De zachte weg

Vrijdag bracht ik Hans naar Judo, inmiddels heeft hij de groene slip, wat inhoudt dat hij tussen de oranje band en de groene band inzit. Hij heeft een mooi judopak en zijn band is van dikke stof, veel mooier dan het reepje rafelige stof dat ik destijds tot mijn beschikking had. Ik had de blauwe band toen we verhuisden en daarna ben ik nog één keer naar judo geweest, maar ik wilde niet meer. Voetbal en judo ruilde ik in voor zwemmen en badminton. Van dat judo heb ik nog altijd spijt. Ik zou het misschien tot de zwarte band hebben geschopt, al wordt er niet geschopt met judo. Judo betekent letterlijk “zachte weg” en in die zin ben ik nog steeds een beoefenaar van de edele judosport. Ik doe veel langs de zachte weg, omdat dat immers de meest prettige weg is. De buiging (groet) is een teken van respect, maar ook dat je laat zien dat je de ander geen kwaad gaat doen.

Hans moest opdraven voor een demonstratie van meester Thijs, een jongen van net twintig schat ik in, een vriendelijke maar onverschrokken blik in zijn ogen, derde dan, en sterk in de zachte weg. Hij heeft de kinderen onder controle, maakt een grapje met ze, maar roept ze net zo makkelijk weer tot de orde. Meester Thijs zette een heupworp in en daar vloog Hans door de lucht en landde op de grond zonder af te slaan. Dat kwam hem op een strenge blik te staan, waardoor Hans alsnog afsloeg, maar dan heeft het geen zin meer. Dat moest dus opnieuw en wederom ging Hans door de lucht, maar ditmaal sloeg hij wel goed af. Ik heb wel enige bewondering voor Thijs. Ik heb ook eens meegedaan aan zijn les, toen Hans net was begonnen, en ik verbaasde me hoe hij als jonge jongen mij, een veertiger vertelde wat ik moest doen. Het was de gewoonste zaak van de wereld en niets in mij protesteerde. Hij was de meester, ik de leerling. Thijs is een goeduitziende jongen, zeker als hij zijn blauwe judopak aanheeft, en sommige moeders spreken hem wel erg vaak aan. Ik had een vraag over het nieuwe judopak van Hans, er zat iets aan de broek niet goed, en hij liet me zien hoe het moest. Daarvoor maakte hij speciaal zijn derde dan los zodat ik een stiekeme blik op zijn buikspieren kon werpen. Dat doe je op mijn leeftijd, die is ook een soort slip, je zit tussen de kracht en het verval in. Het viel me nog enigszins tegen, ik had een wasbord verwacht. Maar toen bedacht ik me dat wasbordjes slechst uiterlijk vertoon zijn en met judo niks te maken hebben.

Hieronder zie u Meester Thijs San voor zijn examen zwarte band (1e dan) zijn tegenstander keer op keer vloeren.

Dromenpuutje

Zojuist dacht ik gedurende een seconde dat er een alarm afging. Ik schrok want we hebben geen alarm en mijn auto volgens mij ook niet. Bovendien staat die 50 meter verderop geparkeerd. Toen ik deze gevolgtrekkingen in die seconde had verwerkt, schoot ik naar beneden omdat ik me realiseerde dat het Tammar was die lag te gillen in haar bed. Een rat. Een rat in haar bed, dat is waar ik aan dacht. Waarom dat mijn eerste gedachte was weet ik niet, maar het klonk alsof ze gebeten werd. Toen ik haar kamer opkwam jammerde ze dat ze heel eng had gedroomd, maar ze wist niet meer wat. En of ik het even tegen mama kon gaan zeggen. Mama sliep al, maar ik ben het even gaan zeggen. “Komt ze eraan?”, vroeg Tammar. Ik legde haar uit dat ik nu bij haar was en dat een droom niet echt is. Ze werd vrij snel weer rustig en vroeg of de deur open mocht blijven staan, anders zou de droom weer terugkomen. Ja, daar ben ik nu ook bang voor, dat die droom weer terugkomt. Ik heb het vaker meegemaakt, met Hans, maar ook met mezelf, dat als je doorslaapt de droom weer verder gaat.

Vanavond las ik aan Hans het laatste hoofdstuk voor uit het boek “Pinkeltje en Klaas Vaak”. Over hoe dromenpretje en dromenpuutje de kinderen met een zak zand te lijf gaan. Dromenpretje strooit wit zand voor de kinderen die lief zijn, Dromenpuutje strooit rood zand voor de kinderen die stout zijn. Dick Laan, de schrijver, is nog uit een andere generatie. Een zwarte pop heet onbeschaamd ‘roetmopje’, iets wat tegenwoordig tot zware protesten onder de blanke bevolking zou leiden. Meneer Dick Laan deed ook nog een sterk staaltje ongegeneerde zelfpromotie. Pinkeltje heeft in het verhaal een droombril en kan daarmee zien wat iedereen droomt. Pinkeltje vraagt wat meneer Dick Laan droomt, en krijgt prompt te zien dat Dick Laan in een kamer zit vol met boze vaders die geen Pinkeltje meer willen voorlezen aan hun kinderen, maar daarna komen er duizend kinderen die roepen dat hun vaders elke avond Pinkeltje moeten voorlezen. Geboren in 1894, dat verklaart veel.

Mijn hart is inmiddels weer bekomen van de schrik, en ik ga slapen. Dromenpuutje moet maar eens bij mij langs komen als hij durft. Tammar stout geweest! Hoe verzinnen ze het?

Minotaurus

Hans is een jongetje met over het algemeen een lief karakter, maar hij kan ook een etterbak zijn als hij zijn zusje pest. Die op haar beurt vaak weer een draak is, en als ze dat niet is is ze lomp en onbehouwen. En soms is ze een engeltje. Dat is hoe het is. In mijn gevoel zijn ze echter beiden uitsluitend engeltjes en heb ik geen voorkeur voor één van beiden. Zo gaat het overal, maar toen Tammar er nog niet was vond ik het lastig voor te stellen dat ik met zijn broertje of zusje net zo gek zou zijn als met Hans. Maar dat gaat vanzelf.

Met Hans deed ik vanavond het spelletje Minitaurus. Een spelletje van Lego waarvan ik in het begin na drie keer de spelregels gelezen te hebben nog steeds geen idee had hoe ik moest beginnen, maar gelukkig snapte Linda het wel. Linda snapt trouwens ook altijd alle films die ik niet snap en ik vraag me af hoe het mogelijk is dat ik diploma’s heb gehaald. Mijn IQ is in tests in orde, maar zelfs Tammar roept regelmatig dat ik dom ben. “Papa, jij bent dom!” Maar goed, Minotaurus. Als ik eenmaal iets snap, dan snap ik het ook. Ik kan dan stijgen tot ongekende hoogten. Vandaar dat ik Hans vanavond ook twee keer versloeg. Maar dat was eigenlijk helemaal niet de bedoeling. Hans kan heel geconcentreerd dat spelletje spelen. Na zijn eerste verlies riep hij hoopvol: “nog een potje”, terwijl het al bijna acht uur was. Maar vooruit dan maar. Toen ik het tweede ook won, en heel onsportief mijn beide handen in de lucht stak (ik ben een slechte winnaar en ik was vergeten dat ik de eerste ook al had gewonnen) zag ik de teleurstelling op zijn gezicht. Hij vatte het gelukkig wel goed op, en ik zei dat we woensdag weer een potje zouden doen. Eerder kan ik niet. Maar wat vond ik het lullig van me. Vind je dat nou leuk, grote lummel? Maar ook wel licht ontroerd door Hans, de goede verliezer.

Kind

De afgelopen weken waren nogal stressvol. Ik begon het te merken doordat ik elke ochtend om vijf uur wakker werd. En aangezien ik pas om half één slaap zijn de nachten dan behoorlijk kort. Maar ik geloof dat ik er doorheen ben. Ik werd vrijdag alweer wat later wakker en één goede nachtrust doet al wonderen. Vanochtend was ik na half negen nog aan het dromen, ik had een gesprek met mijn vader, hij was al die tijd niet ouder geworden en ik was mijn huidige zelf. Hij wilde onze relatie beter maken, maar ik wilde hem laten zoals-ie was, vader-kind.

Gisteren deed ik iets doms, over vader-kind gesproken. Ik was aan het stoeien met de kinderen en ik dreigde ze vast te binden. Doe ik wel vaker, niet voor straf maar omdat ze dat leuk vinden. Het heeft ook niets met “Vijftig Tinten” te maken. Ik pak dan de ceinturen van de ochtendjassen en bind die om hun polsen. Zodra ze dan los zijn hebben ze de grootste lol. Gisteren bond ik Hans aan handen en voeten. Maar hij stond op van de bank en ging springen. Totdat hij viel en hij zich dus niet met zijn armen kon opvangen, want die zaten achter zijn rug gebonden. Hij huilde heel hard en ik schrok me dood. Ik tilde hem snel op en legde hem op de bank, en haalde de knoop los. Hij bleef maar huilen en klaagde over pijn in zijn schouder en zijn wang. Een kwartier lang heeft hij me in de waan gelaten dat zijn schouder was gebroken. En dat zou mijn schuld geweest zijn. Hij had al zijn tanden uit zijn mond kunnen vallen. Kinderbescherming zou waarschijnlijk zijn ingeschakeld. Hoe dom kan een vader zijn? Of is dit zo dom dat het alleen de stomste overkomt? Ik was zo opgelucht dat hij uiteindelijk niks mankeerde. Je zult zoiets op je geweten hebben. Vanochtend in het zwembad drukte ik hem nog even stevig tegen me aan. Hij snapte niet waarom ik dat deed en probeerde zich los te wurmen. Ik liet hem snel gaan.

Koorts

Maar goed, nu is het dus toch Tammar die de meeste moeite heeft met school. Vanochtend om zes uur kwam ze klaarwakker melden dat ze koorts had. Nog geen vier jaar. Tuurlijk Tammar, kom maar even in ons bed dan. Ze voelde wel wat warm aan, maar Tammar misbruikt ziek en koorts om onder verplichtingen uit te komen.

Om half twaalf belde de school dat ze had overgegeven. Mijn moeder, die op dertig meter afstand van de school woont, ging haar halen. Om half zeven kon ik haar pas mijn excuses aanbieden. Ze had het toch niet verzonnen. Ik bracht haar naar bed en zei dat ik even bij haar kwam slapen, na het verhaaltje. Ze pakte mijn pols en wreef mijn hand over haar rug, ten teken dat ik over haar rug moest blijven wrijven. Ze vertelde dat ze terug wilde naar Nijntje (de kinderopvang) of dat ze naar groep vier wilde, bij Hans. Juffrouw Ans was wel lief maar de andere kindjes niet. En het was saai. Toen ik zei dat we gingen slapen was ze binnen vijf minuten naar dromenland.

Helaas werd een klein uurtje later de droom wreed verstoord door een krijsende Tammar, volledig in paniek en niet meer stil te krijgen. Ze gloeide van de koorts en was drijfnat. We namen haar mee naar beneden en gaven haar een zetpil. Daarna werd ze rustig en koelde ze langzaam af. Ze lag met haar ogen open naar één punt te kijken en praatte op vertederende toon. Ze viel weer in slaap. Maar helaas, zojuist werd ze weer gillend en gloeiend wakker. Haar nieuwe bed is simpel om te bouwen tot een tweepersoonsbed. Linda houdt vannacht een oogje in het zeil.

Het is later.

Vandaag deed ik wat vaders doen. Ik nam mijn zoon mee voor een wandeling door het bos. Ik zou hem een wild zwijn laten zien, want die had hij nooit gezien. Regen, steile hellingen, modder en ontberingen trotserend. Hij vroeg me wat voor kleur een wild zwijn had, en hoe ze eruit zagen. Ik vertelde hem dat ze op varkens leken, maar dan niet roze, maar donkergrijs metallic. En waarom ze dan geen wilde varkens heetten, dus ik vertelde hem dat ze zo ook genoemd worden, of everzwijnen. Op kilometer 5 van 6 zagen we er een paar. Een enorme beer, met zijn staart wapperend om zijn poep flink door de lucht te meppen, en een paar zeugen. Ze stonden onverstoord in de aarde te wroeten want wij stonden op voldoende afstand voor ze. Dit was Hans z’n eerste ontmoeting met het wilde zwijn.

Ikzelf was 13 jaar, we woonden net hier in het land van de pott’n en de pann’n en ik was naarstig op zoek naar het wilde zwijn. Want die had je niet in de Drunense Duinen. Het heeft zeker drie maanden geduurd voordat ik de eerste zag. Ik en mijn vader, we reden in zijn Fiat 132 (GX-80-VJ), en nagenoeg op dezelfde plek zagen we er een. Ook een enorme. Ik weet niet hoe oud een zwijn kan worden, anders doen we voor het verhaal even of het dezelfde was.

Hans vond ze niet echt wild, zei hij, en ik werd door die kinderlogica eraan herinnerd dat ik ook ooit zulke prachtige logica had. Nog helemaal niet zo gek lang geleden. Ik huil niet vaak meer en ik ben niet meer vaak bang. Het is nu echt later.

De kinderbijbel

Tammar verraste mij vanavond bij de keuze van het boek dat ik moest voorlezen. Het was de kinderbijbel. “Weet je dat nu wel zeker, Tammar” vroeg ik? Ze is tenslotte pas drie, maar ze wist het zeker.

Ik begon in den beginne, toen er nog niks was. Alleen God was er.”Waar is God? Ik wil God zien!” zei Tammar. Daar begonnen de eerste moeilijkheden al. “Dat willen heel veel mensen, Tammar, maar God is onzichtbaar.” Goed, ik ging verder. Hij maakte de bergen en de zeeën, de rivieren, de dieren en uiteindelijk Adam en Eva. “Zijn dat Eva en hoe heet haar broer?” vroeg Tammar terwijl ze naar het plaatje wees? “Adam heet hij, ja.” Hij was de eerste mens.

Vervolgens kwamen we bij de slang en de boom der kennis van goed en kwaad. En dat het vanaf daar fout ging en God’s schepping niet meer volmaakt was. En dan zijn we nog maar bij het begin van het boek, en gelijk gaat het al fout. Wie niet horen wil moet maar voelen, zo begint het eigenlijk want Adam en Eva werden uit de tuin gestuurd waar ze, als ze geluisterd hadden, tot in lengte van dagen hadden mogen blijven, zonder moeilijk gedoe als werk, hypotheek, jeugdzorg, politiek, CO2-uitstoot en overdrachtsbelasting. Maar ja, het zal ook een keer wel goed gaan.

Zachte heelmeesters.

Zomaar een willekeurige nacht, om een uur of half drie hoor ik wel eens kindervoetjes drentelen. Dan hoor ik een deur opengaan en komt een kind onze slaapkamer binnen. Altijd, dus niet “soms niet”, nemen ze de langste route naar mijn kant van het bed. Ik slaap aan de raamkant, zodat de inbrekers eerst langs Linda moeten voor ze bij mij zijn. En dan hoor ik: (papaaah?) Dit kan Hans of Tammar zijn, ze doen het alletwee zo. Dan volgt de reden van hun nachtelijke bezoek. Hans is meestal geschrokken en Tammar kan d’r lappie niet vinden, hoorde gebonk of er vloog een beest door haar kamer. Vannacht was het Tammar. Een keer of vijf. Elke keer als je net weer ligt, hoor je die voetstapjes weer, en een paar seconden later volgt de volgende smoes.

Dat ze bij mij komen en niet bij Linda heeft twee belangrijke oorzaken. Ten eerste hoor ik ze al aankomen voor ze er zijn, en ten tweede, als Linda dan toch wakker wordt nadat ik Tammar voor de vierde keer liefdevol heb teruggebracht, grijpt ze ook hardhandig in, slaat daarbij dreigende taal tegen Tammar en verwijtende tegen mij uit, en dan was het ook gelijk de laatste keer dat ze haar bed uit kwam. Die Linda van mij, die kan korte metten maken.

Lieke

Tammar wilde een spelletje voordat ze naar bed moest. Ik wilde dat niet. Dan wilde ze een boekje. Ik zei: “Nee, ik ga een verhaaltje vertellen.” Het verhaaltje ging over Lieke.

Lieke ging barbecueën samen met haar broertje en haar vader en moeder. Lieke vond de komkommer zo lekker dat ze steeds een stukje pakte, maar haar vlees at ze niet op. Haar mama zei: “Lieke, blijf nu van de komkommer af en eet eerst je vlees op.” Lieke luisterde echter niet, en pakte weer een stukje komkommer. En toen gooide ze haar drinken om. Zo op haar bord. (Tammar luisterde aandachtig met haar duim in haar mond) Mama werd boos. Na het eten wilde Lieke nog even buiten spelen. Papa zei: “dat is goed, maar als ik je roep, gaan we zonder zeuren naar bed!” “Oke,” zei Lieke. Maar toen papa riep, luisterde Lieke niet. Nee, ze rende weg en papa moest haar vangen! (Hier begonnen Tammar’s ogen te stralen) En toen papa haar had, begon ze heeeeel hard te gillen. En ze riep: “Laat me los, ik wil zelf lopen!” Maar toen papa haar losliet, rende ze weer weg. (Hier had ze door dat het over haar ging) Papa pakte haar en sleurde haar de trap op. Lieke wilde niet uitkleden dus papa moest haar uitkleden. Dat ging nog niet makkelijk. Lieke ging in elkaar gedoken zitten zodat papa haar niet kon uitkleden. (Dat ben ik, zei Tammar) En toen hij haar eindelijk uitgekleed had, zette hij haar onder de douche. Lieke begon te krijsen. “Heet heet, koud, koud,” en ze sprong weer onder de douche vandaan. En toen viel Lieke. Boem. En Lieke begon nog harder te krijsen. “Eigen schuld,” zei papa. (Dat ben ik, riep Tammar weer) Papa waste haar haren. “Handdoek, handdoek, riep Lieke die prik in haar ogen had gekregen. (Dat ben iihhiiik, zei Tammar)

Ben jij dat, Tammar? Nee hoor, dit gaat over Lieke. Tammar gaf mij een kus en een knuffel en liet zich niet meer horen nadat ik de deur achter haar dicht trok.

Blauw voor een vrouw.

De drogist en de bloemist, alsmede Blokker en de Hema, allemaal hoopten ze mij vandaag naar binnen te lokken om een moederdagkadootje te kopen. Ik liep ze echter allemaal voorbij en sloeg mijn slag in een ijzerhandel. Ik was de eerste ooit die daar zijn moederdagkadootje haalde. Linda, prototype vrouw, wilde een zaklamp. En niet zomaar een zaklamp, nee, meer een zoeklicht. Om ’s avonds wilde dieren mee te kunnen zien in het donker. Omdat ik me een beetje schaamde zei ik tegen de meneer dat ik bij de commando’s zat en dat ik een goeie lamp voor mijn werk nodig had. Hij fluisterde: ’t is voor moederdag he? Ik bekende.

Hij demonstreerde me een lamp. Het was de beste die hij had. Stevig, een lichtbundel waarmee je een vliegtuig gevangen kon houden, en een oplaadbare accu. Hij pakte hem uit de verpakking en scheen in mijn ogen. Dat had hij niet moeten doen. Verblind informeerde ik naar de prijs. Hij zocht het op in de computer en zei toen: 110 euro. Voor een zaklamp!! Dat vond ik toch wel iets te gek worden. Hij liet me wat andere modelletjes zien. Uiteindelijk is het dezelfde lamp geworden, maar dan met gewone batterijen. 40 euro. Belachelijk, voor een lamp. Moederdagpapier hadden ze niet, ik kon kiezen uit groen of blauw. Blauw dan maar. Blauw voor een vrouwelijke vrouw.