piemel. Wij hebben een plasser.” Hoe ze aan die wijsheid komt, geen idee maar dit zegt Tammar ongeveer vijf keer per dag. Op de meest onmogelijke momenten. Als je in een winkel staat. Of als je haar net wegbrengt naar de juffrouw van de kinderopvang. Dat laatste is nog niet gebeurd, maar ik ben vast aan het oefenen om het compliment dan quasi-achteloos weg te wuiven. “Mwah, Tammar, dat hoeft niet iedereen te weten hè?” Maar zo zal het natuurlijk niet gaan. Nee hoor. Ze gaat me echt een keer voor schut zetten binnenkort. Ik voel het aan mijn theewater.

Overigens, grote piemelgrapjes doen het altijd erg goed bij mannen onder elkaar. Het liefst slaan ze hem twee keer om hun nek, of na het plassen op het kantoortoilet slaan ze hun hand even tegen de zijkanten van de schotjes, als ware het hun piemel die ze droogslaan. Het blijft toch een kwestie van het andere mannetje imponeren. Ik kan er niks aan doen, maar ik lig dan dubbel. Net als bij scheetgrapjes. De meeste mannen begrijpen deze humor wel. Eigenlijk overtreed ik nu een erecode door het hier te vermelden, maar ach, volgens mij was het allang geen geheim meer. Uiteraard doe ik er nooit aan mee.

* in de ogen van een kind, red.

De kleine wapenwedloop.

Vrogger, toen de hond nog uut de kont blafte, trakteerde ik op school vaak oliebollen op mijn verjaardag. Want oliebollen waren mijn lievelingseten. Andere kinderen trakteerden op een zakje chips, een lolly en in een triest geval op een appel. De getrakteerde kinderen waren er blij mee en tot zover ging alles prima. Maar ergens tussen vroeger en nu ging er iets goed fout. Ergens heeft een redactrice van een damesblad, waarschijnlijk Libelle, eens een stukje gepubliceerd over zelfgemaakte fantasie traktaties. Let wel, niemand vroeg hierom, geen kind dat ooit tegen diens moeder zei: “Nou, zou het volgend jaar niet leuk zijn als ik een pop maak van speculaas en als ik dropveters vlecht zodat die dienst kunnen doen als haar?” Nee, nergens in Nederland was er een kind die leed onder het feit dat hij een voorverpakte traktatie kreeg. Sterker nog, de verpakking moest zo snel mogelijk verwijderd kunnen worden zodat de traktatie snel opgegeten kon worden. Het liefst natuurlijk snoep, wat appels kreeg je thuis ook wel.

Maar goed, het kwaad geschiedde, de omzet van het damesblad steeg, en het doel was bereikt. Het verschijnsel van de elkaar aftroevende moeders deed zijn intrede. De ene bakte cakejes, een ander maakte een snoephuisje, weer een ander maakte een olifant van eierkoeken en niemand durfde meer zijn kind gewoon 25 zakjes chips mee te geven omdat men dan zou kunnen denken dat de ouders van het kind niet zo creatief waren. Of dat de ouders kennelijk geen tijd voor het kind hadden. Gelukkig heeft de commercie ook voor deze ouders een oplossing, kant en klare fantasie traktaties waarvan het lijkt alsof de ouders ze gemaakt hebben.

En ik ben geen haar beter hoor. Ik stuur mijn kind ook niet naar school met slechts een zak spekkies. Maar wat ik wel vind is dat de betreffende redactrice opgespoord en voor het gerecht gebracht moet worden. Er is zo goed als onherstelbare schade toegebracht aan de maatschappij voor eigen gewin. Er is oneigenlijk op het gemoed gespeeld van de Libelle lezende moeder. Er is van te voren uitgedacht dat de Libelle lezende moeder gevolg zou geven aan de oproep, omdat als ze dat niet zou doen, ze wel de “Opzij” had gelezen.

Is er een weg terug? Jazeker, maar dat vergt nieuwe leiders en een veranderd inzicht. Als beide partijen elkaar bestrijden met slechts pijl en boog, is dat net zo effectief als dat men elkaar bestrijdt met kruisraketten. Het bespaart alleen een hoop geld. Het wordt tijd voor De Partij Van Simpele Traktaties.

Het hoogtepunt

Volgens de levenstrap van een onbekende Hollandse meester, is een mens pas op zijn vijftigste op zijn hoogste punt. Daarna is het een trieste en donkere bedoening. Niemand kijkt het leven nog aan, in plaats daarvan kijkt men afwachtend een andere kant op, totdat men, de leeftijd van 100 jaren bereikt hebbend, omvalt. Voor lichamelijke prestaties gaat het grapje natuurlijk niet op. Zelden dat iemand van 50 olympisch goud behaalt. Maar geestelijk bereik je op je 50e de optimale mix van ervaring en geheugen. Voor je vijftigste is je geheugen beter, maar je ervaring minder, daarna ben je meer ervaren, maar laat je geheugen je vaker in de steek.

Denk niet dat hier enig wetenschappelijk onderzoek aan vooraf ging. Nee, ik verzin het ter plekke zodat ik niet mistroostig achterom hoef te gaan kijken. Tegen de tijd dat ik vijftig ben, nog maar ruim acht jaar, onvoorstelbaar, verzin ik weer wat anders om naar uit te kijken.

Impulsieve educatie

Onze kinderen worden ’s ochtends wakker en zitten dan bovenop de liefberg. Naarmate de dag vordert zetten ze de afdaling in, om tegen de tijd dat ik thuis kom, bijna in het dal te zijn aangeland. Uit zichzelf luisteren is er niet meer bij, en omdat iedereen het meeste van zijn energie wel heeft verbruikt tegen etenstijd, is er geen sprake meer van een geoliede gezinsmachine. Soms herken ik scènes uit de film schatjes. Hans bijvoorbeeld, maar het had net zo goed de andere doerak kunnen zijn, werd verzocht zijn handen te wassen voor het eten. Volgens hem waren ze niet vuil maar toen ik keek wel. Hij was dan ook verontwaardigd toen hij zijn handen moest gaan wassen, trok een pruillip, maakte protesterende geluiden, en zette het begin van een huil in.

Nu heb ik geen idee welk artikel van het educatief handboek in deze situatie toegepast moet worden, maar mij zou vroeger gedreigd zijn met iets waar ik vatbaar voor was, en ik zou mijn handen zijn gaan wassen. En niet dat ik vind dat de opvoedingen van vroeger niet deugden, maar tegenwoordig zijn op één of andere manier de overige omstandigheden zo gewijzigd, dat toepassing van ouderwetse opvoedingen geen voldoening geven bij de opvoeder. In elk geval niet bij mij.

In zo’n geval reageer ik impulsief, zonder me af te vragen of dat wat er in mij opkomt wel educatief verantwoord is. In een ver verleden probeerde ik eens mijn schoonzus bij de opvoeding te helpen door haar zoontje vijf euro te bieden als hij zijn bord leeg at. Nou, zelfs mijn schoonzus verslikte zich op dat moment, en dat wil wat zeggen. Oké, dat was niet slim. Jeugdzorg is daarna nog jaren over de vloer geweest, en dat was waarschijnlijk mijn schuld. Maar goed, ik heb bijgeleerd.

“Hans luister, jij gaat je handen wassen en ik ga me omkleden, en dan doen we wie het eerste klaar is.” Eerst mokte hij nog van nee, maar toen ik snel opstond om naar boven te lopen zag ik al een lach door zijn traan. Ik rende de trap op en ik riep nog tegen Linda dat ze hem niet mocht helpen. “Nee hoor, dat doe ik niet,” riep Linda en ondertussen hoorde ik haar zeggen: “Hans kom snel!” Drie minuten later kwam ik, hard en luid de trap afrennen. Met beide armen geheven en een overwinningskreet roepend, kwam ik de huiskamer in rennen om daar te constateren dat ik verloren had. Mijn overwinningskreet verstomde. Hans zat triomfantelijk en lachend aan tafel. En zo werd het toch nog gezellig.

Stadse geut’ndriet’r!

Ik word een beetje gestoord van die weermannetjes die steeds maar weer vertellen dat het buitje dat er viel een druppel op de gloeiende plaat is. Eerlijk waar, die gasten weten niet waar ze het over hebben. Normaal kunnen ze een bui al niet voorspellen, maar als de bui dan is gevallen en ze dat achteraf juist constateerden, dan moeten ze weer zonodig de bui analyseren. Welnu, de natuur hier vond het heerlijk, die bui. Ze laat dat ook duidelijk zien doordat bomen ineens stukken groener zijn, net als het gras, de vogeltjes fluiten veel vrolijker en er schieten allerlei bloemen waarvan ik de naam niet ken de lucht in.

Maar nee, het helpt allemaal niks. Weermannen zijn al net als boeren. Doen net of ze verstand hebben van regen. Ik hoorde laatst een boer beweren dat een stortbui na lange droogte niet helpt. Tja, als je zo redeneert is het ook logisch dat je boer bent gebleven, denk ik dan. “Nee,” zei de boer, “na een stortbui slaat de grond dicht en kan het water er niet in.” Tuurlijk boer, en dat water zet je hele weiland blank, omdat het de grond niet in kan! Het kan beter nog maanden droog blijven, dat is beter dan een stortbui. En onweer komt de rivier niet over en sterretjes zijn koudvuur en vossen zijn ongedierte.