Wegdromend

Ik schrok me rot vandaag. Las in de Volkskrant dat over anderhalf miljard jaar geen leven meer mogelijk is op aarde omdat de oceanen dan verdampt zullen zijn. Ik dacht altijd dat we nog zo’n zes miljard jaar te gaan hadden en dat daarna de zon opgebrand is. Wordt het leven op aarde even op één dag met 4,5 miljard jaar ingekort. Heel even rekende ik of mijn kinderen daar nog last van krijgen, maar dat blijkt niet het geval. 

De Volkskrant, zo ontdekte ik, is een echte vakantie-krant. Normaal gun ik me er helemaal geen tijd voor om een krant door te spitten en daarom ben ik slechts geabonneerd op een regiotelegraaf die de Stentor heet. De Stentor zou ook een levensgroot artikel over een beroofde gehandicapte op de voorpagina kunnen zetten, echter het grote verschil met de landelijke telegraaf is dat de Stentor niet ophitsend is. Want Godbetert zeg! Ik heb hier een paar keer de Telegraaf gekocht in de veronderstelling dat ik iets te lezen zou hebben, maar niets was minder waar. Ongeveer elk artikel sloeg ik na de inleiding over omdat ik niet het gevoel kreeg dat ik een wijzer mens zou zijn na het lezen van het artikel.  Bovendien stond me de toon niet aan van de columnisten, de ingezonden brieven van lezers, en soms ook die van de krant zelf die in hun volmaaktheid toch allemaal een schuldige weten aan te wijzen voor ontstane problemen. 

Maar dat van de aarde zeg! Er bleek een planeet gevonden zijn die op de aarde leek, maar die al een stuk ouder was waardoor zijn oceanen reeds waren verdampt. Nu ging men zoeken naar sporen van leven op 1400 lichtjaar van ons vandaan. Gelijk dacht ik dat het leven dat daar destijds is geweest en dus op ons voor lag, niet is uitgestorven maar dat wij dat zijn. Dat we ons verplaatst hebben en opnieuw begonnen zijn, net als we dat over anderhalf miljard jaar zullen doen. Want me zomaar neerleggen bij het feit dat de mensheid uitsterft, nee, dat gaat niet goed in mijn hoofd. Dan zouden cynici gelijk krijgen, niet hebben, over hun stelling dat alles zinloos is. Dat u en ik voor niks geleefd hebben, alleen maar om in leven te blijven en ons voort te planten. Want waarom zouden we dan niet als de donder ophouden met ons voortplanten? Dan zijn we over 100 jaar van al het gezeik af. 

Verder las ik een mooi stuk over Gerard Depardieu, die vond dat je je in het leven niet moest laten betuttelen door levensremmende gezondheidsgoeroe’s of overheden maar dat je moest leven. Afgezien van wat ik verder van zijn praktijken vind, vond ik dit wel een mooie, vooral omdat hem dat tot de conclusie had gebracht dat hij niet dik was, maar leefde. Prachtig. Het is dat ik weet dat ik me steeds ellendiger ga voelen als ik zo dik zou zijn, anders overwoog ik ook een dergelijke levenshouding. 

Die ontdekte planeet was geloof ik anderhalf keer groter dan de aarde. Dat zou ik een prima planeet vinden want eerlijk gezegd vind ik de aarde wat aan de kleine kant. Neem nu een land als Frankrijk: het grootste land van West Europa en toch ben je er met de auto in een uur of acht doorheen. Ook hier is geen onontgonnen gebied meer, en ik krijg steeds meer behoefte aan gebieden waar geen hekken staan. Regels zijn er tenslotte om tuig in het gareel te houden, normale mensen kunnen best zonder regels. Stel, ik wil vissen. Mag niet zonder visvergunning. Stel, ik wil jagen. Mag niet, ik word gelijk geflitst. Een boom kappen en een hut bouwen? Vergeet het maar, regels, regels, regels. Aan de ene kant lijkt het me prachtig hoe de wereld eruit zag voordat er regels waren. En aan de andere kant zou er geen weblog zijn en zou ik mijn enthousiasme niet kunnen delen. Daarom, een grotere planeet. Zonder buurlanden. Als je daar vanuit Nederland naar België zou moeten, moet je eerst door een stuk onbewoond gebied ter grootte van Polen. Goed, er moet wel een snelweg doorheen lopen natuurlijk, en er moet getankt kunnen worden, anders heb ik het al heel gauw gehad met dat onontgonnen gebied. 

Méditerranée, zo blauw…

Gisteren gingen wij in het kader van ‘een camping is ook maar een camping’ naar de Middellandse zee. Recht naar beneden en iets ten westen van Marseille, want Marseille moet je mijden als de pest. Slechts een uurtje rijden had ik berekend en degenen die denken dat dit een soort Mont Ventoux-achtig verhaal wordt, hebben het mis. Het was ook een uur rijden. Alleen het idyllische van de Middellandse zee ontbrak. Ik moest aan IJmuiden denken.

Maar toch, als je de schepen en de industrie wegdacht was het best te doen. Fos sur Mer, niet zo bekend als Saint Tropez en ik begrijp nu ook waarom. Maar het water was warm en het strand was heet. De kinderen vermaakten zich prima en wij verbrandden in de zon. Fransen hebben natuurlijk een parasol bij zich, wij niet. Het was aan het strand een aangename 32 graden, een zeer welkome temperatuur omdat het op de camping nog niet onder de 35 is geweest. Gisterenavond net na negenen was het nog 29 graden. Dat het ’s avonds niet of nauwelijks afkoelt heb ik nog niet eerder meegemaakt. Ik zag gisterenavond een eenzame bliksemflits maar geen druppel regen tot nu toe. Hoe hier de natuur groen blijft is mij een raadsel.

Terug naar de Méditerranée. De kinderen hadden inmiddels contact gemaakt met Tim en Loek uit Schimmert, uitgesproken met zeer zachte G, en een u in plaats van een e. Ik huurde een waterfiets en nam de jongens mee na toestemming van hun sympathieke ouders. Nadien kwamen ze even bij ons zitten en ik vroeg natuurlijk of ze Rob Hamilton kenden, omdat Schimmert per slot van rekening maar 3000 inwoners heeft. En ja hoor, die kenden ze, al was het via hun ouders. De man vroeg of wij wat wilden hebben, een ijsje of een slush puppy of iets en ik aarzelde. Toen drong hij aan, het mocht ook een pilsje zijn. Ik zeg zelf altijd biertje, maar pilsje klinkt zoveel mooier, zeker met een zuidelijk accent, dat ik de verleiding niet kon weerstaan. De man was goedlachs, de vrouw was vriendelijk, en zo zaten wij op een mooie zomerdag op een strand in Zuid Frankrijk een pilsje te drinken met volslagen vreemden die aanvoelden als bekenden.

 Een dag uit de vakantie.   

Vakantie betekent dat ik door mijn rug ga, zo ook nu. Kennelijk is luieren niet goed voor mij en als ik mij niet vergis staat dat ook al in de bijbel, dat het de Heere een gruwel is. Nou, dat wordt me duidelijk gemaakt. Ondanks dit ongemak hebben we vandaag de Mont Ventoux beklommen, helaas met de auto. Zou graag kunnen zeggen dat ik het met de fiets heb gedaan. Of hardlopend. Hoewel er volgens mij ook op uitsloverij een bijbelse straf staat. 

Hans vond het niks, hij was erg bang dat ik van de weg af zou raken. En echt tot huilen toe. Nu raak ik niet zo snel van de weg, maar met een diesel omlaag vind ik niet zo’n succes. Het voelt als mishandeling van de techniek om een diesel zo te laten razen, misschien is het juist de bedoeling om veel te remmen, maar dan ben ik weer bang voor overhitte remmen. Toen ik bergop reed kwamen er twee sportieve Franse oude auto’s naar beneden denderen. Met van die knallen uit de uitlaat, prachtig. Een Simca 1100 en een Renault 5 alpine. Ze moesten alleen de fietsers naar het fietspad verbannen, ze rijden ernstig in de weg. Goed. Dat is juist de charme van Frankrijk natuurlijk, dat alles door elkaar krioelt. 

Ik liep daarnet net mijn stramme rug naar het riviertje dat langs de camping stroomt en zat wat langs de kant. Ineens verschijnt vlak onder me een enorme muis. Misschien was het wel een bever. Guillaume Bever. Uiteindelijk besloot ik dat het een beverrat was. Onze kat zou daar nog een hele kluif aan hebben volgens mij. Ik heb hem op film. 

   

Quatorze Juillet

We zitten in een warmtefront zo las ik in de Telegraaf, die zelfs in de vakantie onrust weet te stoken, voornamelijk door ingezonden brieven van lezers te plaatsen. De Grieken dit, dit kabinet dat.., mensen voelen de behoefte om hun mening te verspreiden, iedereen mag weten met welk een groot visionair men te maken heeft. Ondertussen zitten wij in 35+ graden. De koelste dag van onze vakantie wordt 31 graden volgens het weerbericht. ’s Avonds koelt het nauwelijks af, we zitten buiten in korte broek en t-shirt. Ik kan me niet herinneren dat ik dit eerder meemaakte. 

De hitte trotseer ik, met dank aan kapitein Dick Winters van Easy Company. Ik lees het waargebeurde verhaal “Band of Brothers” en ben een groot deel van mijn verloren respect voor Amerikanen aan het terugvinden.  Een relatief kleine company die een aantal beslissende slagen heeft toegebracht aan de Duitsers, en die mij doet beseffen dat we onnoemlijk veel aan haar te danken hebben. 

Door de hitte doen we weinig noemenswaardigs, luieren, zwemmen, eten en drinken. Morgen staat er een trip naar Nimes gepland, alwaar de best bewaarde Romeinse arena ter wereld schijnt te staan. Arena’s waren verschrikkelijke plekken waar gladiatoren onvrijwillig een wrede dood stierven, maar omdat het zo lang geleden is en er geen gedupeerde nabestaanden zijn die strijden voor gerechtigheid, kunnen we de dag met enthousiasme tegemoet zien. We kunnen zelfs de gids een fooi geven, en dat zie ik bij Dachau nog niet gebeuren. Er is ook geen voetbalclub die haar stadion “het concentratiekamp” noemt. 

Frankrijk echter, blijft mij boeien. De magie die ik er vroeger omheen hing is eraf, het is nu slechts een land dat ik mooi vind en waar ik mij thuis voel. Ik heb vanmiddag in kaart gebracht hoevaak ik hier op vakantie ben geweest en kwam op 24 keer. Ik heb hier meer dan een jaar van mijn leven doorgebracht en het land heeft een speciale betekenis voor mij. 

Kapitein Winters is er niet meer, ik lees over zijn leiderschap, zijn bescheidenheid, zijn vermogen om onder druk de juiste beslissing te nemen, en over zijn zorg voor zijn mannen die hem zonder uitzondering de beste gevechtscommandant vonden die ze ooit hadden gezien. Op dit moment barst het vuurwerk van quatorze Juillet los, dat schijnt ook iets met de Franse geschiedenis te maken te hebben. Het is waarschijnlijk lang geleden en er zijn geen gedupeerde nabestaanden dus het feest kan beginnen. Ik eer Dick Winters en Easy-Company vandaag. Ze vocht onder andere in Frankrijk en Nederland. In de oorlog maakte Winters zichzelf een belofte. Als hij zou overleven zou hij zich terugtrekken in een boerderij in Amerika en een rustig leven in vrede leiden. En zo geschiedde.  Hij heeft nooit een brief naar de Telegraaf geschreven. 

13 Juillet 2015

Le Thor-Vaucluse-Frankrijk.

We zijn voor twee weken neergestreken in de Vaucluse, Frankrijk. De heenreis heeft erg meegezeten. Een overnachting in Dijon, de volgende dag nog maar vier uurtjes rijden en we waren er al. De Tomtom omzeilde op briljante wijze een flinke file, iets dat wat mij betreft de krant mag halen. Waarom Fransen massaal in een file gaan staan terwijl  wij op een parallelweg vrij baan hadden, is mij een raadsel. De komende tijd worden hier uitsluitend maximumtemperaturen verwacht van ruim boven de dertig graden. De krekels voeren de boventoon maar krekelgeluiden storen in het geheel niet. Je kunt er zelfs prima bij wegdutten. De eerste nacht in een opgewarmde caravan heeft iedereen prima geslapen.

Verder heb ik de douche al gesloopt; dat wil zeggen, verder naar z’n grootje geholpen. Het ding hing slap als de plasser van een oude man op het naaktstrand en was met geen viagra te verleiden tot een ferme opstand. Ook niet met een kruiskopschroevendraaier trouwens. Ik draaide de schroef dol en rapporteerde een kapotte douche. Niet veel later verscheen een donkerverbrande, onverstaanbare Fransman gewapend met een waterpomptang ten tonele. Guillaume, zo moet hij geheten hebben. Maar als het euvel met een waterpomptang opgelost kon worden, had ik het zelf wel gedaan. Na een minuut kwam hij onverrichter zake weer naar buiten en mompelde wat. Op zijn campingmobiel scheurde hij weg om vijf minuten later terug te komen met een nieuw onderdeel. Ook weer gefikst. Het enige nadeel van deze camping lijkt het feit dat hij praktisch aan de voet van de Mont-Ventoux ligt. Eigenlijk ervaart alleen mijn vrouw dat als een nadeel. De zeer ervaren lezer weet waarom.

  
  

Klakkeloos gevolg

Gisterenavond op de radio waren Mart Smeets en Maarten van Rossem te gast in de studio over het onderwerp Tour de France in Utrecht. Mart Smeets is één van de weinige Nederlanders die bij elke van de zes tourstarts in Nederland is geweest, maar Maarten was minder enthousiast over het spektakel in zijn woonplaats, en hoe mooi ik de tour ook vind, ik kon het alleen maar hartgrondig met Maarten eens zijn. Want, zo vroeg hij zich af, waarom veranderde zijn stad in een krankzinnigeninrichting op deze dag van de tour? Dan kun je nog denken :” Nou ja Maarten, die mensen zijn gewoon enthousiast, dat mag toch wel?” Natuurlijk, maar Maarten begreep niet dat er geen rechtszaak werd aangespannen tegen het gemeentebestuur vanwege vrijheidsberoving van de inwoners van de gemeente Utrecht. Maarten wilde namelijk met zijn niet mobiele vrouw naar de verjaardag van zijn kleinkind in Haarlem, maar kon de stad niet uit met zijn auto. Ook reed er geen bus of taxi, dus hij klaagde over het feit dat het gemeentebestuur de taak had om te zorgen dat de burgers ongehinderd hun dagelijkse beslommeringen konden uitvoeren, en niet dat ze haar burgers van hun vrijheid moest beroven.

“Maar Maarten,” zei de presentator, “het is toch in elk geval een prima manier om Utrecht op de kaart te zetten? Utrecht is de hele wereld overgegaan, dat moet jou als Utrechter ook tevreden stemmen?” Grotere flauwekul had Maarten in zijn leven niet gehoord. Ten eerste was Utrecht een van de in economisch opzicht hardst groeiende steden en hoefde helemaal niet op de kaart gezet te worden, en ten tweede geloofde hij niet dat als mensen in Congo nu Utrecht gezien hadden, dat ze tegen elkaar zeiden: “Heb jij die toren gezien? Daar moeten we heen voor drie weken.”

Met een glimlach zat ik te luisteren. Ik vond het spektakel mooi, maar ik werd dan ook niet van mijn vrijheid beroofd. Ik heb me ook altijd verzet tegen Amerikanen die de dienst uitmaken buiten hun eigen landsgrenzen, bijvoorbeeld als de Amerikaanse president op bezoek komt, en in dit geval tegen de Fransen die de boel overnemen. Duitsers zul je zoiets nooit zien doen. Mensen als van Rossem maken mij blij. Niet vanwege hun gemopper, maar omdat ze tegen de stroom in zwemmen, en dus op plaatsen komen waar anderen niet komen. Klakkeloos volgen is een van de grootste gevaren waaraan de moderne mens wordt blootgesteld.

Schitterend.

Deze schitterende robijnrode topwijn heeft een fruitige geur met tonen van specerijen, zoethout, vanille en leer. Krachtig en vol van smaak met veel indrukken van rijp fruit zoals kersen, bramen en bessen met daarnaast kruiden, specerijen en duidelijke vanille tonen. De wijn heeft een perfecte balans met elegante tannines en een lange intense afdronk.”

Ongeveer zo werden gisteren in een restaurant de wijnen geserveerd. Daarna, volgt er een “alstublieft”, ten teken dat je mag proeven. Ik voel me altijd lichtelijk bezwaard als zo’n meisje haar verhaal staat te houden. Ik onthou niet wat ze zegt, dat interesseert me echt heel weinig, ik let uitsluitend op hoe ze het zegt. En daarna neem ik een slok en denk ik: gadverdamme! Of ik denk: gaat wel. Terwijl ik echt wel van wijn hou, maar gewoon van goedkope rode wijn zonder vreemde geuren en bijsmaken. Ik wil eenmaal geen Eucalyptus in mijn wijn. Zit het er toch in, dan kun je zo’n wijnaanbeveler en het gezelschap aan tafel eenvoudig de mond snoeren door te vragen: is dit Eucalyptus globulus of Eucalyptus odorata?

Dan moet het wel heel gek lopen wil de wijnkenner dat weten. In Frankrijk koop ik gewoon zo’n vijf liter jerrycan met een kraantje die je kunt ophangen en waar de wijn uit kiepert. Dat zal ze leren.

De erflaters

En zo ramden we er in drie weken tien afleveringen uit de serie Band of Brothers doorheen. Na de laatste aflevering bleef ik naar de televisie staren. De interviews met de echte hoofdrolspelers, oude mannen ten tijde van de opnames -eind jaren negentig- ongeveer 80 jaar oud en nu waarschijnlijk allemaal dood, maakten diepe indruk. Ze kwamen aan het begin van elke aflevering aan het woord, maar na de laatste werden hun namen in beeld gebracht en wist je wie de oude man was die zojuist gesproken had. Ze hebben elke gebeurtenis uit de serie meegemaakt. Mede dankzij hen leven wij nu in vrede, dat weten we allemaal wel en daar wil ik zeer zeker niks aan afdoen. Maar op één of andere manier wordt hun leven verfilmd, en het mijne niet. Zij waren niet uitbundig blij nadat het Duitse leger gecapituleerd had, want voor hen betekende het afscheid van hun intense leven en van hun broeders.

Door alle ellende die zij meemaakten, door hun gezamenlijke bloedvergieten werden zij broeders voor het leven. Als ze er over praatten, deden ze dat ontroerd, en ontroerd is intens. Hun levens waren intens door de oorlog, en onze levens zijn oppervlakkig door de vrede. Of ik dan soms wil dat het oorlog is? Nee geenszins. Net als de soldaten uit Band of Brothers dat niet wilden. Maar er viel niks te willen, ze moesten het ermee doen. Maar het vechten om de bezetter te verslaan, het speculeren over het einde van de oorlog, het bevrijden van steden en het optrekken met je makkers om een doel te bereiken, dat maakte het leven intens. Sommige nieuwe soldaten die er net bij kwamen, hadden nog geen actie meegemaakt en hoopten op een confrontatie met de Duitsers. Ze kwamen wel van een koude kermis thuis en waren daarna in één klap genezen, als ze het al overleefden. Ik kan me voorstellen dat als je onder vijandelijk mortiervuur waarbij veel van je kameraden omgekomen zijn, hebt gelegen, je intenser en respectvoller leeft.

En dat deed je dan allemaal voor jouw nazaten, de feestgeneratie die het bevrijde land intussen opnieuw heeft bezet, en van weekend naar weekend feest. Dan moet je toch het gevoel hebben dat ze je nalatenschap aan het verbrassen zijn. Je hoort de oude mannen er niet over. Zij zijn blij dat ze mochten dienen tussen hun heldenvrienden en ze zijn blij voor elke heldenvriend die het heeft overleefd. Zonder blij voor zichzelf te zijn en zonder zichzelf als held te zien.

Ollekebolleke

Nergens zag ik op sociale media, tenminste niet in de kringen waarin ik mij begeef, een melding over het overlijden van Drs P.
Doorgaans is er ook weinig dramatisch aan het overlijden van een vijfennegentigjarige, en zijn woordkunsten sloegen misschien niet bij het grote publiek aan, maar het verbaasde mij toch. En nu ga ik niet beweren dat ik zijn werk goed kende, maar zijn “De Veerpont” en en vooral “de Dodenrit” kon ik erg waarderen. Ik las wat over hem en kwam op de Ollekebolleke. Een dichtvorm die onbegrijpelijk lijkt als je leest wat erover wordt uitgelegd. Dubbele Dactylus, metrum, pointe, puntdicht. Het zal allemaal wel. Maar als je tot je door laat dringen wat er gebeurt dan zit ineens dat ritme in je hoofd. Het ritme waarmee het wordt uitgesproken is bijna hetzelfde als het kinderversje Olleke Bolleke. Alleen doe je niet: Olleke bolleke Rubisolleke Olleke bolleke Knol! Nee, je doet: Olleke Bolleke, Knolleke solleke, Olleke Bolleke, Bolleke Knol! Net iets anders.
Verder moet er op de zesde regel een zes-let-ter-gre-pen-woord komen te staan met de klemtoon op de vierde lettergreep. Lijkt misschien lastig, en dat is het ook, maar ram dat ritme in je hoofd en je hoort het vanzelf. Voor het ritme maakt het niet uit of het een woord is dat uit zes lettergrepen bestaat of juist uit twee van drie, maar in de Ollekebolleke is dat verplicht. Ik heb de regels niet verzonnen. Er zijn nog meer regels aan de Ollekebolleke, maar daar vermoei ik u verder niet mee.

Ik ging gisteren aan de slag en kwam er niet uit. En vandaag zie ik dat Drs P zijn eigen rouwadvertentie vanuit het hiernamaals heeft geregisseerd. Ik weet dat het woord briljant tegenwoordig te pas en te onpas wordt gebruikt, maar hier is een briljant op zijn plaats. Als volgt:
rouwadvertentie Drs. P
Mijn eerste Ollekebolleke ooit is een betuiging van eer aan deze actie. De Limerick is er kinderspel bij.

Lastige uitdaging
dusdanig te rijmen
op zo’n manier dat een
versje ontstaat

de doctorandus had
Ontegenzeggelijk
uit het hiernamaals een
topper paraat.

In de ban van de slang

Sinds ik ruim een jaar geleden ineens een gladde slang voor mijn voeten zag kruipen, ben ik wat in de ban van de slang geraakt. Ik denk niet dat ze echt zeldzaam zijn, maar ze laten zich niet snel zien. In Nederland komen vier verschillende soorten slangen in het wild voor. De gladde slang, de ringslang, de adder en de hazelworm, al is die laatste technisch gezien meer en hagedis dan een slang. De gladde slang is de meest bedreigde soort in Nederland, maar die zie ik dus het vaakst, als we de hazelworm niet meetellen. Vanochtend zag ik er nog eentje, al was die dood.

Vanmiddag fietste ik met mijn dochter en zag achter een hek een typisch vennetje waarvan ik dacht: dit is een slangenparadijs. We parkeerden onze fietsen en stapten over het hek. Terwijl ik het vennetje naderde, sprongen de kikkers van alle kanten de plomp in. Waar kikkers zijn, zijn slangen had ik wel eens gelezen. Pas geleden las ik in de krant dat je hazelwormen onder stukken hout kon vinden, maar dat je wel heel veel hout moest omdraaien wilde je er eentje vinden. Nou nee hoor, het eerste stuk hout wat ik omdraaide bleek onderdak te bieden aan een opgekrulde hazelworm die lag te slapen. Waardeloze krant.

hazelwormIk pakte het beest snel op en liet het aan mijn dochter zien. Die wilde het ook wel vasthouden, alleen was ik bang dat ze het slangetje zou laten vallen dus deden we dat maar niet. De paniek zou ineens kunnen toeslaan en dan vliegt een onschuldig beest ineens meters door de lucht.

Ringslang Toen was het mijn dochter die een groot stuk hout vond. Ik zei dat we daar al onder hadden gekeken, maar volgens haar niet, dus ze rolde het aan de kant. Een dikke zwarte ringslang lag opgerold te slapen en wij stoorden hem daarbij. Het beest had net gegeten kon ik zien aan de verdikking in het midden van zijn lichaam. Het beest realiseerde zich sneller dan dat ik mijn telefoon kon pakken dat het weg moest wezen, maar als een echte Steve Irwin pakte het één meter lange beest bij zijn staart en trok hem terug voor een foto. Een keer of vier moest ik hem pakken voordat ik zeker was dat ik hem op de foto had. Ik wist ook niet zeker of hij me zou bijten, maar dat schijnen ze niet te doen, ook niet als ze gevangen worden. Nou ja, hij staat erop, daarna mocht hij vluchten.

Nu is het alleen de adder nog die ik een keer op de foto moet zien te krijgen. Maar ook die schijnt hier voor te komen, al heb ik hem nooit gezien. Maar zodra ik hem zie, hoort u het.